Theologie dicht bij de gemeente

2006-12-08
  • Jaargang 50
  • nummer 24
Een hoog inhoudelijk rendement met eenvoudige middelen, zo karakteriseerde ds. Henk de Jong in zijn eerste artikel meer dan 35 jaar TSB.
Jaarlijks waren er acht zaterdagen en een weekend, waar hard gewerkt werd rond preken en lezingen en dat in een weldadige openheid van ‘alles mogen zeggen’. In deze Opbouw vindt u het tweede deel van de lezing, die ds. De Jong hield bij de opening van de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding nieuwe stijl. In januari volgt ds. Ad van der Dussen, één van de kerndocenten van de NGP, met zijn referaat, gehouden op diezelfde 16e september 2006.

De begintijd van de TSB had duidelijk aan beide kanten iets ongeregelds, om niet te zeggen iets losgeslagens. We zochten naar een geestelijk verenigingspunt. Wat konden we als begeleiders beter doen dan ons terug te trekken op het essentiële van het kerk-zijn: de prediking? ‘Es wird gepredigt’ – dat adagium van Luther was ons uit het hart gegrepen.

‘Es’ – meer rudimentair kon de kerk niet worden aangeduid. Zo is te verklaren dat de hoofdschotel op de TSBsamenkomsten van het begin tot het einde de bespreking van een preekvoorstel is geweest. We wilden het verdwenen kerkbesef weer uit de prediking van het evangelie laten geboren worden. We lieten ons daarbij helpen door de Schrift-beweging in de gereformeerde kerken van de dertiger jaren van de vorige eeuw. Eén uit die beweging, de latere professor Benne Holwerda, had eens gezegd: ‘Eigenlijk kun je over de bijbel alleen maar preken’. En op het preekcollege van professor Veenhof in Kampen was dat ook wel waar gemaakt. Het is met name deze concentratie op de prediking geweest die op de TSB voor veel inhoud gezorgd heeft. Het is een gelukkige greep geweest.

Theologische profilering
Soms stuitten de verschillende theologieën waarmee de studenten in hun opleiding kennis maakten hard op elkaar. Ik herinner mij een bewogen zaterdagmorgen waarop een preekvoorstel over Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus besproken werd.
U weet wel: het mooie en het nietmooie in het leven dat ons niet bij geval, maar van Gods vaderhand toekomt.
De theologie van de lijdende God kwam aan de orde. Wie was de Allerhoogste nu? De God van leiden en besturen of slechts van lijden en verduren? Viel Hij solidair met het musje mee van het dak of had Hij ook de hand in dat vallen? Was Hij de directeur van het wereldbedrijf die voor het geheel van het gebeuren de eindverantwoordelijkheid droeg of was Hij slechts de personeelschef die meeleefde met het wel en wee van de werknemers en ze hartelijk bijstond als er ontslagen vielen? Beide, vonden wij van de begeleiding, zowel het een als het ander was waar. Maar dat énén-denken is in de tegenwoordige schatting weinig populair en ook niet zo interessant. De kracht van de eenzijdigheid ontbreekt eraan. Vandaar de ook onder onze ‘jongens’ merkbare zuigkracht van de ‘niet dit, maar dat’ (in plaats van ‘niet alleen dit maar ook dat’) - theologie.
Doodmoe kwam je dan na zo’n zaterdag thuis en ging je aan de gang om je op de zondag voor te bereiden.
Niet dat dan de hele preek nog gemaakt moest worden, de voorbereiding was én voor de preek én voor de studiedag dezelfde geweest, maar je was toch in het gesprek verder gekomen en je wilde dat in de preek nog tot uitdrukking brengen. Over die theologische confrontaties nog dit.
Moesten we ons in de eerste tijd van de TSB vooral verstaan met de moderne theologie, in later tijd verschoof dat front aanmerkelijk en was het nodig dat wij ons meer tegenover het evangelische profileerden. De theologische drive was onder degenen die de invloed van de moderne theologie ondergingen sterk, dat moet gezegd.
Sterker dan bij hen die voor het evangelische open stonden. Zij noodzaakten je om scherper na te denken. Van de andere kant: de geestverwantschap met studenten die in evangelische richting dachten was groter en dat maakte het gesprek met hen, ook over verschillen, gemakkelijker en aangenamer.

De Raad van Toezicht en Advies
Graag wil ik hier ook de rol van de Raad van Toezicht en Advies vermelden.
De broeders van die Raad zijn ons altijd tot grote steun geweest. Als begeleiders voelden we ons door hen gedragen, in de gebeden en in de daadwerkelijke coaching. In grote trouw bezochten ze om beurten en vaak getweeën onze bijeenkomsten en stelden zij zich in de pauzes op de hoogte van het wel en wee van de studenten. En wat goed ook dat zij zich in de besprekingen niet afzijdig hielden maar zeer betrokken hun duit in het zakje deden! Schriftelijk bezoekverslag werd aan de vergadering van de Raad uitgebracht. Telkens ook legden wij het jaarplan aan de Raad voor en met belangstelling werd daar kennis van genomen en soms werd er ook met adviezen op gereageerd.
En ook wanneer er wel eens aanmerkingen waren vanuit de kerken gaven de broeders zich moeite om én de klagers én degenen over wie geklaagd werd serieus te nemen.
Persoonlijk kan ik daarvan getuigen… Zonder die Raad van Toezicht en Advies zou de TSB haar plaats in de kerken niet gekregen hebben. Hoe hebben de leden er niet voor geijverd dat het testimonium van de TSB op de kerkelijke examens serieus genomen werd! Een woord van dank is ook op z’n plaats voor het vele werk dat door de secretarissen van de TSB gedaan is.
Voor een zakcentje hebben deze studenten een deel van hun tijd opgeofferd om het werk van (bijvoorbeeld) het vermenigvuldigen van de preekvoorstellen en de lezingen met grote acribie te doen. Zij zijn de begeleiders tot grote steun geweest. Wat mijzelf betreft, ik had in mijn gemeente een zuster die met liefde heel wat type-
werk voor mij verricht heeft. En de anderen zullen dat ook weer van krachten binnen hun gemeente kunnen getuigen. Ook memoreer ik hier dankbaar dat we lange jaren een uitstekend onderkomen hebben gevonden in de TU van Apeldoorn. In het begin zaten we op mijn studeerkamer in Amsterdam, daarna zijn we naar het jeugdhonk van de Jeruzalemkerk in Utrecht verhuisd. Ook in de Zuiderkerk van Zwolle hebben we gezeten, maar de langste tijd is toch de school in Apeldoorn onze plek van samenkomst geweest. In de eerste tijd werden de bijeenkomsten op de vrijdagmiddag en -avond gehouden, later op de zaterdagmorgen en -middag.
Om vier uur stopten wij en ik herinner me nog hoe ds. Smit dat moment aangaf door zijn enorme tas vlak voor zich op tafel neer te zetten.
Hij vreesde blijkbaar de oeverloosheid van de theologie.

Het weekend
Het jaarlijkse weekend in mei of juni was een echt hoogtepunt. Veel te druk natuurlijk, maar de sfeer was fijn. In het begin gingen we daarvoor wel naar een afgelegen oord ergens in Noord-Brabant, later zijn we jaren lang te gast geweest in het conferentieoord van het CNV in Driebergen, maar meestentijds hebben we deze meerdaagse bijeenkomsten in de Zeister bijbelschool doorgebracht. Er was op de vrijdagavond een preekbespreking, op de zaterdagmorgen een lezing en ’s middags een vrij onderwerp dat naast andere zaken ook aandacht besteedde aan de vriendinnen en echtgenotes van de studenten die steevast het weekend bijwoonden.
Een en andermaal heeft daarom ook de echtgenote van een begeleider licht verspreid over de toekomstige taak van de pastoriebewoonster.
Wat wij als begeleiders trouwens wel hebben opgemerkt - om dit even tussendoor te zeggen - is dat het betrekkelijk vroeg trouwen van de studenten een factor van verzuim op de studiedagen is geweest. Er is toch veel voor te zeggen de studie ongetrouwd af te maken, voordat de maatschappelijke betrokkenheid zijn tol gaat eisen. Maar bij het toenemen van de zogenaamde late roepingen zal deze opmerking wel als een stem in de woestijn verklinken. Op de zaterdagavond werd dan het programma voor het volgend jaar besproken, waarbij suggesties die in de loop van het jaar waren binnengekomen verdisconteerd werden. Te weinig verdisconteerd werden, vonden er altijd weer, en begrijpelijk van hun kant, maar inspraak was volgens ons als begeleiders niet altijd hetzelfde als afspraak.
De avond werd afgesloten met sketches van studenten en begeleiders.
Een sfeermaker van formaat was daarbij ds. Otto Mooiweer, hoewel ook ds. Henk Smit zeer geestig uit de hoek kon komen. Die twee gingen trouwens nog tot diep in de nacht door als ze bij ons logeerden. Op de zondag woonden we gezamenlijk de dienst bij in de gastgemeente Zeist (eerder Doorn), waarin om beurten de begeleiders voorgingen.
Oorspronkelijk ging het daarbij om de morgen- en middagdienst, maar de presentie in de tweede dienst hebben we wegens gebrek aan belangstelling moeten laten vallen. Het verzuim van de middagdienst in het algemeen heeft dus voor wat onze kerken betreft ook wortels in het gedrag van de aanstaande voorgangers.

