Broers van hetzelfde huis
2006-10-27
Beste Erik,- Jaargang 50
- nummer 21
We spraken af, elkaar te schrijven over hoe we naar elkaars kerken kijken.
Waar we blij mee zijn en waar we het voelen knellen. Dat weten we wel zo’n beetje van elkaar, maar ter gelegenheid van dit bijzondere nummer (voor mij een teken van hoop!) laten we ook anderen in ons hart kijken.
Met alle risico’s die een open brief meebrengt.
Mijn kijk op de vrijgemaakte kerken wordt mede bepaald door onze gedeelde geschiedenis. Jij en ik zijn in dubbel opzicht kinderen van hetzelfde huis. In een vrijgemaakt gezin en in een vrijgemaakte kerk heb ik de Here leren kennen, en daar ben ik onze ouders en de kerk van mijn jeugd tot vandaag toe dankbaar voor.
Ik was rond de twintig, toen de breuk door de vrijgemaakte kerken trok. De pijn daarvan is nooit meer helemaal weggegaan en de lidtekens liggen vlak onder de oppervlakte, merk ik steeds weer. Regelmatig speur ik de lucht af naar wolkjes als eens mans hand: zijn er tekenen dat de breuk kan worden geheeld? Mijn oud-collega Andries Knevel had wel een beetje gelijk, als hij de Nederlands Gereformeerden in zijn omgeving steevast aansprak met: ‘jullie Vrijgemaakten’. Want met velen van mijn generatie en die daarboven zit ik met tal van vezels en banden vast aan de vrijgemaakte kerken.
Maar belangrijker voor mijn kijk op jullie kerken dan mijn ervaringen van vroeger, is het besef dat God ook daar is doorgegaan met zijn werk. De vrijgemaakte kerken zijn voor mij kerken van Jezus Christus, waar zondag aan zondag zijn evangelie klinkt, waar pastoraal geworsteld wordt om het geloof en het leven van kinderen van God en missionair om het behoud van mensen die Jezus niet kennen.
‘Lichtelijk te kennen’ als onvolmaakte, maar ware kerken van onze Heer.
Waar heb ik het desondanks moeilijk mee, als ik naar jullie kijk? Met het feit dat het jullie niet lukt om van kerkelijke besluiten uit de jaren zestig te zeggen: dat had niet zo gemogen.
Ik weet dat jij daar ook aan lijdt. Dat je toen op veel plaatsen geen ouderling kon worden, als je geen GPV stemde of je kinderen niet op de vrijgemaakte school deed, is voor veel vrijgemaakten van nu onvoorstelbaar.
Net als het feit dat één synodebesluit over de Open Brief via de transportband van het kerkverband de scheur door het hele land trok. Niet meer voor te stellen anno 2006. Het lijkt erop, alsof die gebeurtenissen van toen geleidelijk uit het collectieve kerkelijke geheugen worden gebannen.
Maar verdringing breekt je vroeger of later op. Als mensen en als kerken. En dan denk ik: waarom is het toch zo moeilijk te zeggen: dat had niet zo gemoeten? Waarom kost het kerken zoveel moeite om voor het aangezicht van God en mensen kwetsbaar te zijn?
En wat te denken van de slachtoffers van toen? Van de mensen die toen geschorst, uit het kerkverband of uit de schoolvereniging gezet zijn, sterft er elk jaar een aantal. Maar er zijn er nog: ds. Gert van den Brink (83) die met zijn gemeente van Eindhoven zonder vorm van proces uit het kerkelijk jaarboekje werd gestreept; Wim Wijnia (80) uit Rotterdam die zijn liefde en offers voor het gereformeerd onderwijs beantwoord zag met uitstoting uit de schoolvereniging; ds. Gerrit van Atten (75) uit Zwijndrecht, geschorst, omdat hij de buiten verband gezette kerken niet wilde loslaten en nog zoveel anderen. Hoe lang moeten ze nog wachten? Zullen ze het nog meemaken?
Moeite heb ik ook met jullie zware accent op de rol van de synode ten koste van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Ik ben op catechisatie groot geworden met het boekje van ds. H. van Tongeren over de Vrijmaking: Bewaard bevel. Ik weet niet, of dat ook in jouw tijd nog verplichte lesstof was, maar daarin werd erop gehamerd, dat het hoogste gezag in de kerk berust bij de plaatselijke kerkenraden, onder de heerschappij van Christus. Ik zie bij jullie gelukkig een ontwikkeling die steeds minder synodaal wordt, maar wat gaat het langzaam! Hoe kan het toch, dat synodeleden bepalen, welke liederen er plaatselijk gezongen mogen worden, hoe de liturgie in elkaar moet zitten, onder welke voorwaarden niet-vrijgemaakten aan het avondmaal mogen? Waarom moet dat allemaal centraal door de synode bepaald worden? Waar komt die beheersingsdrang vandaan?
Dat van het avondmaal zit me nog wel het hoogst. Hoe kan het toch dat de royale nodiging door onze Heer (“allen die zich vanwege hun zonden mishagen en hun heil buiten zichzelf, in Jezus Christus zoeken”) overschaduwd wordt door een reeks synodale voorwaarden over wie wel en niet aan Zijn tafel mogen aanzitten?
Waarom buitensluiten, waar Hij de deur opent? Ik weet het, na het nadrukkelijke nee van vroeger heeft de synode de deur nu op een kier gezet.
Maar wat gaat het moeizaam, tobberig en weinig royaal. Dan denk ik: waar zijn jullie bang voor? Waarom al die regels, terwijl Jezus zelf de Tafelheer is?
Wij profiteren als Nederlands Gereformeerden soms te weinig van de zegen van het kerkverband. We proberen vaak zelf het wiel weer uit te vinden in plaats van gebruik te maken van wat anderen aan goud uit de Schrift hebben opgedolven en omgezet in bruikbare pasmunt en dat zo van een website kan worden gehaald. Ik merk dat ook onder ons (door schade en schande) meer en meer wordt beseft, hoezeer het kerkverband een beschermende en ondersteunende rol kan spelen. Maar werkt het bij jullie niet teveel als een rem?
Leidt het niet teveel tot roeien in een meer van stopverf?
Maar, en dat weegt veel zwaarder dan het vorige, in toenemende mate ben ik blij met wat ik in de vrijgemaakte kerken zie gebeuren. Ik ben blij met de sterk groeiende aandacht voor de noodzaak van een persoonlijke relatie met de Here Jezus en de toenemende openheid voor vernieuwing van geloof en leven door de Geest van God: in tal van plaatselijke gemeenten, op congressen, op de Theologische Universiteit. En natuurlijk vooral met wat dat doet in het leven van kerkleden. Ik ben blij dat er steeds meer oog en hart komt voor mensen buiten de kerk die de Here Jezus niet kennen. Met de missionaire projecten die her en der in het land, in steden en dorpen, worden opgezet (in alle eerlijkheid: veel meer dan vanuit onze kerken) en met de manier waarop de kerkelijke regels tot het uiterste worden opgerekt om met het Evangelie dicht bij mensen van deze tijd te komen. Als verontruste of uitgetreden vrijgemaakten zeggen dat hun (vroegere) kerk onherkenbaar veranderd is, dan heb ik daar best begrip voor. Oom Piet van Gurp heeft meer gelijk dan veel vrijgemaakten waar willen hebben. Erken dat maar royaal in een verantwoording van wat er in jullie kerken veranderd is. Maar het verschil tussen oom Piet en mij is dat hij het verschrikkelijk vind en dat ik er blij mee ben. Ik dank de Here regelmatig dat zijn Geest zo door de vrijgemaakte kerken waait.
Ik ben ook blij met de ‘ontdekking’ door vrijgemaakten van hun broeders en zusters buiten de eigen kerk. Ik ben dankbaar voor wat er na de Vrijmaking aan geestelijk vuur is gaan branden, waaruit het Nederlands Dagblad, het GPV en gereformeerde scholen zijn voortgekomen. In die tijd zijn ze waardevol geweest. Maar even dankbaar ben ik dat de luiken naar buiten zijn opengegaan. Dat vrijgemaakte organisaties open staan voor christenen uit andere kerken (mijn VGSA werd daarvoor in 1967 nog buiten het verband van vrijgemaakte studentenverenigingen gezet) en dat ‘doorgaande reformatie’ veel meer een persoonlijk-geestelijke dan organisatorische betekenis heeft gekregen.
Maar ook dat vrijgemaakten hun niet geringe krachten zijn gaan geven in bestaande christelijke samenwerkingsverbanden (van de Alphacursus via EO tot Wycliffe).En dat ook plaatselijke vrijgemaakte kerken samen met andere kerken hun stad- of dorpsgenoten met het evangelie proberen te bereiken. Ik ben ook dankbaar dat steeds vaker CGK en NGK bij de vrijgemaakte bezinning over belangrijke thema’s op de kerkelijke agenda worden betrokken. Daar kunnen wij als NGK wat van leren! Ik hoop en bid dat diezelfde geest ook vaardig wordt over jullie kerkelijke vergaderingen, als het daar over onze kerken gaat. Ik ben heel blij met de gesprekken op deputaten- en commissieniveau, maar heb bij de synodediscussies vaak het gevoel: gewogen en te licht bevonden. Als zware Bewaarhet-
panders met een gemeentebeschouwing en prediking die - haaks op die van jullie - soms het Evangelie van Gods genade in Jezus Christus verduistert, er van jullie bij mogen, dan wij toch zeker ook?
Ik ben tenslotte ook blij met de grondigheid waarmee jullie veel nieuwe dingen aanpakken: diep vanuit de Schrift en breed in de uitwerking.
Jullie website over missionair gemeente zijn is een goudmijn met Schriftstudies, preekschetsen, plannen van aanpak en evangelisatiemateriaal.
Klasse! Jullie website over gemeenteopbouw: idem dito. Rond nieuwe thema’s als lage drempels voor toetreders in de gemeente, charismatische vernieuwing en geestelijke toerusting van jonge kerkleden (de ambtsdragers van morgen) zetten jullie congressen en conferenties op met sterke programma’s.
Wat zou het goed zijn, als onze kerkleden daar veel meer heen konden. Over huwelijk en echtscheiding, de zondag e.d. publiceren jullie doorwrochte studierapporten. En jullie behandeling van appèlzaken is geprofessionaliseerd, tot heil van kerken en predikanten. Ook als ik jullie grotere omvang en menskracht verdisconteer, zeg ik: wat kunnen we als Nederlands Gereformeerden daar onze winst mee doen en wat hebben we jullie in deze dingen nodig. Bij ons gaan de dingen soms erg op zijn janboerenfluitjes, maar als jullie door de bocht gaan, doen jullie het grondig.
Ik hoor in onze kerken soms geluiden als: ik houd mijn hart vast; ze schieten bij de vrijgemaakten door; ze halen ons links in. Ik ben daar niet zo bang voor. Jullie worden wel een slag evangelischer, maar blijven volgens mij goed gereformeerd. Evangelisch gereformeerd dus: een prachtcombinatie.
En een mooie naam, als onze kerken zich ooit verenigen. Evangelisch gereformeerd: het beste van beide.
Persoonlijk en met elkaar, psalmen en opwekking, Gods Woord en ons antwoord, hoofd en hart, verbond en bekering. Alles gericht op dat ene: zoals vader vroeger altijd aan tafel bad, ‘dat velen de weg naar U mogen vinden’.
In Christus verbonden,
Ad
Beste Ad,
Het feit dat jij de oudste (uit 1946) in het rijtje van zeven kinderen bent en ik de vijfde (1957) verklaart ons verschil in beleving van de zestiger jaren.
We zijn in één gezin van twee generaties.
Jij bent voor, ik na de breuk groot geworden. Uit het ouderlijk huis herinner ik mij van jou alleen dat ik mee mocht toen mamma in Amsterdam jouw ‘kamer’ ging bekijken, voordat jij er studeren ging. Toen ik opgroeide stond jij al op eigen benen.
Mijn eerste herinnering aan de breuk is: ineens hoefde ik mijn vriendje niet meer op te halen op weg naar catechisatie.
Ze gingen naar ‘Overschie’een codewoord dat ik niet begreep.
Jij was wel zo vrijgemaakt dat je fractieassistent bij Piet Jongeling en het GPV was! Ik was trots op je eerste toespraak: over ‘kolonels of kabouters’, op langspeelplaat uitgebracht.
Over de politieke positie van christenen ten opzichte van rechtse dictators en linkse provo’s. De breuk liep niet door het gezin, want jij en Ineke bleven - toen in Rotterdam Centrum bij D.K. Wielenga - ‘binnen verband’. De bewustwording van het uiteengaan van wegen kwam op het Gereformeerd Lyceum, waar ik bevriend werd met Roel Venderbos. Maar vooral toen jullie bij verhuizing naar Nijkerk voor de plaatselijke ‘buiten verband’ kerk kozen. In het gezin veroorzaakte dat geen breuk, God zij dank.
In 1976 begon ik mijn studie theologie aan de Hogeschool in Kampen.
Dat wil zeggen, pas in het midden van de 70-er jaren begon ik mij in de oorzaken van de (toen bezegelde) breuk te verdiepen. Ik werkte ’s zomers immers bij de EO (het begin van de afdeling documentatie), logeerde bij jullie en discussieerde eindeloos met jou. Maar hoe goed ik me ook voorbereidde, jij schoffelde mijn argumenten in vijf minuten onder met ‘feiten’ over plaatselijk en classicaal onrecht. Je zult begrijpen dat ik mij in een briefwisseling met jou veiliger voel!
Jouw passie was een andere dan de mijne. Ik voelde niet de pijn over het uit elkaar gáán, die jij beschrijft, en nog elke dag voelt. Mij dreef meer: het mag niet zo zijn dat de kerken uit elkaar blíjven. Ik was minder gevoelig voor wat jij onrecht noemt, omdat ik als hoofdlijn de eigenwijsheid van dominees zag die het met de belijde nis niet zo nauw namen.
Toch werd ik heen en weer geslingerd tussen, zeg maar, de zachtmoedige aard van moeder en de eigenzinnigheid van vader. Ik was loyaal aan de Gereformeerde Kerk waarin ik groot werd, maar voelde me ook aangetrokken door de - toen al - meer evangelische trekken in het buitenverbandse jeugdwerk. Jij startte met het blad Saamhorig, en ik was erbij toen die eerste vergadering in Amersfoort gehouden werd waar gescheiden broers en zusters elkaar weer ontmoetten.
Jouw passie werd gevoed door pijn om scheiding en blijdschap bij toenadering. De mijne door strijdlust inzake kerkelijke eenheid en nieuwsgierigheid naar het legitiem gereformeerde in de NGK.
Maar je brief dwingt mij de sprong te maken naar september 2002 en januari 2003, toen uitgerekend ik geroepen was de generale synode te Zuidhorn te presideren. En de laatste zaak op de agenda was: het voorstel om tot een onderzoek te komen inzake ons aandeel in de breuk van de zestiger jaren (en in het spoor daarvan misschien schuldbelijdenis). Lastig om zakelijk correct een proces van besluitvorming te leiden als je zelf het intense verlangen hebt een royale handreiking te doen! Om vlak voor het reces in september 2002 uit een impasse te komen, heb ik zelf de ‘intentieverklaring’ ingediend die als ordevoorstel is aangenomen. Meer kon en mocht ik niet doen dan de commissie bijstaan.
Het besluit van januari 2003 was om op dat moment géén onderzoek te doen. Het heeft geen zin hier te ontleden waarom niet. Wel wil ik onderstrepen dat de intentieverklaring wel door de kerken is aangenomen.
Daaraan kan altijd geappelleerd worden.
Mijn vraag aan jou is: is het geen tijd dat de NGK de rol van underdog opgeven en zelf een handreiking aan de GK(v) doen? Het vonnis van Amersfoort-West over de Open Brief en haar ondertekenaars heeft zo gewerkt dat op plaatselijk en classicaal vlak te snel het mes op tafel gelegd is. Mijn wens is dat gelijktijdig er een verlangen groeit elkaar - plaatselijk en gezamenlijk - de hand te reiken en schuld te belijden. Het zou heerlijk zijn als onrecht hier op aarde rechtgezet kan worden. We komen immers allen voor de rechterstoel van Christus?!
Overigens kan ik mij goed voorstellen dat het frustreert als vrijgemaakten nu de kenmerken van de ‘doorgaande reformatie’ zo makkelijk overboord zetten. Daarin hebben wij erg veel te verantwoorden. Naar de generaties van toen in beide kerkverbanden. En ja, naar de Here, in wiens naam wij zovaak (te) grote woorden spraken.
Daarom is er ook - met de landelijke dag van ‘verontrusting en bemoediging’ - zo’n onderhuidse spanning in de GK(v). Konden we maar samen even pas op de plaats maken om grondige verantwoording van de geestelijke veranderingen te doen!
Hartverwarmend hoe royaal je benoemt wat je in de GK(v) oprecht waardeert. Kon ik maar net zo reageren.
De werkelijkheid is echter dat ik de NGK veel minder goed ken.
Opbouw ben ik in de jaren tachtig opgehouden te lezen. Wel volgde ik jullie Landelijke Vergaderingen en de rapporten over vrouw en ambt. En publicaties, vooral van drs. Henk de Jong - eerst in Amsterdam, nu in Zeist mijn collega.
Ik proef bij jullie theologische creativiteit.
Ingezet ten dienste van confrontatie met eerlijke vragen van deze tijd. De drang tot relativering van de belijdenissen, die mij eerst in Opbouw zo irriteerde, wordt minder. Ten gunste van grondige doordenking van de geloofsleer. De twee kerkverbanden zijn in veel opzichten nauw verwant.
De ‘twee huizen van de Vrijmaking’, zoals De Jong het noemt.
Wat mij zo verdriet doet, is dat die twee kerkformaties zo makkelijk naast elkaar bestaan en zo weinig elkaar zoeken. Zo weinig passie voor eenheid. De afweer van de theologie is in de NGK gelukkig op z’n retour, getuige de toespraak van dr. Ad van der Dussen bij de opening van jullie theologische opleiding. Maar waarom schurken jullie tegen de CGK en Apeldoorn aan, terwijl de Theologische Universiteit in Kampen als partner niet in het blikveld kwam? Over ruimhartigheid gesproken! Gelukkig is de samenwerking tussen Apeldoorn en Kampen zo dat jullie en onze docenten en studenten elkaar toch zullen ontmoeten!
Moet die ontmoeting ook aan de avondmaalstafel mogelijk zijn? Over passie voor eenheid gesproken… Ja, het zou heerlijk zijn als we elkaars leden welkom aan de tafel van de Heer konden heten. Maar waarom mag dat niet het hoogtepunt zijn van elkaar als kerken zoeken en vinden?
Je schrijft: Waarom al die regels, terwijl Jezus zelf de gastheer is? Er is niets mis met uiterste zorgvuldigheid rond de tafel van Jezus’ lijden en leven. Individueel bij elkaar buurten en meteen ook het avondmaal moeten meevieren? Is dat het niveau dat past bij de Heer van de kerk?
Het wordt te emotioneel en individueel gemaakt: als ik in Voorthuizen meega naar de kerk, moet ik dan meteen het heilig avondmaal kunnen meevieren? Omdat jij en ik als broers blij zijn eindelijk eens samen in de kerk zitten? Terwijl de leden van de GK(v) Nijkerk en de NGK Voorthuizen elkaars kerkgebouw op zondag in hun bolides voorbijrijden. Nee, dan wacht ik liever de dag af dat de Here ons echt bij elkaar brengt. En schaam ik mij diep dat de passie daartoe ons ontbreekt. Eenheid van avondmaalsviering?
Graag, maar dan onder een royaal dak van (minstens) iets van een federatie als teken van geestelijke eenheid. Zijn we dat niet aan de Gastheer verschuldigd?!
Help ons door te vertellen hoe jullie door de evangelische beweging gegroeid zijn in geloof als een persoonlijke band aan de Here. En hoe het gereformeerde verrijkt is
Tja, en dan die synode. Diezelfde structuur jaagt nu net de grondigheid aan waarmee zoveel op tafel komt.
Het stuurt en beoordeelt werk van deputaten. Legt het de plaatselijke kerk aan banden? Soms. Maar het bevordert tegelijk het samen optrekken.
Ik moet er niet aan denken dat we in Zeist moeten uitzoeken wat we wel en niet zullen zingen. En zeg nu zelf, in een klein aantal jaren is het tot enorme uitbreiding van de gezangen gekomen! De verhouding van plaatselijke kerk en landelijke synode wordt bepaald door de wil tot gezamenlijkheid.
En die staat zwaar onder druk. Aan de ene kant door evangelische bevlogenheid, aan de andere kant door verontrusting over afkalving van de gereformeerde identiteit.
De NGK kunnen ons helpen. Jullie hebben al veel langer de evangelische beweging en haar invloed ondergaan.
Help ons door te vertellen hoe jullie daarin gegroeid zijn in geloof als een persoonlijke band aan de Here. En hoe het gereformeerde verrijkt is.
Help ons om risico’s te onderkennen die je in eigen kerkverband ziet.
Jij en ik zijn te irenisch doordat we graag het positieve benoemen en het gezamenlijke zoeken. Zulke mensen hebben broers en zusters nodig die ook de puntjes op de ‘i’ zetten. Het is een vriend die je je falen toont. Ik verwacht van mijn Nederlands Gereformeerde broers en zusters ook dat ze óns eens waarschuwen - in plaats van altijd andersom. Elkaar helpen om evangelisch in beleving te zijn, gereformeerd in belijden te blijven.
In geloof in de Here met je verbonden,
je broer Erik.
Ad de Boer is lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Voorthuizen/ Barneveld, voorzitter van de Commissie voor contact en samenspreking met andere kerken en redacteur van Opbouw.
Dr. Erik de Boer is predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Zeist en eindredacteur van De Reformatie.