‘Je krijgt een generatie van de gemiste kansen’
2006-12-22
Na 38 jaar zijn Arie en Merrel Reitsema terug in Nederland. Sinds Arie in 1968 Nederlands Gereformeerd zendeling werd in Zuid-Afrika, zijn ze uiteraard regelmatig met verlof geweest. En begin volgend jaar gaan ze nog een paar maanden terug om preekles te geven aan de predikers-in–opleiding (opvolger Hans Vel Tromp komt pas in het voorjaar) en om hun spullen in te pakken. Maar op 17 december nam Arie Reitsema officieel afscheid van de zendende kerk van Kampen na een preektour van een paar maanden langs de steunbiedende kerken. En in het Betuwese Lienden, waar ze hun nieuwe woonplaats hebben gevonden, vertellen ze urenlang over hun werk, hun drijfveren en hun kijk op de kerken in Nederland.- Jaargang 50
- nummer 25
‘Het besef dat God alles wonderlijk heeft geleid’. Dat gevoel overheerst bij de Reitsema’s, als ze terugkijken op 38 jaar zendingswerk in KwaZulu, Natal: Die leiding van God hebben ze ervaren in het verstedelijkingsproces, dat in Zuid-Afrika voor een grote omwenteling zorgt en heeft geleid tot miljoenensteden als Pietermaritzburg met één en Durban met drie miljoen inwoners.
‘We zijn begonnen in de afgelegen streken van de rivier de Umkomaas. Dat was geen slimme strategie, want we hadden niet door dat er een trek naar de steden op gang aan het komen was en dat het platteland leegliep. Toen dat duidelijk werd, ben ik de schapen gevolgd uit de valleien naar de zwarte townships bij de stad, toen die daar tegen een vermenging van heidendom en christelijk geloof aanliepen en riepen: Kom bij ons preken, umfundisi! Anders waren we nooit in de stad terecht gekomen. Rond 1980 hadden we tien preekplaatsen in de Umkomaas-vallei. Het is daar leeg gelopen - er zijn er nu nog maar twee van over - en nu hebben we in het stedelijke gebied groeiende gemeenten’.
Geweldsgolf
Die leiding van God hebben ze ook ervaren in het geweld met honderden politieke moorden dat in de jaren negentig jarenlang de omgeving van hun woonplaats Richmond heeft geteisterd. Tienduizenden zwarte inwoners zijn daardoor over de wijde omgeving verstrooid, ook veel gemeenteleden, en dat leidde ook weer tot verzoeken her en der vandaan: we zitten hier en we willen dat u hier komt preken.
‘Dat is echt strategische planning van Boven, en niet van Kampen geweest’.
Die geweldsgolf is door God ook nog op een andere manier gebruikt, zegt Arie Reitsema: ‘Er waren geen gemeen-
ten met een duurzame structuur die zichzelf konden bedruipen: er waren geen mannen en er was geen geld.
Toen werden er drie van onze jeugdwerkers vermoord, omdat ze vanuit hun geloof in Jezus weigerden te kiezen voor een van de rivaliserende gewelddadige politieke bewegingen ANC en Inkatha en daarom door beide groepen als verraders werden gezien.
Dat was een afschuwelijk dieptepunt.
Maar wat gebeurde er? Hun geloofsgetuigenis heeft diepe indruk gemaakt en toen ze om dat getuigenis vermoord waren, hebben veel andere jongens ook de keus gemaakt om Jezus te volgen en nee te zeggen tegen het geweld. Daardoor kwam er in Ndaleni een grote groep mannen die ouderling werden en gingen preken en nu de ruggengraat vormen van de gemeente, En vorig jaar heeft die gemeente voor het eerst het tractement van ds. Phungula opgebracht. Dat was 20 jaar geleden ondenkbaar. Toen dacht je: hoe kunnen de gemeenten ooit zichzelf bedruipen? En nu zie je dat er een commitment is om op eigen benen te staan.
In Ndaleni is dat het verst, maar ook in andere gemeenten gaat het die kant op. Kampen werkt nu een generatielang in Zuid-Afrika, maar dat zal echt niet nog een generatie duren’.
‘Toen we midden in die geweldsgolf zaten, begrepen we niet wat God ermee wilde, dat de gemeenten zo uiteen geslagen werden. En als je nu terugkijkt, zie je hoe God dat kwade ten goede heeft gebruikt. De gemeente van Ndaleni is van een handjevol overgeblevenen uitgegroeid tot een sterke gemeente van 450 leden en heeft inmiddels alweer 15 jaar geleden de rol van zendende kerk van Kampen overgenomen en is verantwoordelijk voor een aantal missionaire posten in de omgeving’.
Diepte- en hoogtepunten
Het valt de Reitsema’s niet moeilijk om diepte- en hoogtepunten uit hun 38 jaar in Zuid-Afrika te noemen. ‘We hebben in de loop van de tijd met duizenden mensen contact gehad en ervaren dat velen van hen zich weer van God hebben afgekeerd. We zagen het gebeuren, het zaad dat opkwam, maar op steenachtige bodem of tussen de distels gevallen bleek te zijn: mensen die eerst geweldig enthousiast waren, maar het niet volhielden. Eigen medewerkers die je jarenlang had opgeleid en die hadden meegewerkt in het zendingswerk, maar die zoals Demas de wereld lief kregen of in zonde vielen en hele gemeenten naar de Filistijnen hielpen. Dat is vaak een diep verdriet geweest. We hebben het ervaren: als iemand Jezus niet persoonlijk als zijn Verlosser heeft leren kennen, wordt de zuigkracht van de wereld hem of haar te sterk. De moed is me soms in de schoenen gezonken, vooral in die tijd van geweld. Maar God gaf genade om door te gaan, ook door de geloofsmoed van mijn leerling en collega Phungula en zijn vrouw, die temidden van het geweld nooit van hun post zijn gegaan, nooit een dienst hebben stopgezet’.
Tegenover die dieptepunten heeft ook veel vreugde gestaan. ‘Mijn gedachten gaan terug naar 1975. Toen heb ik wekelijks catechisatie gegeven aan een vrouw in een hut bij de Umkomaas. Ze kwam uit een heidense familie en wilde christen worden. Maar na een jaar haakte ze af en koos toch voor de voorouderverering. Je denkt dan: daar heb ik dus voor niets al mijn woensdagmiddagen aan besteed. Maar twaalf jaar later kwam er in Ndaleni een jonge vrouw bij mij: ik wil bij de gemeente horen. Wie ben je, vroeg ik.
Ze zei: Ik was een van de meisjes die op een matje zaten toen u mijn tante catechisatie gaf. Ze is nu een toegewijd christin en door haar is ook een neef tot geloof gekomen die nu prekende ouderling is. Zo werkt de Here!’.
Merrel wijst op een foto van Max: ‘Eens een bendelid in de gevangenis, vanwege gewapende roofovervallen.
Daar tot geloof gekomen. En nu een prediker die het Woord van God verkondigt’.
Missionair besef
In de kerken in Nederland treft Arie Reitsema vooral het gebrek aan missionair besef. ‘Je merkt het verdwijnende commitment met het zendingswerk: toen we in 1968 weggingen waren er in Kampen maandelijkse gebedsavonden voor de zending met honderden mensen. Nu zijn er helemaal geen gebedsavonden meer en zie je op de zendingsavonden een voornamelijk grijs publiek. Natuurlijk zijn er veel jongeren die voor de Heer aan de slag willen en daar offers voor willen brengen.
Prachtig, maar dan gaat het vooral over mensen die op individuele basis voor een paar jaar weg gaan en die er zelf een thuisfront bij hebben gezocht.
Die individualiseringstendens maakt kerkelijk zendingswerk met een commitment voor lange tijd een stuk moeilijker.
En tegelijk zie je dan al die andere volken die naar Nederland zijn gekomen. Dat moet toch een geweldige uitdaging zijn, maar dat blijkt het voor de overgrote meerderheid van de christenen niet te zijn. Bij veel mensen zit het racisme dieper in het bloed dan het verlangen om hen het Evangelie te brengen. Zo krijg je de generatie van de gemiste kansen. Straks klagen de weggestopte en weggestuurde asielzoekers ons op de jongste dag aan: jullie hadden het evangelie van Jezus en je hebt het niet aan ons doorgegeven’.
‘Missionair bezig zijn is het hart van de kerk. De kerk moet naar buiten. Wij lijken in onze kerken vooral bezig met de eigen binnenkerkelijke vragen zoals rond gemeenteopbouw, de vrouw in het ambt en homoseksualiteit. Dat lijkt erg op navelstaren. Wat ik graag bij de Nederlands gereformeerden had gezien aan missionair elan en missionaire activiteiten, zie ik nu in veel grotere omvang bij de vrijgemaakten. Dat is heel anders dan in de jaren rond ons vertrek, toen daar veel meer sprake was van kerkelijk exclusivisme en naar binnen gerichtheid. Ik ben daar zelf in Kampen het slachtoffer van geworden, toen ik als eerste buitenverbandse theologisch student geen examen aan de hogeschool mocht doen. Maar het oordeel dat ze toen over ons velden, veroordelen ze nu zelf. En ik verheug mij over wat daar nu her en der aan missionaire projecten wordt ondernomen.
Het kan zijn dat hun predikantsopleiding daar een rol in speelt, waar missiologie voor mijn gevoel een belangrijker plaats inneemt dan bij ons. Dat geeft toch een wisselwerking met de gemeenten. Ik geloof dan ook dat beide kerken elkaar nodig hebben.
Wij hun missionaire zin en Schriftgetrouwheid, zij ons besef dat we het niet van kerkelijke regels moeten verwachten en onze vrijheid om de Heer te mogen dienen en loven zonder dat je hoeft te wachten tot de synode een lied heeft goedgekeurd’.
