Tussen eenheid en verscheidenheid

2006-10-27
  • Jaargang 50
  • nummer 21
J. Smelik

Zoals ook uit het artikel van F. Gerkema blijkt, is het binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken vanzelfsprekend dat de kerken ten aanzien van liturgie en kerkmuziek grote vrijheid bezitten. De NGK wens(t)en nadrukkelijk geen regelgeving in liturgicis door landelijke vergaderingen.

De situatie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) stond lijnrecht tegenover die van de NGK. In de jaren zeventig kwam binnen de GK(v) grote nadruk te liggen op het kerkverband en ging de kerkorde een grote rol spelen. Typerend hiervoor was de toevoeging in 1978 aan KO artikel 65: ‘De kerken zullen zich houden aan de orden van dienst die door de generale synode zijn vrijgegeven.’ Tot ongeveer de eeuwwisseling werden liturgische discussies vaak bepaald door de kerkrechtelijke vraag wat wel en niet toegestaan is. In de beleving van kerkmensen legde de kerkorde heel gedetailleerd vast wat wel en niet was geoorloofd in een kerkdienst.

Landelijke bezinning
Enerzijds heeft de grote nadruk op het kerkverband remmend gewerkt op de plaatselijke liturgische praktijk.
In die zin dat in plaatselijke kerken geen ruimte gezien werd (en trouwens vaak ook: geen behoefte gevoeld werd) om veranderingen in de orden van dienst aan te brengen of - ook al was het maar bij uitzondering - andere liederen te zingen dan die van synodewege waren vrijgegeven.

Anderzijds zorgde het accent op het kerkverband ervoor dat op landelijk niveau bezinning plaatsvond over liturgische en kerkmuzikale onderwerpen die alle plaatselijke kerken aangingen.
Er is binnen de GK(v) zowel op officieel (deputaatschappen) als officieus (scribenten als G. van Rongen en C. Trimp) niveau veel gedaan aan studie en visievorming. Meerdere publicaties vormen de neerslag daarvan.
Ook is op landelijk niveau vrij veel liturgisch materiaal ontwikkeld: orden van dienst (1975, 1999), formulieren (hertaling, nieuwe en doopformulieren), gebeden, gezangenbundels (Gereformeerd Kerkboek 1986, Negentig Gezangen 2003) en een liedlijst (sinds 1996).
Omdat verantwoord omgaan met liturgie en kerkmuziek voldoende kennis en vaardigheden vergen, die lang niet elke plaatselijke gemeente in huis heeft, zie ik deze landelijke gezamenlijkheid als een belangrijk pluspunt.

Meer gevarieerdheid
Na 1990 is binnen de GK(v) meer gevarieerdheid ontstaan en mogelijk geworden. Belangrijk was de zogenoemde ‘Koersbepaling inzake effectuering KO artikel 65 en 67’ die de synode in 2002 uitvaardigde. Daarin werd bepaald dat ten aanzien van de kerkdienst synoden niet meer prescriptief optreden, maar dat zij zich beperken tot het uitzetten van algemene kaders. Ze schrijven niet van bovenaf precies voor wat op liturgisch gebied allemaal wel of niet mag.
Uitzondering vormt het liedrepertoire: daarvoor dient men zich te houden aan de liedlijst (uitzonderingen daargelaten).

Vooral sinds de ‘Koersbepaling’ wordt er op diverse plaatsen binnen de GK(v) lustig op los gevarieerd. Daarbij wordt vaak teveel vergeten dat alles wat kerkrechtelijk toegestaan is, nog niet betekent dat het liturgisch verantwoord, zinvol en functioneel is. De invloed van de evangelicalen, waarover Gerkema schreef, is ook binnen de GK(v) volop aanwezig en is niet zelden terug te vinden in de prediking en de liedkeuze van voorgangers.

De GK(v) zijn hard op weg naar een praktijk die binnen de NGK al decennialang bestaat, en die in de jaren zeventig/tachtig binnen de GK(v) als uiting van ‘independentisme’ getypeerd zou zijn. Met dit verschil dat er op landelijk niveau nog wel deputaatschappen bestaan, dat synoden besluiten nemen over liturgie en kerkmuziek en dat liturgisch materiaal ontwikkeld wordt.

Democratische argumenten
Wat daarbij wel opvalt, is dat de besluitvorming op synodi in toenemende mate beheerst wordt door de vraag in hoeverre binnen kerken behoefte bestaat aan wat deputaten voorstellen. Daarbij signaleer ik in discussies en besluitvorming een devaluatie van de kracht van theologische, liturgische en kerkhistorische argumenten.
Het besluit met betrekking tot het ordinarium door de Amersfoortse synode in 2005 is in dit verband een markant voorbeeld.
Voorgaande synoden hadden namelijk uitgesproken dat deze orde bijbelstheologisch en liturgisch verantwoord was; de Amersfoortse synode meende echter vast te kunnen stellen dat de kerken geen behoefte hebben aan deze orde. Dit leidde tot het warrige, tweeslachtige besluit om de orde niet vrij te geven, maar dat kerken er desgewenst wel via het steunpunt liturgie gebruik van kunnen maken.

Wanneer democratische argumenten de boventoon voeren en wanneer bezinning en visievorming stagneren, dan is het waardevolle dat de GK(v) hadden door zich gezamenlijk te bezinnen op de kerkdienst en daarvoor materiaal te ontwikkelen, voor een belangrijk deel verspeeld. Bij het zoeken naar het juiste evenwicht tussen landelijke eenheid en plaatselijke verscheidenheid zal altijd gerealiseerd moeten worden dat liturgie een vorm van belijden is waarbij de kerk-in-het-hier-en-nu verbonden is met de katholieke en apostolische kerk in hemel en op aarde.

Dr. Jan Smelik is musicoloog/hymnoloog, lid van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Zuidhorn en medewerker van De Reformatie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief