Kerkdiensten in de ruimte van de Heer
2006-10-27
Ton zag een dag of drie na de verschijning van de Open Brief het levenslicht. Niemand kon toen vermoeden, dat hij de meeste jaren als Nederlands Gereformeerde door het leven zou gaan. Opgroeiend in een land, waar het geloof in de welvaart steeds meer het geloof in God overwoekerde.- Jaargang 50
- nummer 21
Veertig jaar - van een wereld met flower power en maanlandingen tot die van internet en Bin Laden. In vier decennia gebeurde er veel, heel veel.
In een gereformeerde kerkdienst van 1966 merkte je weinig van veranderingen.
De zondag zat als altijd strak in het pak en veel lag vast. Bij de doop van Ton zullen zijn naam en die van zijn ouders de enige variabelen zijn geweest, besloten met een gezongen Psalm 105 vers 5. De preek van toen was gegoten in drie of vier punten, met lange lijnen door de Schrift en dichtbij het ‘toen en daar’ van de bijbeltekst. In stellig vertrouwen dat dat zijn weg wel zou vinden naar het hart van de kerkganger. En last but not least vormden de Psalmen de hoofdmoot van de gemeentezang.
Al was het in een berijming, die onmiskenbaar het stempel droeg van de 18e eeuw - vroom en een beetje verlicht. Bij het orgel natuurlijk!
Tussen plaatselijk en landelijk
Veranderingen in de gemeentezang kwamen in de Nederlands Gereformeerde Kerken op gang door twee impulsen van buitenaf. Dat was ten eerste de verschijning van het Liedboek in 1973, een initiatief van de ‘grote’ kerken, hervormd en gereformeerd.
Sommige NGK’s zongen er vanaf het begin uit, anderen gingen het Liedboek pas gebruiken, nadat de Landelijke Vergadering van 1988 met een selectie van 193 goedgekeurde liederen was gekomen. Nog weer zes jaar later verscheen er zelfs een aanvullend NGK-bundeltje. Dat haalde het niet, want de meeste kerken verlangden naar meer. Overhead en eigen bundels duidden er op dat de zondagse liedkeus meer en meer een plaatselijke aangelegenheid zou gaan worden.
Evangelisch
Dat hing samen met een tweede invloed van buitenaf: de opkomst van het evangelische lied. Het was begonnen in 1972, toen in Pinksterkringen de eerste bundel Opwekkingsliederen uitkwam. Maar de liederen raakten al snel breder bekend - ook onder Nederlands Gereformeerden. Deze ontwikkeling zette na 1990 versterkt door en in 2001 bleek uit een Opbouw-enquête dat een groeiend aantal gemeenten de evangelische liederen niet alleen in ‘bijzondere’, maar ook in ‘gewone’ diensten zong. En dat is daarna, mee door de komst van de Evangelische Liedbundel, alleen maar meer geworden.
Als je het vergelijkt met de invoering van Nieuwe Psalmberijming en Liedboek, kun je je er over verbazen dat de deuren van onze kerken voor het evangelische lied zonder veel piepen en knarsen opengingen. De toegenomen contacten tussen gereformeerd en evangelisch speelden daarbij natuurlijk een grote rol. En het veranderde (kerkelijke) klimaat met zijn aandacht voor gevoel en beleving!
Verder zag je bij een deel van de Nederlands Gereformeerden de affiniteit met de liedboekliederen minderen - vanwege geloofsbeleving en melodieën, maar zeker ook door de taal. Wie sprak in eigen gebed God nog aan met ‘Gij’?
Dat gebeurde dus alleen in de kerkdienst, bij Schriftlezing en lied. Na de komst van de NBV is het zelfs alleen het Liedboek dat ons het ‘Gij waart’ en ‘Gij gaaft’ in de mond legt. Ook het díchterlijke van de taal van het Liedboek - misschien wel de meest dichterlijke liedbundel sinds de Reformatie - opende de weg naar het evangelische lied met zijn meer herkenbare woordgebruik. Al zouden de meeste Nederlands Gereformeerden het Liedboek niet graag willen missen.
Dat is de andere kant.
Veertig jaar en jonger
Ik heb wel de indruk dat er in onze kerken - afgezien van de begintijd van het Liedboek - weinig geïnvesteerd is in gezangen en psalmen.
Ik maak niet mee, dat een lied voorafgaande aan de dienst eens even wordt aangepakt. Of dat een organist (pianist) na een eerste couplet tijdens de dienst zegt: ‘Dit kan beter mensen, zus en zo, dat doen we nog een keer’.
Wel hoor ik nog steeds organisten, die elke regel vóór de beginmaat inzetten, waarna de gemeente grotendeels ná de maatstreep volgt. Wil je weten wat voor een gesleep dat geeft, dan moet je eens een cd van zo’n dienst beluisteren. Geen wonder als dan de diepste woorden en mooiste liederen mat worden weggezongen.
Hoor je vervolgens een evangelisch lied, begeleid door een stevig combo - met vaak bevlogen jongeren!
- dan stap je gewoon een andere wereld binnen. Het opwekkingslied als antwoord op weinig onderhouden gemeentezang! Die kant is er ook en daar mogen we best eens voor gaan zitten. Allemaal, maar de musici in het bijzonder. Want armoede zou het zijn als we in onze kerken op een kwaad moment alleen maar liederen van veertig jaar en jonger zouden zingen!
De meeste opwekkingsliederen gaan trouwens ook niet vanzelf en sommige zou je standaard moeten opknippen in solo- en gemeentezang.
Want anders krijg je hetzelfde gesleep als zo even, maar dan met een paar voorzangers in plaats van een orgel!
Criteria
In veertig jaar NGK is wel gebleken dat de vraag naar de criteria voor een goed lied een lastige is. Wie bijvoorbeeld de lijst van goedgekeurde gezangen beziet, merkt dat er maar twee pinksterliederen worden genoemd (242 en 249). Commissie en Landelijke Vergadering (Dronten 1988) vonden namelijk dat elk aanroepen van de Geest - iets als ‘Kom, Schepper Geest’ - ongepast is, gelet op de komst van de Geest met Pinksteren. Zo’n criterium lijkt in 2006 al weer verjaard.
Wat wel van een lied gevraagd mag worden is, dat het in goed verzorgd Nederlands is geschreven, zonder dat het nu meteen ontoegankelijk dichterlijk hoeft te worden. En verder is het heerlijk als tekst en melodie goed op elkaar staan afgesteld. Tenslotte is ook de theologische kant niet onverschillig, gelet op wat zich vanuit evangelische en oecumenische hoek aandient.
Dat alles vraagt om open en opbouwende gesprekken, zowel plaatselijk als landelijk! Bij landelijk denk ik niet zozeer aan commissies en deputaten, maar aan een laagdrempelige website met informatie en overwegingen bij alle mogelijke liederen.
Zouden we op zo’n punt de handen als NGK en GK(v) niet ineen kunnen slaan?
Gevarieerd en vertrouwd
Anno 2006 klinkt in veel NGK-diensten een mengeling van psalmen, gezangen en evangelische liederen.
Het lijkt me in lijn met het evangelie, dat ook niet strak grijs is. Zo’n mengeling geeft mooie kansen om het eigene van de liederen - tekstueel, muzikaal en emotioneel - uit te laten komen. Iets in de trant van wat de Spreukendichter van het gesproken woord zegt: ‘het juiste woord op de juiste tijd’ (25:11).
Van eenkennigheid kun je Nederlands Gereformeerden niet betichten, zoals onder andere blijkt uit de betrokkenheid bij recente psalmen-projecten.
Aan de ‘Psalmen voor nu’ is door NGK’ers meegewerkt en de eerstelingen klinken al in onze diensten. Maar substantiële Nederlands Gereformeerde inbreng is er ook bij een prachtig boek, dat komende week verschijnt. Weer heel anders, want in dat boek vind je de onberijmde psalmen in de NBV, gezet op gregoriaanse psalmtonen en chants (Wiebe Tilstra, Psalter). Zo is er veel goeds, waar we als kerken in alle verscheidenheid van kunnen genieten. Want de plaatselijke werkelijkheid is gewoon niet ‘één koekoek, één zang’. Vraag is wel weer of we als Nederlands Gereformeerden met deze veelheid en vrijheid niet verleren om met liederen echt vertrouwd te raken.
Beamer
Steeds meer wordt tijdens de diensten gebruik gemaakt van een beamer, zo bleek onlangs uit een enquête in een recent themanummer van Opbouw over de prediking. Al heeft zo’n beamer meer de sfeer van een TL-buis dan van een kaars, je kunt er veel mee doen - ook bij de gemeentezang.
De liederenschat der eeuwen ligt aan je voeten (na aanmelding bij de Stichting Licentie, dat wel) en de beamer vergemakkelijkt het zingen in wisselzang en canons. Verder kun je met de ogen dicht horen, of er met gebogen hoofd uit een boekje of vooruitkijkend van het scherm wordt gezongen. Het zou wél mooi zijn als we bij dit alles de gereformeerde aanpak vasthouden door geen teksten zonder noten te projecteren. De evangelischen verdienen op dit muzikale punt wat mij betreft een rode kaart.
Verkondiging
Dan over naar het hart van onze diensten: de zondagse verkondiging. Ook daar herken je het accent op geloofsbeleving en voel je de tocht van de secularisatie. De preek is korter geworden, praktischer en qua taal hedendaagser. De preek moet het wérkelijke leven van de kerkganger van 2006 raken en niet gaan ‘over’ van alles en nog wat. Ik ben wel blij met deze ontwikkeling. De vrees, dat de preken onder ons tot een glad praatje verworden, deel ik niet, al prikkelt kritiek in die richting wel om de verrassende diepte van de Bijbel te blijven zoeken. Die intentie herken ik bij andere NGK-predikanten. Vergis ik me, als ik de vraag naar laagdrempeligheid al weer minder hoor dan een paar jaar geleden? Morgen, misschien vandaag al, kan zomaar de vraag komen naar de stevige bodem van ons geloof. Goed om daar in de zondagse diensten op te blijven anticiperen.
Bijvoorbeeld door een serie preken over een (flink gedeelte van een) bijbelboek of een thematische reeks.
Mogelijk met aanzetten voor thuiswerk door de week, individueel of in het gezin. Op zondag kun je ook niet alles!
De wekelijkse catechismusprediking is binnen de NGK nagenoeg verleden tijd, al hoor je de catechismus bloksgewijs nog wel terug. En de overtuiging dat dit leerboek het christelijk geloof breed en diep houdt, is ook niet verdwenen. Maar het is wel zoeken naar het ‘hoe’; naar de werkbaarheid van gespreksmomenten in de leerdiensten en de visuele mogelijkheden.
En dat laatste niet alleen in de leerdienst, want wat kun je met een enkel kleurtje in een geprojecteerde bijbeltekst poëtische en inhoudelijke details laten zien, iets wat met alleen woorden nooit zou lukken. Ik hoop dat gemeenteleden op zulke momenten proeven hoe vruchtbaar en verdiepend aandachtige, onbevangen lezing van de Bijbel kan zijn.
Opzet
Als ik doorsteek naar het geheel van de kerkdienst, dan valt op dat steeds meer gemeenteleden inbreng hebben in NGK-diensten. De muzikanten natuurlijk, maar ook iemand die een kinderlied inleidt, iets vertelt uit de kindernevendienst, de collecte toelicht, de gebeden doet of de bijbellezing verzorgt. Dat ademt de sfeer van het Nieuwe Testament, zoals je die vindt in de brieven van Paulus (1 Korintiërs 12-14). Soms wordt - naar evangelische snit - het eerste (lofprijzings) deel van de dienst in handen gelegd van een zangleider, met daarna de predikant en de verkondiging.
Hoe zit het dan met de eenheid van zo’n dienst, denk je onmiddellijk als Nederlands Gereformeerde. Is het nog wel iets van een ellips met twee brandpunten of valt het uiteen in twee losse cirkels van lofprijzing en verkondiging? Bij een traditionele avondmaalsviering zou zo’n vraag trouwens ook kunnen opkomen!
Gebruikelijker onder ons is een meer architectonische opzet rondom het Woord, met een thematiek die een groot deel van de dienst kleurt. Met soms expliciet de verschillende momenten van de dienst: voorbereiding, dienst van het Woord, dienst van de gebeden en gaven, zegen.
Ruimte en richting
De zondagse kerkdienst met de hele gemeente rondom het Woord, met lezing en verkondiging, met lied, gebod en gebed, doop en avondmaal.
Dat alles voor de Heer (eredienst) en met oog voor elkaar. Gave van God.
Dat is van alle eeuwen.
Ton wordt volgende week veertig. In de vier decennia van zijn leven is in onze kerkdiensten misschien wel meer veranderd dan in de vier eeuwen ervoor. Maar als het diensten zijn ‘in de Heer’ dan is er verheugend veel ruimte. En richting, zolang we Hem bij gemeentezang en prediking maar voor ogen houden.
Ds. Freddy Gerkema is predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.