Doopmenu naar keuze?

2006-03-03
  • Jaargang 50
  • nummer 5
Steeds vaker worden kerkenraden geconfronteerd met gemeenteleden die hun kleine kinderen niet willen laten dopen. Die mogelijkheid behoorde tot nu toe niet echt bij het gereformeerde gedachtegoed.
Integendeel. In de zomer van 2005 heb ik tijdens mij studieverlof gestudeerd en nagedacht over de mogelijkheid van een dubbele dooppraktijk. Een keuzemenu zogezegd: je kunt je kind laten dopen, maar je kunt het ook niet doen.

De historische achtergrond en bijbelse gegevens kregen een plaats in het vorige artikel. Nu aandacht voor de verschillende dooptradities en een poging een voorlopige balans op te maken.

Rooms Katholiek
Voor de kerk van Rome is de doop, net als de andere sacramenten, een transportmiddel voor het heil dat God de mens geven wil in Christus. Het is dan ook van eeuwig levensbelang om gedoopt te zijn. Wie niet gedoopt is, deelt in principe niet in het heil. De rol van de kerk is daarbij heel erg belangrijk. Zij is de opslagplaats van Gods heil en zegen en zij deelt daarvan uit door de sacramenten aan de gelovigen. De doop wordt sterk realistisch beleefd. Door de besprenkeling met het water ontvangt de dopeling wérkelijk vergeving van zonden. De kerk is dan ook de gemeenschap van gedoopten, meer dan de gemeenschap der gelovigen. Kwetsbaar bij deze benadering is de plek van het persoonlijk geloof. Dat is zo in het geloof van de kerk begrepen (‘ik geloof, wat de kerk gelooft’), dat het minder aandacht krijgt. Het is in de Katholieke Kerk heel gebruikelijk, dat kinderen gedoopt worden, van ouders die zelf ook gedoopt zijn, maar overigens nooit in de kerk komen en thuis ook geen blijk geven van persoonlijk geloof. De geloofsopvoeding, als er al sprake van is, wordt uitbesteed aan de katholieke school en meneer pastoor.

Baptistisch
Voor Baptisten is de doop meer een symbool, een ritueel, dat in zichzelf geen reddende kracht heeft. Daarbij is de doop voor alles een stap van een individu. De dopeling moet zelf in vrijheid gekozen hebben om zijn leven aan Jezus te geven, onder belijdenis van zonden. Die persoonlijke geloofskeuze is een voorwaarde voor de doop. Daarom kunnen baby’s niet gedoopt worden. De doop die iemand als kind heeft ondergaan wordt dan ook niet erkend.
Ongedoopt-zijn is bij de Baptisten overigens niet zo’n probleem als in de Katholieke traditie. Alle kinderen worden voor onschuldig gehouden en zijn welkom bij God, mochten ze komen te overlijden.
Kwetsbaar in deze doopopvatting enpraktijk is de plek van de kinderen in de gemeente. Horen zij er werkelijk bij? Gelden ze als gelovige? Of aankomend-gelovige? Baptisten kennen tegenwoordig het ritueel van het opdragen en zegenen van kleine kinderen, waarin behalve de besprenkeling met water veel gezegd en gebeden wordt.

Reformatorisch
In de Reformatorische traditie wordt de doop als symbool gezien, ondersteunend voor de verkondiging en het geloof daarin. Een ‘plaatje bij het praatje’ enerzijds, maar anderzijds ook een bezegeling van Gods verbondenheid met zijn mensen. Bij de doop ligt de nadruk heel sterk op het handelen van God. Hij neemt het initiatief. Hij schenkt zijn genade omwille van het offer van Christus’ leven. De mens is de ontvangende partij. Als een baby gedoopt wordt, is dat afhankelijke heel zichtbaar. Immers een kind begrijpt nog niets van het evangelie en van persoonlijk geloof en een persoonlijke keuze is geen sprake. God heeft echter zijn verbond niet met losse individuen gesloten, maar met de gemeenschap van zijn volk. Bij de doop is het kind daarom begrepen in het geloof van de ouders: ‘'t Verbond met Abraham, Zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind’ (Psalm 105:5, oude berijming). Deze doopopvatting is kwetsbaar op het punt van geloof als persoonlijke keuze, als daad van overgave. Het verbondsdenken kan ontsporen in ‘verbondsautomatisme’.

Accentverschillen
Er is geen reden om de verschillen die er zijn uit te vergroten tot onoverkomelijke strijdpunten. In de reformatorische traditie benadrukt de doop het ‘door genade alleen’ van het evangelie. Maar geloof is wel degelijk een vereiste voor de doop. Ook daar geldt: ‘zonder geloof geen doop’. Van de doopouders wordt bij de doopplechtigheid daarvan een belijdenis gevraagd door het ja-woord op de doopvragen.
Baptisten benadrukken wel het ‘door geloof alleen’, maar zijn overtuigd van het feit dat het heil een genadegave is, die de dopeling in ontvangst neemt. Katholieken hebben een punt als zij benadrukken, dat de doop meer is dan een symbool of ritueel. Er gebeurt iets. Zoals Petrus op de Pinksterdag zegt: “…laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden.” De inhoud van dat reële karakter van de doop vergt een aparte studie. Zo valt er over en weer wel wat van de andere tradities te leren. Het zou goed zijn als beide stromingen dat bij elkaar zien en erkennen.

Dubbele dooppraktijk?
Op grond van bovenstaande overwegingen zou een keuze voor een dubbele dooppraktijk voor de hand liggen.
Zo eenvoudig is het voor mij niet. Enkele persoonlijke overwegingen: - Ik vind de kinderdoop sterker gefundeerd in het bijbels getuigenis dan de volwassendoop. Zeker als de culturele en godsdienstige context van de tijd van de eerste christelijke gemeenten mag meespreken. Het leven was toen gewoonlijk samenleven in de gemeenschap van familie.
God sluit zich daarbij aan. Zijn verbond is niet met individuen gesloten, maar met de gemeenschap van zijn mensen, zoals uit de besnijdenis van de kleine jongens blijkt. Het ligt daarom meer voor de hand om te veronderstellen dat onder de eerste christenen ook de kinderen werden gedoopt.
- Het ontstaan van de gewoonte om geen kinderen te dopen is historisch verklaarbaar. Onder de eerste generatie christenen moesten de meeste dopen wel aan volwassenen verricht worden. De eeuwen daarna had de kerk de handen vol aan het bestrijden van heftige ketterijen, zodat het denken en doen rond de doop geen grote prioriteit kon krijgen. De eerlijkheid gebied wel te zeggen, dat toen het niet-dopen van kinderen in de kerk blijkbaar niet als een te bestrijden ketterij werd ervaren.
- Als de reformatorische geloofsgemeenschap te maken krijgt met ongedoopte kinderen, wordt de vraag naar de status van deze kinderen actueel. Wat is hun plek in de gemeente? Horen ze er voluit, zonder reserve, bij? Hoe moeten ze dan worden aangeduid?
Kortom: het heeft voor mij nog iets van een dilemma. Ik kan en wil mensen die hun kinderen niet willen laten dopen niet tekort doen. De verschillen zijn accentverschillen. Het gaat niet aan de ander te veroordelen. Tegelijk is de gereformeerde traditie op het punt van de kinderdoop me zeer lief.

Meer vragen
Hoe dan ook, mijn studieverlof heeft me niet echt dichter bij een antwoord gebracht. Integendeel, er zijn vragen rond de doop bijgekomen die nog verdere studie en gesprek vragen, zoals: - Hoe ‘realistisch’ is de doop? Wat gebeurt er nu ‘echt’?
- Is er meer duidelijkheid te krijgen over de ‘huis’teksten. Wie hoorden er bij het ‘huis’?
- In hoeverre speelt onze meer individualistische cultuur een rol bij de toenemende keuze voor volwassendoop in onze kringen?
- De PKN-kerken kennen de dubbele dooppraktijk. Wat is de onderbouwing daarvan? En wat zijn de ervaringen?

Reageren?
redactie.opbouw@ngk.nl

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief