Waar staan wij nu?
2006-11-10
Gedurende een reeks van jaren hebben Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE) van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Commissie voor Contact en Samenspreking (CCS) van de Nederlands Gereformeerde Kerken in opdracht van hun generale synoden resp. landelijke vergaderingen met elkaar gesproken. Vele van deze gesprekken gingen over de binding aan de belijdenis. In mei 2006 hebben wij daarover opnieuw gesproken, ditmaal op een evaluerende wijze. Wij besloten dit gesprek af te ronden met het formuleren van een balans.- Jaargang 50
- nummer 22
Dat betekent niet, dat wij het onnodig achten verder over (de binding aan) de belijdenis door te spreken.
Om zeker twee redenen is het nodig daarover juist wel verder door te spreken:
1. De confessie zal vanwege haar brede en rijke inhoud altijd stof tot bezinning en gesprek blijven geven.
2. Er liggen nog altijd verschillen in de wijze waarop GKV en NGK met de belijdenis omgaan.
Intussen herkennen wij als DKE en CCS, dat onze kerken op dezelfde grondslag staan, namelijk die van de Schrift, zoals nagesproken door de gereformeerde belijdenis. Het is dan ook op die grondslag dat komende gesprekken gevoerd worden. Daarbij kan ook worden doorgesproken over onderwerpen uit de belijdenis.
Deze balans is dan ook niet bedoeld als een definitieve afronding, maar als een balans van de gesprekken-tot-nutoe over de binding aan de belijdenis.
Nu wij het over deze balans eens zijn geworden, concluderen wij dat althans de zaak van de binding aan de belijdenis niet langer een blokkade is voor verder en intensiever kerkelijk contact in de vorm van gesprekken, gericht op kerkelijke eenheid.
Nogmaals, niet omdat wij in alles nu op één lijn zitten, maar wel omdat wij over en weer het oprechte vertrouwen hebben, dat wij als kerken van Christus willen leven naar Gods Woord en met een onbekrompen en loyale binding aan de gereformeerde belijdenis.
In de gesprekken over de binding aan de belijdenis is er steeds een spanning geweest tussen een te strakke en een te losse binding aan de belijdenis. De NGK vreesde confessionalisme bij de GKV, de GKV vreesde te veel vrijheid bij de NGK. In de jaren van gesprekken is veel van die vrees weggenomen.
Wij erkennen dat er nog altijd zekere verschillen zijn, die in het vervolg van deze balans benoemd worden.
Maar wij zijn van overtuiging, gelet op wat we hierboven uitspraken over onze eenheid in geloof en belijden, dat die verschillen onze kerken niet blijvend gescheiden mogen houden en dat daarmee de weg vrij is voor gesprekken, gericht op kerkelijke eenheid.
In het verdere traject van samensprekingen zullen ze aan de orde komen, want ze zijn te belangrijk om ze te laten voor wat ze zijn.
Wij zullen ons er daarom over en weer voor inzetten om samen daarin een weg te vinden. Uiteindelijk zal dan ook blijken, of er zaken zijn die een obstakel vormen voor kerkelijke eenheid. Wij spreken de hoop en de verwachting uit, dat wij in het vervolgproces zo als kerken verder naar elkaar toe zullen groeien.
Aard van de belijdenis
In de belijdenisgeschriften spreken wij de Heilige Schrift na. Wij doen dat om verschillende redenen en op verschillende manieren: antithetisch en thetisch, opponerend en onderwijzend, steeds met het doel om de gemeenten en de gemeenteleden te bewaren bij het Evangelie van Jezus Christus. In het naspreken van Gods Woord is de confessie ondergeschikt aan dat Woord. Er is sprake van formeel gezag van de belijdenis als resultaat van kerkelijke uitspraken. Tegelijk bestaat dat formele gezag niet anders dan op basis van inhoudelijk gezag, namelijk ontleend aan het Woord van God. Alleen daarom kan men zich in de kerk beroepen op de belijdenis als op een gezaghebbende instantie. Het is een reformatorisch beginsel dat die kerk ware kerk is, die de ware leer belijdt. Een kerk van Christus zal ook altijd de waarheid van Gods Woord willen belijden en voor die waarheid willen opkomen.
Tegelijk is er sprake van een beperktheid van die belijdenis, omdat alleen de Schrift de normerende bron is en als zodanig boven de belijdenis staat.
In de Gereformeerde Kerken is dat dikwijls weergegeven met de tweeslag van norma normans (normerende norm) en norma normata (genormeerde norm), resp. Schrift en belijdenis.
Deze beperktheid hangt ook samen met de historische context waarin de belijdenis is geschreven. De confessie is een woord gesproken op zijn tijd. In alle tijden geeft Gods Geest nieuwe inzichten vanuit de Schrift, waarover de belijdenis niet spreekt. Elke tijd heeft zijn eigen vragen, waarop de confessie niet zonder meer een antwoord geeft.
De belijdenisgeschriften hebben verschillende functies: lofprijzing, getuigenis, onderwijzing. Zij spreken Gods Woord na en wijzen af wat met de Schrift in strijd is. De confessie brengt hoofdlijnen van de leer onder woorden; zo blijft er ook ruimte voor nadere uitwerking, toespitsing en aanvulling in verschillende tijden en situaties.
Binding aan de belijdenis
Als DKE en CCS verschillen wij niet van mening over het feit, dat in de kerken een onbekrompen en loyale binding aan de belijdenis gevraagd mag worden. Ambtsdragers in het algemeen en predikanten in het bijzonder dienen zich bewust te zijn van de noodzaak tot binding aan de leer van de kerk, dit ten behoeve van de bescherming van de gemeente. Zowel in GKV als NGK is dat ook vastgelegd in respectievelijk de Dordtse Kerkorde en het Akkoord voor kerkelijk samenleven.
Deze loyaliteit kent twee kanten. Aan de ene kant is er met name voor ambtsdragers geen reden tot schroom nadrukkelijk uit te spreken dat men zich gebonden weet aan de leer van de Heilige Schrift, zoals die in de gereformeerde belijdenis is vastgelegd.
En er is geen enkele reden om mondelinge instemming op dat punt ook niet via een handtekening te bekrachtigen. Gemeenten of ambtsdragers die ondertekening van de belijdenis als uiting van loyaliteit niet kennen, zullen worden aangespoord daartoe te komen, niet in de laatste plaats met het oog op de zichtbare eenheid van de kerk. Het Dordtse ondertekeningsformulier en het in de NGK gebruikte ondertekeningsformulier zijn daarbij goede instrumenten.
Aan de andere kant houdt een loyale binding ook in, dat men zich niet bindt aan punten en komma’s van de belijdenis, maar aan de inhoud ervan, en dat de belijdenis nimmer op één lijn gesteld wordt met de Schrift – zoals ze zelf ook getuigt in art. 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Om ook in onze tijd de kerk bij het Woord van God te bewaren is kennis van de confessie onmisbaar.
Ondertekening van de belijdenis staat daarom niet op zichzelf, maar bepaalt ons bij de noodzaak van geestelijke toerusting van ambtsdragers.
De binding aan de belijdenis is geen binding van de gewetens. Zowel het Dordtse ondertekeningsformulier als het door de Landelijke Vergadering van Apeldoorn (1995) vastgestelde formulier houdt de mogelijkheid open, dat een ondertekenaar tot andere inzichten inzake de leer van de kerk komt. Hij belooft dat hij in dat geval zijn individuele overtuiging – in elk geval tijdelijk, tot een kerkelijke vergadering daarover heeft geoordeeld – ondergeschikt maakt aan het belang van de kerkelijke gemeenschap waartoe hij behoort. Dienaren des Woords zijn voor de inhoud van hun prediking niet alleen verantwoordelijk voor hun eigen geweten, maar ook voor de kerk die hen die bediening toevertrouwde en onder wier opzicht en tucht zij zich hebben gesteld. Maar ambtsdragers hebben het volste recht en ook de plicht om te proberen de kerkelijke gemeenschap vanuit hun verstaan van het Woord van God van de juistheid van hun inzichten te overtuigen.
Bij de bezinning op de inhoud van de belijdenis dient altijd het belang van de gemeente een centrale plaats in te nemen. Waar sprake is van kritiek op essentiële onderdelen van de belijdenis zijn de kerkelijke vergaderingen de natuurlijke plaats om deze kritiek te bespreken, dit met het oog op de gemeente. De in de GKV en NGK gebruikte ondertekeningsformulieren wijzen daarvoor de weg.
Tegelijk is duidelijk, dat niet elke kritiek op de belijdenis uitsluitend op kerkelijke vergaderingen besproken dient te worden. Een pleidooi voor een cosmetische verandering kan vrijuit gehouden worden in boek of blad.
En ook waar een meer dan cosmetische verandering bepleit wordt, hoeft dat niet noodzakelijkerwijs op een kerkelijke vergadering te gebeuren.
Waar het gaat om de inhoud van de confessie, zal van ambtsdragers respect voor de leer verwacht mogen worden, dit ter wille van de gemeente.
Zo wordt dat ook beklemtoond in de beide genoemde ondertekeningsformulieren.
Als DKE en CCS onderkennen wij intussen, dat in de kerkelijke praktijk binnen GKV en NGK niet op eenzelfde wijze met de binding aan de belijdenis wordt omgegaan. Binnen de NGK vraagt het AKS van alle ambtsdragers ondertekening van de confessie als blijk van instemming met de leer. Niettemin wordt geaccepteerd dat een klein aantal kerken niet de praktijk kent dat ambtsdragers hun binding aan de belijdenis met een handtekening bekrachtigen. Van GKVzijde wordt dat laatste juist als zeer wezenlijk gezien en als waardevol ervaren, vooral met het oog op de bescherming van de gemeente tegen dwaalleer of de particuliere opvattingen van ambtsdragers. Van NGK-zijde wordt dit motief gedeeld en daarom het niet-ondertekenen betreurd.
Niettemin is er in de NGK begrip voor bestaande beduchtheid voor juridisering, binding aan de letter en het onvoldoende honoreren van reliëf in de belijdenis, en leidt het niet-ondertekenen niet tot maatregelen tegen deze kerken. Daarbij speelt ook een rol dat deze kerken zich via instemming met de Preambule bij het AKS uitdrukkelijk hebben gebonden aan de belijdenis van de kerk.
Een ander verschil betreft het omgaan met concrete en voortgaande afwijking van de belijdenis. Van de kant van de NGK wordt benadrukt dat een ambtsdrager niet gauw geschorst zal worden, wanneer geen sprake is van aantasting van het ene fundament, Jezus Christus, of als de afwijking het bouwen op dit ene fundament niet verhindert. Van de kant van de GKV wordt erkend dat nimmer snel tot schorsing overgegaan zal worden, maar ligt tegelijk meer accent op de bescherming van de gemeente tegen dwaalleer.
DKE en CCS erkennen intussen dat een toenemend gebrek aan innerlijke, geestelijke verbondenheid met de inhoud van de belijdenis een gemeenschappelijke zorg is. Zowel in de GKV als in de NGK is er dan ook alle reden tot hernieuwde aandacht voor en bezinning op de rijke inhoud van de gereformeerde belijdenisgeschriften.
Omdat het veelal ontbreekt aan een structureel gesprek op kerkelijke vergaderingen over de inhoud van de leer en daarmee over de inhoud van de confessie, is het dringend gewenst om naar instrumenten te zoeken om het gesprek op kerkelijke vergaderingen over de leer en dus over de belijdenis te stimuleren.
Nieuw belijden
De inzichten die onze gereformeerde voorvaderen formuleerden in de belijdenisgeschriften, moeten ook dienstbaar aan en vruchtbaar voor het heden worden gemaakt. Wij erkennen en herkennen de geestelijke gemeenschap met hen in de fundamentele vragen van het geloof.
Daarom willen we ook altijd voortbouwen op de basis die is gelegd in de gereformeerde confessie.
Dat kan enerzijds betekenen dat wij vroeger geformuleerde geloofswaarheden toepassen in onze eigen tijd.
We doen dat in gemeenschap met de kerk van Christus in alle eeuwen en op alle plaatsen. Anderzijds kan dit betekenen dat wij vandaag tot nieuw belijden komen. Gods Geest kan in elke tijd de ogen van mensen openen voor schriftuurlijke inzichten die aanzetten tot nieuw belijden. En ook de geestelijke strijd die vandaag gevoerd wordt, dringt tot zulk belijden.
Daarbij hoeft het niet te gaan om het formuleren van nieuwe belijdenisgeschriften, maar valt ook te denken aan nieuwe vormen van belijden. Een gemeenschappelijk getuigenis in deze tijd, zonder dat dit de status heeft van een belijdenisgeschrift, kan dienen tot eer van God, tot opbouw van de kerk en als een appél in de wereld waarin wij vandaag leven. Tot het geven van een dergelijk getuigenis voelen wij ons vanuit GKV en NGK gezamenlijk geroepen.
Vastgesteld in oktober 2006 door Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE) van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) Commissie voor Contact en Samenspreking met andere kerken (CCS) van de Nederlands Gereformeerde Kerken