Eerherstel?

2006-12-08
  • Jaargang 50
  • nummer 24
Het Veenhofcongres van 17 november werd in de aanloop ernaartoe getypeerd als een eerherstel voor Cornelis Veenhof. Maar als een rode draad liep door de discussie op die dag de vraag, of het niet de hoogste tijd was deze hoogleraar aan de Theologische Hogeschool een officieel kerkelijk eerherstel te geven.

In 1968 werd Veenhof eervol ontslagen als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool. Maar in 1969 werd hij getroffen door een vonnis van de Synode van Hoogeveen. Hem werden de rechten van een emeritus-hoogleraar ontnomen. De synode stelde hem in gebreke wegens het verlenen van doortocht aan dwaling. En daarom mocht hij niet langer ‘als lid met raadgevende stem zitting hebben in de Senaat der Theologische Hogeschool’. Veenhofs collega prof. H.J. Jager kwam onder hetzelfde oordeel te vallen. Van beide hoogleraren kwam aanvankelijk ook geen portret te hangen in de senaatskamer van de instelling waaraan ze zoveel jaren hadden gedoceerd.

Onwaarachtig
Tijdens het congres kwam de vraag naar voren, of het niet hoog tijd is om Veenhof publiek eerherstel te geven. Is het niet onwaarachtig, aldus een congresganger die zichzelf als buitenstaander typeerde, dat Vrijgemaakten en Nederlands Gereformeerden samen zo waarderend spreken over een man, die in het verleden beide kampen diep verdeelde?
Veenhof’s zoon Klaas memoreerde daarop dat een aantal jaren geleden alsnog een portret van zijn vader in de senaatskamer van de huidige Theologische Universiteit is opgehangen. Maar hij verklaarde dat het hem een raadsel was waarom de beslissingen, die er destijds toe hadden geleid, dat zijn vader niet meer in die kamer mocht komen, niet ongedaan waren gemaakt.

Veenhof zelf aan het woord
Als één van de sprekers op dit congres kwam ik bij mijn voorstudie enkele artikelen van Veenhof tegen, waarin hij exact ingaat op de vragen die hier aan de orde zijn. Daarom wil ik hem graag zelf aan het woord laten over de vraag, of eerherstel inderdaad op zijn plaats is.
In dezelfde tijd (!) dat een vrijgemaakte synode hem zijn rechten als emeritushoogleraar ontnam, was op de Synode van Lunteren van de Gereformeerde Kerken (synodaal) de kwestie van postuum eerherstel van de hoogleraren Schilder en Greijdanus aan de orde.
Uiteraard ging deze zaak Veenhof als één van de hoofdrolspelers en medegedupeerden uit de Vrijmakingstijd zeer ter harte.
Veenhof schrijft met grote aarzeling hierop in te gaan 1) en 'met schroom, ja met grote schaamte' hierover te schrijven. 2) Misschien heeft wel niemand zo veel en zo scherp geschreven tegen wat de synodes uit de jaren veertig hebben gedaan als hij. Maar wat in de laatste tijd van vrijgemaakte zijde is aangedurfd is volgens Veenhof nog vele malen erger. Want men heeft immers zelf gedaan wat men de 'synodalen' zo scherp verwijt. ‘Is het geen dodelijk ernstige zaak als men broeders oproept tot bekering van een zonde terwijl men diezelfde zonde in nog erger mate zélf bedrijft en handhaaft?’ 3)

Wie is zonder zonde?
Voor hij ingaat op het verzoek om ‘postuum eerherstel’ van Schilder en Greijdanus, vraagt Veenhof zijn lezers allereerst voor ogen te houden dat bij een kerkelijk conflict door alle personen veel zonden worden bedreven. ‘Er komen dan onontkoombaar in de harten van allen die op wat voor wijze in zulk een drama een rol spelen gevoelens, gedachten, begeerten op die voor God niet kunnen bestaan. En er worden ook dingen gezegd die vierkant ingaan tegen de wet des Heren. (…) En het komt er voor allen die in zo'n strijd betrokken zijn op aan zich in deze voor Gods aangezicht met meedogenloze ernst te onderzoeken en zich over wat men van deze kwade dingen in eigen leven ontdekt voor God te verootmoedigen’. 4)

Motieven
Vervolgens gaat Veenhof in op de motieven van waaruit om schuldbelijdenis van de andere partij kan worden gevraagd.
Die kunnen heel goed onzuiver zijn. ‘Er kan in zo'n verzoek 'rechthaberei', zelfhandhaving, de begeerte om de tegenstander op de knieën te krijgen en te vernederen meespelen.’ 5). Men kan, volgens Veenhof, zo'n verzoek zelfs nalaten uit angst dat het zal worden ingewilligd. ‘Het is namelijk mogelijk dat de slachtoffers van de in geding zijnde kerkelijke uitspraken en vonnissen deze gebruiken om eigen positie te rechtvaardigen en te handhaven.’ 6).

Waar het om gaat
Tenslotte somt Veenhof zakelijk op wat de punten in geding zijn als het gaat om wat er in de Vrijmakingstijd aan onrecht is geschied. Dan herhaalt hij nog eens, dat állen die bij het conflict betrokken waren zich hebben schuldig gemaakt aan zondige gevoelens, gedachten, begeerten en stemmingen.
Maar, aldus Veenhof, dat blijft voor ieders persoonlijke verantwoordelijkheid.
‘Het gaat nú alleen over wat de kerkelijke vergadering – in casu de synoden – en de mindere kerkelijke vergaderingen (…) hebben gedaan.’ 7).
En dan formuleert hij een aantal vragen, waarop een antwoord zou moeten komen.
Waren de synodale uitspraken van destijds naar de normen die Christus heeft gesteld voor het leven van de kerk? Waren ze in overeenstemming met de katholiciteit van de kerk? En waren ze gepast tegenover hen die door de vonnissen werden getroffen? Dat zijn de vragen waar het om gaat.

Schuldbelijdenis en eerherstel?
Het lijkt Veenhof niet juist in dit kader van schuldbelijdenis en postuum eerherstel te spreken. Over het laatste zegt hij: ‘Wat immers betekent 'postuum eerherstel'?
De proff. Greijdanus en Schilder om wie het daarbij vooral gaat zijn reeds vóór vele jaren voor goed van ons heengegaan. Hun 'geding' met de synode van 1943/45 is definitief 'historie' geworden. En het is daarmee geheel en al overgegeven aan het oordeel van God en zijn Christus die ook daarover rechtvaardig richten zullen.’ 8).
Ook een schuldbelijdenis lijkt hem niet op zijn plaats. Dat is volgens Veenhof een 'strikt persoonlijke zaak'. Hoe kan een kerkelijke vergadering ooit zo'n schuldbelijdenis in de ware zin van het woord uitspreken? Zeker als het een kwestie betreft waarbij voornamelijk mensen van een vorige generatie betrokken waren. Velen van hen die deelnemen aan de huidige kerkelijke vergaderingen hebben part noch deel aan wat door vorige synodes is uitgesproken.
En daarom is zijn conclusie: ‘Het enige wat een synode thans ten aanzien van de leeruitspraken van 1942 en de disciplinaire straffen van 1944 (…) kan en behoeft te doen is uitspreken dat ze niet goed, niet kerkelijk, niet in overeenstemming met de katholiciteit van de kerk zijn geweest en daarom herroepen dienen te worden. Als dat geschiedt hoeft van 'eerherstel' en 'schuldbelijdenis' niet gesproken te worden.’ 9).

Actualiteit
Deze woorden lijken mij actueel voor de situatie met betrekking tot Veenhof zelf en zijn ambtgenoot prof. H.J. Jager.
Dankbaar mag worden vastgesteld, dat er recent belangrijke stappen zijn gezet in het gesprek tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de onze. Ik denk aan het combinummer van Opbouw en De Reformatie, aan de gezamenlijke verklaring van de vrijgemaakte Deputaten voor Kerkelijke Eenheid en onze Commissie voor Contact en Samenspreking over de binding aan de belijdenis en ook aan het Veenhofcongres.
Maar het wachten is toch nog op officiële uitspraken van vergaderingen van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) waarin diverse tuchtmaatregelen uit de jaren zestig tegen ambtsdragers worden herroepen. Dat dit nog steeds niet gebeurd is blijft, zeker voor diegenen onder hen die nog in leven zijn, te betreuren.
Ik eindig met een laatste citaat van prof. C. Veenhof. Hij schreef dit destijds over de Gereformeerde Kerken (synodaal).
Maar vandaag zou daarin de aanduiding 'Gereformeerde Kerken' zonder meer vervangen kunnen worden door 'Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)'.
Nadat hij er nog eens sterk op heeft aangedrongen dat de synode van de Gereformeerde Kerken de besluiten uit de jaren veertig herroept, schrijft Veenhof: ‘Wij zeggen dit beslist niet om ten aanzien van wat de synoden in die jaren aandurfden “gelijk” te krijgen. We zeggen dit evenmin omdat we de Geref. Kerken “op de knieën” willen zien. (…) Neen, we betreuren deze gang van zaken om de Geref. Kerken zelf. Wat is gezegd en gedaan was niet katholiek, niet kerkelijk, niet christelijk. En daarom blijven die besluiten zolang ze worden gehandhaafd een kankerplek in het lichaam der kerken, een belemmering voor haar waarachtige bloei en een ergernis voor de mensen die in en buiten de kerk zijn.’ 10)

Reageren?
redactie.opbouw@ngk.nl

1) Veenhof schrijft hierover in Opbouw, 14e Jaargang, nrs. 13 t/m 16.
2) Opbouw, 14e Jaargang, nr. 13, blz. 104.
3) t.a.p.
4) Opbouw, 14e Jaargang, nr. 16, blz. 131.
5) t.a.p.
6) t.a.p.
7) t.a.p.
8) t.a.p.
9) t.a.p.
10) t.a.p., blz. 132.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief