Eerbetoon aan Cornelis Veenhof

2006-12-08
  • Jaargang 50
  • nummer 24
Vijftien jaar geleden trok ik in een Friese logeerkamer een boek uit de kast met de titel ‘Om kerk te blijven’.
De naam van de auteur viel mij op: C. Veenhof. Was dat niet één van de twee hoogleraren die – zo had ik in mijn vrijgemaakte jeugd meegekregen – fout zaten? Ik begon te lezen en las het in één adem uit. Hier was de kerkelijke ruimte en een omgang met de belijdenis die ik zocht.

Zo vond ik me op 17 november terug in de middeleeuwse ambiance van de Broederkerk temidden van een 150-tal vrienden van Veenhof. Voor het eerst sinds 1967 hielden Nederlands Gereformeerden en Vrijgemaakt-Gereformeerden zich samen bezig met hun gezamenlijk verleden, op een congres over de theoloog Cornelis Veenhof, georganiseerd door het Archief- en Documentatiecentrum van de vrijgemaakte kerken in Kampen.

Spokend verleden
Cornelis Veenhof was een overtuigd, enthousiast en gevoelig mens en een begenadigd prediker, die diepe indruk maakte door zijn eenvoudige, beeldende preekstijl. Mensen bij hem in de kerk voelden hoezeer ze zondaar waren – maar daarna ging de hemel weer voor hen open. ‘Als Veenhof het uitlegt, begrijpen we waar het om gaat’, zei het kerkvolk. Na zijn benoeming als hoogleraar homiletiek (predikkunde) aan de Theologische Hogeschool in Kampen (1946) heeft hij een hele generatie dominees leren preken.
Historicus George Harinck opende het congres met erop te wijzen dat een publieke verwerking van de betekenis van Veenhof tot nu toe nooit heeft plaatsgevonden.‘Het openlijk en vrijmoedig bespreken van wat er in de jaren 1960 gebeurd is, wordt in vrijgemaakte kring niet altijd op prijs gesteld.
Bovendien schreef men daar lange tijd de geschiedenis als een verhaal van overwinnaars en komt er pas de laatste tijd meer aandacht voor de slachtoffers. Maar’, aldus Harinck, ‘het verleden laten rusten omdat het er spookt, is geen optie. We moeten het ons herinneren en recht doen aan de mensen die we er tegen komen’.

Eigentijds
Harinck schetste de levensgang van Veenhof. Geboren in 1902 en opgeleid tot onderwijzer, kreeg hij vervolgens de kans om in Kampen te studeren en werd hij als predikant gegrepen door de beweging van de jongeren rondom de aanstormende theoloog Schilder en de filosofen Dooyeweerd en Vollenhoven.
De Eerste Wereldoorlog en de nasleep ervan brachten een enorme crisis teweeg in de cultuur, die niet voorbij ging aan het gereformeerde volksdeel. God leek van het toneel verdwenen. Oude antwoorden en opvattingen leken verdampt. Er was behoefte aan nieuwe, eigentijdse vormen en gedachten en daarin voorzag deze beweging – en hoe. Tegen het eind van de jaren ’30 waren de kansels in gereformeerde bolwerken als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Amersfoort, Groningen, Enschede en Haarlem alle in handen van predikanten die bij deze beweging hoorden.

Wereldomspannend
Veenhof werkte mee aan een invloedrijk boek van deze beweging: ‘De verborgenheid der godzaligheid’ (1941) en schuwde daarbij stevige taal niet.
Alleen een keurbende zou standhouden, zo heette het, en onbeslisten waren lafaards. Veenhof en zijn medeauteurs namen hun lezers mee in een alomvattende visie, die het leven glans gaf en niet opriep tot vage stichtelijkheid maar tot actie, tot concrete inschakeling in het wereldomspannende werk van Jezus Christus.
De beweging der jongeren riep in de gereformeerde kerken ongekend enthousiasme op, maar gaf ook grote spanningen. Tot tweemaal toe zouden die mede door Veenhof zelf opgeroepen krachten zich tegen hem keren: in 1945 toen hij geschorst werd ten gevolge van de Vrijmaking, en in 1969 toen de vrijgemaakte synode hem zijn adviseursrechten in de senaat van de Theologische Universiteit ontnam. En dat terwijl hij intussen alle moeite had gedaan om de geest weer in de fles te krijgen.

‘Alle malen zal ik wenen’
Onder deze titel schetste Ab van Langevelde, hoe Veenhofs denken over de kerk zich vormde onder de dramatische gebeurtenissen in zijn leven als leidend en lijdend figuur. Gevormd door Abraham Kuypers kerkbegrip, raakte hij onder invloed van Schilder met zijn kritiek op Kuijper’s verheerlijking van de pluriformiteit van de kerk (‘de vlag op de modderschuit van het sectarisme’). In jaren na de Vrijmaking domineerde bij Veenhof het sterk normatieve kerkbegrip van Schilder met zijn nadruk op de wettige, ware kerk tegenover de valse. Maar nogmaals veranderde Veenhof’s denken over de kerk - en dat moet gebeurd zijn door de paleisrevolutie bij De Reformatie, het toonaangevende vrijgemaakte blad waarvan hij in 1956 niet langer redacteur mocht zijn. Dit greep hem zo aan, aldus Van Langevelde, dat hij verlangde te sterven.
Alles wat hij daarna over de kerk schreef – inclusief Om kerk te blijven – vloeide voort uit de lessen die hij trok uit wat er om en met hem gebeurde.
Hij benadrukte het verschil tussen fundamentele en minder fundamentele onderwerpen in de kerk - over de minder fundamentele mocht je gerust van mening verschillen -, het belang van strengheid voor jezelf, maar mildheid voor anderen (‘wie niet tegen Christus is, is voor Christus’) en het beperkte gezag van de belijdenis in vergelijking met de bijbel (‘de veldwachter resp. de Koningin’). Ik (PS) zou eraan willen toevoegen: de openheid, ruimte en pluriformiteit die de Nederlands Gereformeerde Kerken kenmerken, zijn ondenkbaar zonder Veenhofs niet aflatende spreken en schrijven.

Preken
Zoon Jan Veenhof – zelf ook theoloog – vertelde hoe zijn vader bij Calvijn de tweeslag ontdekte van het Woord als liefdesverklaring van God aan ons mensen, en van het sacrament als heilsmiddel waar je gegarandeerd van op aan kunt. C. Veenhof nam daarmee afstand van toenmalige theorieën over de ‘veronderstelde wedergeboorte’ bij de doop, en van de mijding van de avondmaalstafel in bevindelijkgereformeerde kringen. Preken was bij hem: prediking van de genade, zonder dat daar het dogma van de verkiezing en verwerping als en zwaard van Damocles boven hing. In boeken als Prediking en uitverkiezing waarschuwde hij tegen zowel confessionalisme als dogmatisme. Typerend voor vader Veenhof was het spreken over Jezus als onze ‘oudste broer’.
Zoals bij een emigratie de oudste zoon eerst gaat en dan alles in gereedheid brengt voor de overkomst van de rest van het gezin, zo doet Jezus dat om ons te ontvangen in het huis van zijn Vader. ‘Deze typering spreekt van eerbied, maar ook van warmte en vertrouwen’, aldus een geëmotioneerde Jan Veenhof.
Uit de lezing van de vrijgemaakte predikant Jos Douma werd duidelijk dat C. Veenhof ook aan de overkant van de kerkelijke breuk tot op vandaag weet te boeien. ‘De prediking van het heil en de vergeving is het meest vernietigende vonnis over de mens dat er is’, citeerde Douma Veenhof. Maar tegelijk is die prediking ook genademiddel bij uitstek – tenminste als het in de preek niet zozeer óver Gods genade gaat, maar als die genade wordt erváren.

Eerherstel?
Tegen het einde van het congres werd het spannend. Want, vroeg zoon Klaas Veenhof zich hardop af: ‘Waarom hangt het portret van mijn vader nu wel weer in de senaatskamer van de vrijgemaakte Theologische Universiteit, terwijl het besluit op grond waarvan hij sinds 1969 niet meer in die kamer mocht komen, niet herroepen is?’. Diverse sprekers mengden zich in het debat. De een drong aan op schuldbelijdenis en ongedaan maken van de vrijgemaakte besluiten van destijds. De ander noemde een dergelijke vorm van afstand nemen goedkoop en ook niet de beste weg, want wij kunnen ons moeilijk in de gedachten en omstandigheden van onze ouders verplaatsen. De Nederlands gereformeerde ds. Busstra verwees naar Nehemia die zich verootmoedigde over zijn voorouders, maar daarbij niet zei: ‘zij hebben gezondigd’, maar: ‘wij hebben gezondigd’.
Ik vroeg Jan Veenhof op de man af wat híj vond dat er zou moeten gebeuren op dit punt. ‘Het had déstijds anders moeten gaan’, zei hij. ‘Dit congres is een goede eerste stap. Wat toen gebeurd is, moet niet langer doodgezwegen worden. En aan de hoofdrolspelers van destijds, de professoren Kamphuis en Trimp, zou ik willen vragen: wat vinden jullie in het licht van de ontwikkelingen van nu - de evangelicalisering en de openheid in jullie kerken - van de besluiten van toen?’ Of het eerherstel wordt, zal moeten blijken. Maar een eerbetoon aan Cornelis Veenhof was het congres zeker.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief