Onbekommerd werken aan de predikantenopleiding
2006-11-10
‘Uit mijn jeugd herinner ik me hoe er op de kansel indringend gebeden werd “dat er ook uit het midden van deze gemeente jonge mannen geroepen zullen worden tot het wondere ambt van dienaar des Woords”. Ik hoor dat niet zo vaak meer en het woord “wondere” al helemaal niet.- Jaargang 50
- nummer 22
Zwaar – dat is het woord dat bij me opkomt als ik de brieven van de beide predikanten achter elkaar
doorlees.’
Zo begon Marja Brak een artikel in het blad Kontekstueel naar aanleiding van de briefwisseling, die twee predikanten uit de PKN gedurende een aantal maanden in het blad met elkaar hadden gevoerd. De één met veel ervaring, de ander nog helemaal aan het begin van het predikantswerk.
De kop boven die terugblik is veelzeggend: ‘Het wondere ambt is zwaar geworden’.
Starters
Dichter bij huis is de oproep die onlangs in De Reformatie gedaan werd ‘tot grondig nadenken over de kerkelijke arbeidsmarkt en investeren in groene herders’. En het gaat dan bijvoorbeeld om ‘een betere startpositie voor beginnende predikanten’, een roulatiesysteem om de immobiliteit te doorbreken’, ‘een benadering van levenslang leren’, ‘meer preekstijlen in huis hebben om op de behoefte van wisselende situaties te kunnen anticiperen’.
Dat klinkt allemaal niet erg vrolijk. En wie de kerkelijke pers een beetje volgt, weet dat deze geluiden geen uitzondering zijn. Het predikantschap, het ambt van predikant, het ‘wondere’ ambt’ is in de ogen van velen niet meer wat het geweest is. Zoals het onlangs in Trouw stond: ‘Vrienden en buren bekijken de predikant wat meewarig en met mededogen: Zou je niet wat leukers gaan doen?’
Preken is prachtig!?
Ook in onze eigen Nederlands Gereformeerde kring gaan, zo heb ik de indruk, in toenemende mate predikanten al zuchtend voort. De vreugde waar de schrijver van de Hebreeënbrief het over heeft (‘Laten zij - de voorgangers - het met vreugde kunnen doen’), lijkt steeds minder in ruime mate aanwezig te zijn. Hoewel: ‘Preken is prachtig!’ (met uitroepteken), was in Opbouw van 26 mei jl. de enthousiaste uitroep van één van onze eigen predikanten. En we moeten ook niet overdrijven, alsof in het bedrijfsleven geen targets gehaald moeten worden en alsof het daar allemaal koek en ei is. Niet alle verzuchtingen van predikanten zijn altijd even realistisch.
In die situatie hebben onze kerken in 2005 besloten tot een verplichte eigen deelopleiding voor predikant en zijn wij hier vandaag bij elkaar om aandacht te geven niet alleen aan het verdwijnen van de TSB, maar ook aan de start van de nieuwe NGP. Dat heeft iets uitdagends in zich. Is er dan toch nog toekomst voor het predikantschap?
Wij, mensen die bij de NGP betrokken zijn, vinden in ieder geval van wel. En zijn bereid om ons daarvoor in te zetten.
Ten dienste, zo geloven wij, van het Koninkrijk van God. Niet dat daarmee alles gezegd is. Wij worden geconfronteerd met vragen, nieuwe ontwikkelingen, zich wijzigende omstandigheden. Ik noem er enkele.
Verschuivende accenten
De klassieke taak van de predikant omvat kort gezegd de verkondiging, het catechetisch onderwijs en het pastoraat.
Kort gezegd, want artikel 11 van het AKS geeft een uitgebreider overzicht.
Er zijn evenwel nog maar weinig predikanten die alles doen wat in het AKS staat opgesomd. Hulptroepen in de vorm van gemeenteleden die soms grote delen van het catechetisch onderwijs en van het pastoraat voor hun rekening nemen, hebben hun intrede gedaan. De vraag is wat die ontwikkeling betekent voor de taak van de predikant en daarmee voor de opleiding.
Moet dat leiden tot een (nog) zwaarder accent op de prediking? Is de predikant van morgen primair verkondiger (Dienaar van het Woord) en in veel mindere mate pastor? En wat betekent dat dan voor zijn plaats in de gemeente? En wat vraagt die positie dan voor vaardigheden, bijvoorbeeld ten opzichte van zijn helpers (als dat al de juiste term is)?
Het zijn vragen die in het kader van de opleiding ter sprake zullen moeten komen.
Ruimte voor HBO’ers?
Dan het punt van de deugdelijke opleiding van de predikant. In onze kerken is in principe een voltooide academische theologische opleiding vereist.
Een HBO-opleiding bijvoorbeeld kwalificeert dus niet. Moet dat zo blijven?
Of moet er ook ruimte komen voor een niet academisch geschoolde predikant, bij wie dan misschien het accent minder ligt op de prediking en meer op andere facetten van het predikantschap?
Taakdifferentiatie dus met een spilfunctie voor de ‘echte’ predikant als ‘primus inter pares’? Of zijn die anderen juist niet zijn gelijken? En hoe ligt dat dan kerkrechtelijk en qua bevoegdheden? Het zijn vragen waarmee m.i. zeker onze kerken aan de slag moeten. En wat betekent dit alles voor de NGP? Moet er nagedacht gaan worden over bijvoorbeeld een op HBOers gerichte bijscholing? Speciale modules voor niet-academici? En om welke vakken moet het dan gaan? En wat betekent dat voor de taakomvang van de docenten? En dus voor het kostenplaatje?
Predikant als persoon
Het derde waarop ik wil wijzen, is de ontwikkeling in het predikantschap die ik zou willen aanduiden met ‘informalisering’ of (om een term van Koos Geerds te gebruiken) ‘amicalisering’.
Vroeger stond de predikant op een voetstuk, wat een zekere afstand en een bepaald gezag met zich meebracht.
Tegenwoordig is de predikant van het voetstuk afgehaald dan wel afgestapt. Hij is ‘één van ons’ geworden, we tutoyeren hem en hij moet vooral aardig zijn. Zijn gezag is niet meer ambtsgebonden, maar (indien al aanwezig) persoonsgebonden. Dat roept allerlei vragen op. Hoe bepaal je je positie temidden van een op jouw persoon gericht publiek?
Hoe ga je om met al dan niet goed onderbouwde kritiek? Hoe voorkom je pastoraal beladen situaties? Het aanleren van praktische vaardigheden en technieken is onmisbaar in de tegenwoordige predikantenopleiding en de stage tijdens en de werkbegeleiding na de opleiding vormen niet voor niets belangrijke onderdelen van de NGP. En ook hier is een voortdurende verdere bezinning nodig.
Preken – maar hoe?
Een ander punt is de vraag naar inhoud en vorm van de prediking in een wereld waarin volgens de cijfers de ontkerkelijking nog steeds verder doorzet. Hoe kun je het oude Woord actueel laten zijn voor de mensen van vandaag? Hoe kun je de bijbelse boodschap vooral uitnodigend laten klinken in de harten en in de levens van de hoorders? Of is er wellicht sprake van een te zeer gefocust zijn op de secularisatie? Ligt het accent te veel op de hoorder? Klinkt in de prediking te weinig het ‘tegenover’ door van het Woord? Het zijn vragen die ook voor de NGP relevant zijn, omdat niet voor niets juist bij de NGP de prediking een zeer wezenlijk onderdeel van de opleiding is.
Wie volgt?
Wat ons als NGP ook bezig houdt, is het predikantentekort in onze kerken.
Op dit moment zijn er ongeveer tien vakante predikantsplaatsen in onze kerken. In de jaren 2007 tot en met 2013 zullen volgens de beschikbare gegevens elf predikanten met emeritaat gaan. Hiertegenover staan thans weliswaar ruim 20 studenten en kandidaten, maar die zullen, naar het zich laat aanzien, lang niet allemaal kiezen voor het predikantschap.
Er blijft dus behoefte aan nieuwe studenten. Hoe bereik je als NGP potentiële studenten? Hoe kweken we bij ouders en kerkenraden interesse voor de predikantenopleiding?
Hoe krijgen we een betrokken achterban? Er zijn allerlei ideeën daarover, maar we zijn nog lang niet uitgedacht.
Ambitieus
Dit zijn zo maar wat vraagpunten en de lijst is zeker niet uitputtend. Er zijn heel wat thema’s en onderwerpen die ter sprake zullen moeten komen in en rond de NGP. Dat vraagt studie en doordenking.
Uitdagend en ambitieus, de eigen NGP? Misschien wel. Het is ook niet niks. Het kost de meeste mensen die er bij betrokken zijn, veel tijd en energie en de kerken een flinke financiële bijdrage. En of het allemaal zal lukken, of de NGP echt toekomst zal hebben, we weten het niet. Maar is dat niet kenmerkend voor al het werk in het Koninkrijk van God?
Loslaten
In het zoëven gelezen bijbelgedeelte, Markus 4, komen we een boer tegen.
Hij zaait het zaad en gaat vervolgens zijn gewone gang. Hij slaapt en staat op, slaapt en staat op, leeft zijn nor male leven van alledag. Doet wat er gedaan moet worden en rust op zijn tijd. Het verhaal wekt de indruk dat de boer zich niet zo bekommert om de vraag of het zaad wel opkomt. Hij peutert niet in de grond om te kijken of het al ontkiemt en als de eerste sprietjes bovenkomen, trekt hij er niet aan om ze een handje te helpen. Nee, hij wacht geduldig af. Onbekommerd doet hij zijn werk en onbevangen en verrast aanvaardt hij de oogst. Het zaad is opgekomen en hij weet niet hoe. Het gaat niet buiten hem om, het gaat niet buiten zijn handelen om (hij heeft het zaad immers gezaaid en alles gedaan wat een goede boer moet doen), maar op de groei zelf heeft hij geen grip. De oogst is daar en hij weet zelf niet hoe.
Je laten verrassen
Graag wens ik allen die bij het werk van de NGP betrokken zijn de onbekommerdheid van de joodse boer uit de gelijkenis toe. Ik wens het ook toe aan de predikanten en allen die werkzaam zijn in en ten behoeve van de gemeenten. Ik wens het graag u allen toe.
Laten we gewoon het werk doen waartoe God ons roept. Het werk wat onze hand vindt om te doen. Over de akker van de wereld en van de kerk gaan. Met woorden en met daden.
Met beleid, verantwoord, maar wel onbekommerd. Niet gebiologeerd door de uitkomst. Want daar gaan wij niet over. Maar bereid zijn om ons te laten verrassen door Gods daden. God zorgt zelf voor de oogst. Die er zal zijn zonder dat wij weten hoe. Hij geeft het immers als in de slaap, als aan een kind. Ik wens u allen een gezegende en onbekommerde dag toe.
| Op 16 september j.l. is officieel een start gemaakt met de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding. Daarover kon u lezen in het verslag van ds. Jan Mudde in de Opbouw van eind september. De bijdragen van die dag waren de moeite waard. De predikanten H. de Jong en A. van der Dussen kwamen met hun gedachten over TSB en NGP. Gedurende de maanden november en december kunt u die beide bijdragen lezen in Opbouw. Daaraan voorafgaand plaatsen we de openingstoespraak van de voorzitter van het bestuur van de NGP, Bram Wattèl. |