Eenzijdig theologisch?
Zevenendertig jaar lang heeft zo de TSB bestaan. Het was een onooglijk instituut dat steeds onder de radar van de publiciteit is doorgevlogen.
Het had weinig vorm, en als ik daar de woorden ‘veel inhoud’ aan toevoeg en tegenover stel dan denk ik aan wat de begeleiders en de studenten gezamenlijk hebben gepresteerd.
De inspanningen waren misschien wel wat eenzijdig-theologisch, dat sluit ik niet uit. Herhaaldelijk is ook wel bepleit dat er toch meer aandacht aan de persoonlijk-geestelijke vorming van de aanstaande predikanten besteed zou worden. Later kwam daar nog het pleit voor scholing in pastorale vaardigheden bij. De stage kwam op en het is vooral ds. Schaeffer geweest die daar zeer veel voor gedaan heeft. Ik moet eerlijk zeggen dat wij daar als oudere begeleiders geen koplopers in geweest zijn. We meenden dat er in onze dagen op strikt theologisch gebied zoveel gaande was dat wij ons eigenlijk de tijd niet mochten gunnen om meer aan genoemde wenselijkheden tegemoet te komen. De verplichte persoonlijke bezoeken van de studenten bij de begeleiders, eens in het jaar, maakten wel wát goed, maar het was toch te weinig. Maar wat wilt u? Negen bijeenkomsten per jaar, het was echt een minimum.

Theologie en gemeente
Wel kan ik zeggen dat wij oudere begeleiders met die misschien wat eenzijdige concentratie op het strikt theologische ons niet bedoelden te verwijderen van de gemeente. Het ging ons niet om theoretische hoogvliegerij of droogzwemmerij. In tegendeel! Als ik voor de TSB nog achteraf een adagium moest verzinnen, dan zou het dit woord uit Psalm 111:2 kunnen zijn: ‘Groot zijn de werken des HEREN, na te speuren door allen die er behagen in hebben’. Door állen (opgeleid of niet) die er behagen in hebben - dat houdt de theologie dichtbij de gemeente. Niet natuurlijk wat betreft de hulpwetenschappen, maar wat de kern van de zaak aangaat. Ook dit zou moeten blijven, vind ik. We leven nu in een tijd dat de kerk sterk extravert is, naar buiten gericht, om de samenleving te bereiken.
Ook de zondagse samenkomsten moeten daarvoor dienen. Het gevolg daarvan kan zijn dat we de boodschap van de bijbel wat verplatten en versimpelen en dat het nadenken over ons geloof en het zich daarin verdiepen in de gemeente wat achter wege blijft. Wij voor ons hebben er ons best voor gedaan dat de bijbelse theologie een prioriteit blijft onder de bedienaars van het evangelie in onze kerken. Scholing in de ‘gezonde leer’ van de Schrift is een must, zeker voor wie kennis neemt van de fantasterijen in de bijbeluitleg van heden. Bij alle uitwaartse belangstelling moet de kerk het aandurven van tijd tot tijd met de rug naar de wereld te gaan staan – inderdaad om de werken des Heren na te speuren en zich op het eigene te bezinnen. Om te werken dus aan diepgang. Ik voor mij ben er zeker van dat de Here God ook door middel van deze TSB-opzet zegen verspreid heeft voor onze predikanten en via hen voor onze kerken. Gode alleen zij daarvoor de eer!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief