Veertig jaar gescheiden kerkelijk leven

2006-10-27
  • Jaargang 50
  • nummer 21
Veertig jaar geleden las ik op mijn studentenkamer in Wageningen de Open Brief (OB) en ik werd er niet vrolijk van. Op 31 oktober 1966 schreven 25 leden van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt een OB aan de Tehuisgemeente van Groningen.
Predikant van deze gemeente was de in 1963 door de kerkenraad van Groningen-Zuid geschorste ds. A. van der Ziel.1 De OB was niet alleen bedoeld om ds. A. van der Ziel en zijn gemeente een hart onder de riem te steken, maar bevatte ook een oproep aan de GK(v) om te streven naar eenheid met de Gereformeerde Kerken (synodaal) in Nederland (GKN).

De brief verscheen in een gespannen kerkelijk klimaat binnen de GK(v).2 De handhaving van de christelijke leer, zoals geformuleerd in de gereformeerde belijdenis, was bij een minderheid in de GK(v) in geding.
Bovendien werd, vooral in publicaties van ds. B.J.F. Schoep, opsteller en ondertekenaar van de OB, versmallend gesproken over het ‘fundament van de kerk’. Met het oog op kerkelijke eenheid werd door hem ‘Christus als fundament van de kerk’ bepleit in plaats van ‘de Heilige Schrift als fundament van de kerk’.3 En in de derde plaats was er sprake van independentisme, d.w.z. dat bepaalde kerken en ambtsdragers zich de vrijheid veroorloofden om zich niet te houden aan uitspraken van meerdere vergaderingen.
In de zestiger jaren van de vorige eeuw was ik met de meerderheid binnen de GK(v) van mening dat met het noemen van deze drie punten de belangrijkste oorzaken van de breuk onder woorden zijn gebracht.

Kerkvisie
Later besefte ik dat de versmalde kerkvisie en de dwingende manier waarop door de meerderheid in de GK(v) werd gesproken over de doorgaande reformatie, eveneens in niet geringe mate bijdroegen aan het ontstaan van de crisissfeer. Dat het kerkvergaderend werk van Christus in Nederland sinds 1944 vrijwel uitsluitend plaatsvindt in de GK(v) is weliswaar geen uitspraak die in onze officiële kerkelijke papieren staat vermeld, maar wel een opinie die decennialang kenmerkend was voor de hoofdstroom binnen deze kerken.
Deze nieuwe visie op de kerk leidde tot de zogenaamde ‘doorgaande reformatie’. Veel gereformeerde organisaties werden opgericht, waaraan vrijwel uitsluitend gereformeerd vrijgemaakten konden deelnemen, omdat anderen wegens ‘kerkelijke ongehoorzaamheid’ hiervoor ongeschikt werden verklaard. Wie zich als ‘vrijgemaakte’ afzijdig hield en bleef deelnemen aan ‘interkerkelijke organisaties’, werd beschouwd als ‘niet goed gereformeerd’.
Ook na de breuk hebben velen in de GK(v) jarenlang een sterke dwang ervaren om zich te conformeren aan de versmalde kerkvisie en de daaruit voortvloeiende gedachten over de doorgaande reformatie. Wie zich niet conformeerde, ontmoette wantrouwen.
Velen hebben onder dit exclusivisme geleden en voor sommigen was dit een reden om de GK(v) te verlaten.
4 Inmiddels hebben velen in de GK(v) een ruimere visie op de kerk en zijn in de meeste gereformeerde organisaties ook gereformeerde belijders uit andere kerken welkom als lid.

Uitgebleven verootmoediging
De Generale Synode (GS) van Amersfoort-West 1967 sprak uit dat er een onaanvaardbare tegenstrijdigheid is tussen enerzijds instemming met de belijdenis en anderzijds de ondertekening van de OB. Sommige ondertekenaars gaven aan zich niet te kunnen vinden in de uitleg die de synode gaf aan enkele passages in de OB. Maar in het kerkelijk klimaat van toen was er weinig bereidheid om de ondertekenaars naar hun bedoeling te beoordelen.
De uitspraak van de GS had tot onvermijdelijk gevolg dat de breuk zich in veel plaatselijke kerken ging voltrekken, dat ondertekenaars en sympathisanten als ambtsdrager werden geschorst5 en kerken buiten het kerkverband raakten.
Inmiddels is er binnen de GK(v) sprake van een groeiend besef dat lang niet alle maatregelen die volgden op de synode-uitspraak van 1967 over de OB, goed zijn geweest. Binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) zijn nog steeds ambtsdragers en gemeenteleden die gewond zijn door de schorsingen en andere maatregelen.
Maar helaas is er binnen de GK(v) nog weinig sprake van openlijke erkenning van schuld en van publieke verootmoediging over gemaakte fouten en aangedaan onrecht. Terwijl zo’n erkenning en verootmoediging ons dichter bij Christus en dichter bij elkaar kan brengen. Anderzijds zijn er ook binnen de GK(v) personen die de pijn van de breuk met zich meedragen en het betreuren dat er binnen de NGK zo weinig berouw en verootmoediging wordt getoond over de afwijkingen van de belijdenis en het niet nakomen van kerkelijke afspraken, als oorzaken van de crisis.

Tijd nog niet rijp
De eerste 25 jaar (tussen 1967 en 1993) waren er op landelijk niveau geen kerkelijke contacten tussen de GK(v) en de NGK. Aan beide kanten kunnen daarvoor de pijn over de geslagen breuk en de overtuigdheid van het eigen gelijk als oorzaken worden genoemd.
Bovendien heeft de hiervoor genoemde kerkvisie binnen de GK(v) lange tijd de contacten van ‘vrijgemaakten’ met andere christenen en andere kerken in het binnenland bemoeilijkt.6 Binnen de NGK was er een gevoel van opluchting over wat iemand bij de NGK nog onlangs typeerde als ‘onder de repressie vandaan’.7De enige keer dat in deze periode de relatie met de GK(v) nadrukkelijk op een kerkelijke vergadering aan de orde kwam, was op de Landelijke Vergadering (LV) van Wezep 1978.
Daar is uitvoerig gesproken over een vraag aan de LV tot het doen uitgaan van een verzoek tot contact en samenspreking aan de GS van de GK(v). De LV besloot een dergelijk verzoek niet te doen uitgaan, o.m. omdat zij vreesde dat een afwijzende reactie van de GS toenadering tussen plaatselijke kerken zou bemoeilijken. De tijd was kennelijk nog niet rijp voor kerkelijke contacten op landelijk niveau.

Groeiende toenadering
Landelijke gesprekken op deputatenniveau kwamen er pas vanaf 1994, nadat GS Ommen 1993 deputaten voor kerkelijke eenheid (DKE) opdracht gaf te onderzoeken, ‘of er mogelijkheden zijn contact te leggen met de NGK, en zo ja op welke manier’. GS Berkel en Rodenrijs 1996 concludeerde echter dat de resultaten van de in 1994/1995 gehouden gesprekken teleurstellend waren en gaf geen nieuwe opdracht aan deputaten tot voortzetting van de gesprekken. LV Doorn 1998 van de NGK deed een klemmend beroep op de GK(v) om onbevangen te proeven, welke contacten wel en welke niet mogelijk zijn. GS Leusden 1999 gaf DKE opdracht om in een ontmoeting met de Commissie voor Contact en Samenspreking (CCS) door te spreken over de besluiten van LV Doorn 1998 en GS Leusden 1999. Dat leidde tot een nieuwe reeks vruchtbare gesprekken, die nog steeds voortgaan.
De meeste gesprekken gingen over de binding aan de belijdenis, de ruimte die er nodig is voor de formulering van de leer en het fundament van de kerk.8 Op een aantal punten is op deputatenniveau belangrijke overeenstemming bereikt.

Binding en ruimte
In de gesprekken werd duidelijk, dat er sprake is van een spanningsveld bij het nadenken over de vraag hoe we in de kerken zorg moeten dragen voor de eenheid in de leer. Het betreft de spanning tussen een te strakke en een te losse binding aan de belijdenis. De NGK vreesde confessionalisme bij de GK(v), terwijl de GK(v) bang was voor te veel vrijheid bij de NGK.
In de jaren van gesprekken is veel van die angst weggenomen. Uitvoerig is gesproken over het belang van binding en het belang van ruimte. Dat ambtsdragers zich moeten binden aan de belijdenis is van belang met het oog op de bescherming van de gemeente tegen dwaalleer. In de kerken mag van ambtsdragers een onbekrompen en loyale binding aan de belijdenis gevraagd worden.
Ruimte met betrekking tot de formulering van de leer is van belang omdat de kerk de waarheid van de Schriftopenbaring nooit heeft uitgeput. Ons kennen van die waarheid is evenals ons denken beperkt. De confessie is geen bundel tijdloze waarheden.
Daarvoor is de keuze van de onderwerpen, de inhoud en de invalshoek te sterk bepaald door de historische context van haar ontstaan. Er blijft ruimte voor nadere uitwerking, toespitsing en aanvulling in verschillende tijden en situaties.
Openheid voor kritische bezinning op de inhoud, voor het kiezen van andere invalshoeken, en het leggen van andere accenten, heeft alles te maken met gehoorzaamheid aan en eerbied voor het Woord van God. Er is sprake van confessionalisme als we daar moeite mee hebben.

Gemeenschappelijke vragen
DKE en CCS kwamen samen tot het inzicht en de erkenning dat veel vragen m.b.t. de manier waarop je de binding aan de belijdenis regelt en zorg draagt voor de eenheid in de leer, gemeenschappelijke vragen zijn, die om gezamenlijke bezinning vra gen. Dit inzicht en deze erkenning hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de groeiende toenadering tussen GK(v) en NGK.
Toenemend gebrek aan innerlijke, geestelijke verbondenheid met de inhoud van de belijdenis, wordt zowel in de GK(v) als in de NGK geconstateerd en is daarom eveneens een gemeenschappelijke zorg.
DKE en CCS zoeken samen (in opdracht zowel van LV 2004 als GS 2005) naar een weg om de bezinning op de inhoud van de belijdenisgeschriften een structurele plek te geven op kerkelijke vergaderingen.

Omgaan met verschillen
In de kerkelijke praktijk binnen GK(v) en NGK wordt niet op eenzelfde manier met de binding aan de belijdenis omgegaan. De GK(v) vindt het waardevol dat ambtsdragers hun binding aan de belijdenis met een handtekening bekrachtigen, vooral met het oog op de bescherming van de gemeente. Binnen de NGK wordt geaccepteerd, dat een klein aantal kerken niet de praktijk van ondertekening kent.9 Overigens is het goed te bedenken dat ook deze kerken zich wel uitdrukkelijk hebben gebonden aan de belijdenis van de kerk door in te stemmen met de preambule van het Akkoord voor kerkelijk samenleven.

Een ander verschil betreft het omgaan met concrete en voortgaande afwijking van de belijdenis. Van de kant van de NGK wordt benadrukt dat een ambtsdrager niet gauw geschorst zal worden, wanneer geen sprake is van aantasting van het ene fundament, Jezus Christus, of als de afwijking het bouwen op dit ene fundament niet verhindert. Van de kant van de GK(v) wordt erkend dat nimmer snel tot schorsing overgegaan zal worden, maar ligt tegelijk meer accent op de bescherming van de gemeente tegen dwaalleer.

Overigens is in de gesprekken gebleken dat waar de CCS Christus als fundament noemt, dit niet beperkend is ten aanzien van het geheel van de Schriften. “Als we zeggen ‘Christus alleen’, dan is dat de Christus der Schriften, van de leer van de apostelen en de profeten.”10 Genoemde verschillen zijn belangrijk genoeg om er verder over door te spreken en te proberen dichter bij elkaar te komen. Dat betekent echter niet dat op alle punten volledige overeenstemming vereist is voor kerkelijke eenheid gerealiseerd mag worden.

Op basis van vertrouwen verder
De betekenis van de landelijke gesprekken ligt niet alleen in de bereikte overeenstemming op een aantal belangrijke punten. Ze hebben ook het vertrouwen doen groeien dat de GK(v) en de NGK als kerken van Christus willen leven naar Gods Woord en met een onbekrompen en loyale binding aan de gereformeerde belijdenis.
Dat gegroeide vertrouwen is van grote betekenis voor de voortgang van de gesprekken en mag worden gezien als een geschenk van Gods Geest.

In de komende maanden zal op deputatenniveau gesproken worden over hermeneutische vragen die verband houden met de relatie vrouw en ambt.
Gelukkig is in de GK(v) de laatste jaren meer openheid gekomen voor bezinning op hermeneutische vragen.
Binnen de NGK is al langer nagedacht over deze vragen, zoals blijkt uit het rapport vrouwelijke ouderlingen en predikanten11. DKE heeft hierop gereageerd en is van mening dat in het rapport het Schriftverstaan onvoldoende aansluiting vindt bij de Schriftuitleg.12 Volgens GS 2005 vormt de uitspraak van LV 2004 dat het bijbels verantwoord is om de ambten van ouderling en predikant ook voor zusters open te stellen – een uitspraak die gedaan werd op basis van het rapport vrouwelijke ouderlingen en predikanten - een ernstige barrière voor het onderlinge contact. In een gezamenlijke bezinning hopen we onder de zegen van de Here verder te komen in het begrijpen van wat God in zijn Woord ons te zeggen heeft met betrekking tot de vragen waarvoor we gemeenschappelijk staan.

Zowel landelijk als plaatselijk is er sprake van groeiend vertrouwen, contact en samenwerking tussen GK(v), NGK en CGK. Daarvoor past dank aan God. We hebben elkaar nodig om steeds meer van de waarheid te leren kennen.13 Christus zelf heeft gebeden om eenheid, opdat er in de wereld meer erkenning komt van Hem als de Messias.14

Drs. Klaas Mulder is lid van Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Amersfoort-Centrum en secretaris van Deputaten Kerkelijke Eenheid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).

1 Ds. A. van der Ziel voerde in Groningen samensprekingen met de GKN tegen het uitdrukkelijk verbod van zijn kerkenraad in en werd geschorst toen hij er niet mee wilde breken. Ds. Van der Ziel stichtte een eigen gemeente, de Tehuisgemeente te Groningen.
2 Zie A. Kamsteeg, Een breuk te ver, Kampen 1994, 18.
3 Zie J. Douma, Hoe gaan wij verder?, Kampen 2001, 34.
4 Vgl. J. Douma, a.w., 161.
5 Zo heb ik bij mijn kerkenraad in Wageningen aangedrongen op schorsing van drs. H. de Jong als predikant, o.m. omdat hij sympathiseerde met de inhoud van de OB. Pas in 2001 heb ik mij hierover verootmoedigd en publiek schuld erkend.
6 Opvallend is dat er in deze periode wel sprake is van een sterke groei van buitenlandse contacten.
7 Drs. H. de Jong, Nederlands Dagblad, 18 september 2006 8 De resultaten van de gesprekken zijn te lezen in de rapporten van DKE aan de GS van Zuidhorn 2002 en aan de GS van Amersfoort-Centrum 2005, opgenomen als bijlagen in de Acta.
9 Rapport CCS aan LV Lelystad 2004, deel binnenland, paragraaf 3.4
10 Zie rapport DKE aan GS Zuidhorn, 1e aanvulling, p.6
11 Het rapport is te downloaden van www.ngk.nl
12 Opgenomen als bijlage in het rapport van DKE aan GS Amersfoort 2005
13 Efez. 3:18
14 Joh. 17:21, 23

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief