Vrijgemaakt en missionair
2006-10-27
Welke veranderingen hebben zich binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) de laatste veertig jaar voltrokken in de praktijk van en de visie op evangelisatie? En welke bijbelse motieven en missionaire concepten speelden daarbij een rol? Die vragen staan in deze bijdrage centraal.- Jaargang 50
- nummer 21
Het evangelisatiewerk in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) speelt zich in de zestiger jaren vaak in stilte af en lijdt een kwijnend bestaan. Het zijn de jongeren die begin jaren zeventig voor een omslag zorgen. Vanuit de vereniging Evangelisatie en Recreatie organiseren ze nieuwe initiatieven in de vorm van campingevangelisatie en zorgen daarmee voor een nieuw elan.
Ook al loopt E&R uit het traditionele spoor van de binding aan de plaatselijke kerk, de uitvoering van hun campingwerk valt goed in de kerken.
De daarop gestarte discussie over de plaats van de evangelisatie bereikt een voorlopig eindpunt, als de synode in de tweede helft van de jaren zeventig de evangelisatietaak opnieuw formuleert en in de kerkorde vastlegt. Aan de kerkenraad wordt een meer stimulerende, onderwijzende en toezicht houdende rol toebedeeld, maar het zijn de kerkleden die geacht worden aan de slag te gaan.
In dat spoor ontstaan allerlei bovenlokale initiatieven zoals een evangelisatie- en een bijbelcursus, de oprichting van een literatuurcentrum, koffiebarwerk en kinder- en jeugdevangelisatie.
Kerkelijke aandacht
Terwijl E&R doorgaat met het campingwerk, gaan in de jaren tachtig ook de kerken aan het werk. Axel begint evangelisatiewerk in Gent, Rotterdam-C start werk onder de Hindoe’s, en Brunssum-Treebeek gaat in Venlo aan de slag. Ook op ‘synodaal’ niveau komt bredere aandacht voor de missionaire taken. De inmiddels gestarte missiologische opleiding wordt verplicht voor ’evangelisatiepredikanten’ en de nieuwe missioloog in Kampen krijgt ook evangelistiek in zijn pakket. Een landelijk informatie- en lectuurcentrum gaat aan de slag met informatie en advies aan de plaatselijke kerken en met de modernisering van het evangelisatieen toerustingsmateriaal.
Vanaf het begin van de jaren negentig is sprake van een stroomversnelling en professionalisering in het evangelisatiewerk. Met het oog op de integratie van evangelisatie in de plaatselijke gemeente wordt een nieuwe cursus evangelistiek en kadervorming ontwikkeld en aan de kerken aangeboden. De gemeenten Anna Paulowna en Enkhuizen krijgen, met financiële ondersteuning door landelijke deputaten, aparte ‘evangelisatiepredikanten’
In 1991 bepleit prof. te Velde een grotere integratie van de evangelisatie in de gemeente. Hij spreekt over een missionaire basistaak van de gemeente en verlangt dat elke predikant het evangelisatiewerk in zijn ‘pakket’ heeft en dat de kerkenraad de evangelisatie (weer) op haar agenda zet.
Missionaire gemeente
Vanaf de eeuwwisseling is de term ‘missionaire gemeente’ niet meer weg te denken uit het woordenboek van de kerk. Nadat een visie-congres in 1998 nadrukkelijk aandacht vraagt voor de plaats van de geméénte in het evangelisatiewerk, stelt de GS Leusden-Zuid van 1999 Deputaten Toerusting Evangeliserende Gemeente aan, waarmee de evangelisatie wordt ingebed in de kèrkelijke structuren van de GKv. De gemeente wordt de kern waar de evangelisatie moet worden geboren, moet groeien en worden uitgevoerd.
De acceptatie van de evangelisatie in het midden van de kerken betekent wel dat de plaatselijke gemeente haar veranderde positie in de wereld moet leren inzien. De aanpak van de ‘Alphacursus’ wordt op veel plaatsen overgenomen als ‘het’ middel om tot gesprekken te komen met ongelovigen.
Kennismaking met ‘Willowcreek’ uit Amerika werkt stimulerend in op het proces van missionair kerk zijn en later ook het ‘Doelgericht gemeente zijn’ van Rick Warren.
De doorbraak komt echter door het werk van de ‘Redeemer Church’ in New York met de bevlogen leider Tim Keller.
In de classis Amsterdam komt het ‘Amstelproject’ op gang, waarbij ook de aansluiting wordt gezocht bij het werk van de NGK en de CGK in die regio. Twee evangelisatiepredikanten krijgen de ruimte om met ‘kerkplanting’ buiten de kaders van de traditionele gemeente te treden. Ook in de Achterhoek wordt gedacht aan kerkplanting rondom Lichtenvoorde-
Winterswijk als een noodzakelijke aanpak.
Bergen op Zoom gaat in 2005, na interne bezinning over het missionair kerkzijn, van start met een evangelisatiepredikant.
De aandacht voor de duizenden allochtonen die in de steden met hun kerkbezoek het vaandel van de autochtone Nederlanders lijken over te nemen, leidt tot specifieke aandacht voor andere doelgroepen. In Rotterdam-Zuid wordt in 2006 een ‘evangelisatiepredikant’ bevestigd voor het werk onder Antillianen.
Missionair kerk zijn heeft daarmee ook des te meer en onomkeerbaar de ogen geopend voor de noodzaak van (internationale) oecumenische netwerken. Een nieuwe periode is ingeluid.
Motieven en concepten
Welke bijbelse motieven en missionaire concepten speelden in deze ontwikkeling een rol? Voorop staat dat daarbij de liefde voor God en de naaste de boventoon heeft gevoerd. In een steeds harder wordende wereld is het een wonder dat de kerk, hoe zwak ze mogelijk in staat was tot uitvoering te komen, zich telkens liet overtuigen om bewogen bezig te zijn met de onchristelijke naaste in Nederland. We prijzen God voor dit werk van zijn Pinkstergeest in ons midden.
In het begin van de jaren zeventig was het vooral de spontane liefde en zorg voor de naaste die jongeren tot actie bewoog. Op de voorbereidingsweekenden werd vooral aan praktische training gedaan. De drang om mensen te overtuigen van het grote tekort van hun ongeloof wilden ze vooral ‘metterdaad’ kenbaar maken. Het ‘daad’-concept in de missiologie vroeg meer de (woordeloze en pretentieloze) presentie van de kerk dan de als agressief aangevoelde (verbale) proclamatie van de kerk. Hoewel E&R hierdoor werd geïnspireerd tot onconventionele vormen van evangelisatie (mensen opzoeken tijdens hun vakantie met aantrekkelijke activiteiten), reserveerde men toch nadrukkelijk ruimte voor gesprekken en toespraken.
Voor de bredere bijbelse ondersteuning van de evangelisatie werd het boek van D. van Swigchem over het missionaire karakter van de gemeente letterlijk stukgelezen. Het opende de ogen voor de missionaire context waarin de gemeente zich van oorsprong bevond en hoe christenen in die begintijd als vanzelfsprekend geacht werden concreet op de vragen en tegenwerpingen van de ‘wereld’ in te gaan. Vooral Efeze 6:10-18, de geestelijke wapenrusting sprak tot de verbeelding, naast Kolossenzen 4:5-6 over het zoutend zout, en 1 Petrus 3:15 over de bereidheid tot verantwoording.
Individuele inzet
In de praktijk bleef echter nadruk liggen op de individuele inzet van de evangeliserende christen. Er werd geoefend in persoonlijke gesprekken en communicatievaardigheden, met gebruikmaking van de bijbelse antwoorden op ‘lastige vragen’. Ook in de basiscursus werd de nadruk gelegd op de inzet van alle gelovigen als ‘propagandisten’ van het evangelie. Sinds Pinksteren was de Geest immers uitgestort op alle leden. De marktkraam- en deur-aan-deurprojecten werden dan ook op touw gezet met de inzet van de ‘gewone’ kerkleden. De rol van de kerkenraad beperkte zich tot een oogje in het zeil houden en bemoedigen. In de kerkdiensten werden de gelovigen opgeroepen om in hun naaste omgeving, de ‘buren’ hun evangelisatietaak te verstaan. De kerk kwam praktisch pas in het vizier als het om de ‘nazorg’ ging.
In het aanbieden van een ‘kadercursus’ blijken andere bijbelse motieven een rol te gaan spelen. Het evangelisatiewerk kan niet langer zonder ‘gekwalificeerden’ in de gemeente, leiders die dit werk ‘in goede banen’ moeten leiden.
De nadruk komt te liggen op de persoonlijke inzet van inspirerende personen in de bijbel: Nehemia, Mozes, Barnabas, en jawel... Jezus. De inzet van de communicatiewetenschap leidt er ook toe dat ‘met hart en mond en handen’ moet worden gewerkt. Het persoonlijk geloof en de authenticiteit van de ‘evangeliserende gelovige’ zal de hoorder onder de indruk moeten brengen van de waarheid van het evangelie. De maatschappelijke trend van subjectivering en emotionaliteit kreeg ook hier zijn pendant in de methodiek van de evangelisatie.
Een aparte lijn is de motivatie vanuit de barmhartigheid. Christenen moesten vooral door hun ethiek en bewogenheid gezicht geven aan het evangelie midden in de verworden maatschappij.
Vooral in de stedelijke samenleving, en vaak het ontbreken van de bereidheid tot gesprek, kwam de vraag naar christelijk barmhartigheidsbetoon op, zoals aan aidspatienten in het Amsterdamse Kuria.
De toenemende kerkverlating gaf rondom de eeuwwisseling nieuwe impulsen vanuit het nadenken over de stad in de Bijbel en het koninkrijk van God. God heeft niet de kerk als einddoel, maar het koninkrijk. Het moet daarom ook in het kerkelijk evangelisatiewerk om het koninkrijk gaan en minder om de kerk zelf. De kerk wordt meer als het instrument gezien om het koninkrijk te realiseren, en minder als de plek waar ook de ongelovigen zich na hun bekering bij moeten voegen.
Een functioneel kerkbegrip drukt een traditioneel en vanzelfsprekend kerkbegrip naar de achtergrond. De kerk is de nederige dienaar van de wereld in nood, veel minder de aanklagende instantie die mensen tot bezinning en bekering roept.
Inleven
Op de achtergrond daarvan werkte ook het missionaire concept van een incarnationele en contextuele aanpak.
Zoals Christus in zijn menswording ten onder ging aan deze wereld, zo moest de kerk niet schromen ten onder te gaan ten behoeve van het leven van de wereld. Deze gedachte heeft op persoonlijk vlak geleid tot een grote mate van inleven in die ‘ander’ en op kerkelijk vlak tot het ontstaan van ‘jeugddiensten’ en tot de vraag om aparte ‘laagdrempelige’ diensten voor buitenstaanders.
Dat de kerk zich inleeft in de wereld waarin ze staat, zonder haar eigen identiteit op te geven, maar juist nieuw te formuleren en te presenteren, geeft bijvoorbeeld in Amsterdam de ruimte om mensen in hun eigen omgeving op te zoeken en een kerkdienst in een café te beleggen. Dan staan ook niet meer de bekende (Geneefse) psalmen op het ‘bordje’ voor in de kerk, maar klinken moderne liederen, begeleid met een combo-bandje, al of niet ondersteund met beamer en flyers.
De omslag naar een meer integrale aanpak van de evangelisatie is vooral verwoord in de boeken van Stefan Paas, die terecht als de nieuwe handboeken voor de evangelisatie worden ontvangen. Naast hem (en in hem) dient het werk van Redeemer Church genoemd te worden, waar het lukt om te midden van een volledige geseculariseerd yuppie-publiek van New York in de kerk alles op de noemer van zending te brengen. En dat zonder de allergische aversie tegen de traditionele leer en vormen van de kerk.
Terecht dat men zich vooral in de grotere steden aangetrokken voelt tot dit zendingsmodel van incarnatie op de goede manier en contextualisatie. De lopende discussie over dit ‘concept’ is dan ook niet bedoeld om af te branden, maar om elkaar voortdurend dicht bij de Schriftuurlijke zendingsroeping te houden en maximaal die (nieuwe) vormen en inhouden te kiezen die én communicatief verantwoord zijn én de religieuze distantie tot het ongeloof weten te bewaren.
Overwegingen
Een drietal overwegingen tot slot.
1. In de aflopende periode van evangelisatie (en zending) door de GK(v) is meer en meer duidelijk geworden dat de slogan ‘Nederland is zendingsland’ geen loze frase is. Het betekent concreet voor de kerken dat ze met hun rug tegen de muur staan. Je bent nu echt kerk vanuit oprecht geloof in die wonderlijke Jezus van Nazareth, of je bent het helemaal niet, zelfs niet als overgebleven sociale organisatie.
Dit brengt mee dat vanaf nu alleen de kérken dan ook echt evangelisatie (en zending) tot haar kerntaak moet rekenen.
Laat daarom ook alle evangelisatie-activiteit via de kerkelijke inbedding verlopen of laat het los. We kunnen het ons niet (meer) veroorloven om elk ons particuliere eitje te leggen, te koesteren en in nood tenslotte aan de kerken op te dringen. Evangelisatie nu roept én de kerk én de vrije actie op tot bekering, eensgezindheid en bescheidenheid in de taak om de wereld te redden.
2. Het betekent ook dat evangelisatie en zending steeds meer met elkaar interfereren en gesynchroniseerd worden. Missionaire concepten en visies kunnen meer en meer met elkaar worden uitgewisseld. Ook kerkelijk betekent deze verschuiving de noodzaak van herbezinning op de ontstane verdeeldheid van de Gereformeerden in de lijn van de confessies. Worden ze juist niet door de druk der tijden naar elkaar toe bewogen in de herkenning van de gezamenlijke taak om uit te reiken aan de wereld?
En verder om ons heenkijkend, ook in de internationale oecumene ligt er nog een schat aan ervaring en inzicht te wachten. Dan denk ik niet alleen aan Amerika, maar ook aan Nigeria, Sudan, Zimbabwe, India, Indonesië, Korea en China, waar de gelovigen al sinds jaar en dag tussen de andere religies moeten leven, en met hun voeten in het moeras van de armoede, ziekte en discriminatie staan.
3. Tegen die achtergrond dienen we kritisch te blijven jegens de liberale zendingsbeweging van de grote kerken, die met het modernisme lijken ten onder te gaan, maar niet minder jegens de subjectivering en emotionalisering van veel pinkster- en charismatisch christendom.
Het is misschien de wat bescheiden rol van een Gereformeerde Kerken theologie die zich juist tussen het vele religieuze aanbod moet profileren. En dan als kerken van gereformeerde huize dan achterom kijken, zullen ze de rijkdom en diepgang van de gereformeerde theologie opnieuw ontdekken en serieus nemen. Als waarschuwing voor kerken die zichzelf zouden willen opsluiten in ‘klein vaderlands gedoe’, maar als stimulans voor kerken en kerkleden die in de wereld contextueel verantwoord het vaandel van de Christus der Schriften hoog houden - tot behoud van de wereld.
Drs. Kees Haak is universitair docent missiologie aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)