Eigen zondigheid
Arie: ‘Ik begrijp het verlangen naar Godservaring in het geseculariseerde Nederland waar die ervaring ver weg is, en daarom begrijp ik ook de openheid voor charismatische invloeden. Ik zie dat men in Houten trouw aan de Schrift wil zijn en die centraal wil houden en dat daar een sterk missionaire inslag is.
Dat is een heel ander klimaat dan in Zuid-Afrika waar ik ervaren heb dat charismatische groepen sterk aansluiten op het heidens-religieuze gevoel en verlangen naar kracht en macht.
Dat kun je niet vergelijken. Kijk, het verlangen naar ervaring is goed. Dat trok ons in mijn studententijd ook zo bij Francis Schaeffer aan: dat God er echt is, dat je hem kunt ervaren, dat Hij echt naar je gebeden luistert.
Maar wat je dan op je zoektocht naar ervaring nodig hebt, zijn niet allereerst de technieken van charismatische uitingen, maar de eerste en diepste ervaring die mensen nodig hebben is die van de realiteit dat we zondaren zijn en verlossing door Jezus Christus nodig hebben. Jezus is niet gekomen om amandla, kracht te geven om onheil af te weren, maar om zondaren te verlossen. Komt het gebrek aan missionair besef niet door een te ondiep besef van zonde?
Alleen als we echt beseffen wie we in onszelf voor God zijn, raken we verwonderd over de genade van Christus, die zijn leven voor ons gaf. En dan willen we dat ook delen met anderen.
Die verwondering over de genade van Christus, dreef de vroege christelijke kerk tot zending. Alle grote revivals in de geschiedenis – denk aan Jonathan Edwards - begonnen met een verdiept besef van eigen zondigheid. En die hebben de stoot gegeven tot de grote zendingsbeweging van de afgelopen twee eeuwen. Dat was het werk van de Geest. Je kunt het zelf niet organiseren. Daarom bid ik vooral voor een nieuw revival onder ons’.
Missen
Merrel: ‘We zullen Zuid-Afrika missen, allebei. Ik spreek nog onbewust over “thuis”. En Arie heeft hier in Lienden dan wel zijn groentetuin, net als daar, maar toch, dáár was zijn werk, al zal hij ook hier wel blijven preken en misschien ergens lesgeven. Drie van onze kinderen wonen hier, de andere drie wonen buiten Nederland, maar niet in Zuid-Afrika. We kunnen hier onze kleinkinderen zien opgroeien. Een paar gaan er hier in het dorp naar school. Maar we hebben in Zuid-Afrika veel geestelijke kinderen, die we gaan missen. Toen onze kinderen het huis uit waren, zeiden ze: nu moeten jullie kinderen gaan adopteren.
Wij zeiden: echt niet, we zijn heerlijk samen, zie je ons al weer met babies in de weer? Toen zeiden ze: dat zeggen we, omdat het zo fijn is in een christelijk gezien op te groeien.
Dat we die babies niet zagen zitten, wist de Here ook wel en hij stuurde ons vier jongens van de leeftijd van onze kinderen. Leden van de jeugdgroep die er niet bij waren, toen de drie anderen in Ndaleni werden vermoord.
Ze kwamen voor vijf dagen, ze bleven vijf jaar. Hadden we dat van tevoren geweten, dan hadden we dat niet gedaan. Het heeft onze gezinssituatie en sociale contacten zwaar belast. Maar de Here heeft het zo geleid. Een van de jongens is overleden, de andere drie zijn nu mannen die actief zijn in dienst van de Here in de gemeente. We zien het achteraf als een voorrecht dat we op die manier discipelen van Jezus hebben mogen maken. En we danken God ervoor’.
| Nkosi Sikelel’ i Afrika.- God, zegen Afrika Maluphakanyl sw’ uphondo lwayo. Yzwaimithandazo yethu – Moge haar geest hoog oprijzen, Hoort U toch naar onze gebeden, Heer, zegen Afrika. Zondag 19 november 2006. Een kleine Nederlands Gereformeerde Kerk in Ermelo in Afrikaanse sfeer. Er wordt gezongen in het Afrikaans, gecollecteerd op de Afrikaanse manier. Kinderen die swingen bij de muziek van de tamtam in Afrikaanse kledij. Volwassenen die in een taal van ver weg God aanbidden, loven en prijzen. ’s Morgens staat de dienst in het teken van een project van Red een Kind in Ethiopië om er nieuwe scholen te bouwen. ’s Middags komt ds. Reitsema op bezoek, die na 38 jaar hard werken en leven van Gods genade in Kwazulu, teruggekeerd is naar het kille vaderland. Natuurlijk is het wat onwennig allemaal; we hebben geen Afrikaans bloed, we spelen ook niet dat we Afrika zijn. Wel maken we op deze manier een beetje mee hoe Gods naam wordt groot gemaakt in een heel andere cultuur dan de onze. In een land dat getergd wordt door honger, aids, gebrek aan water, veiligheid en vrijheid. En we hangen aan de lippen van ds. Reitsema, de wonderen die hij heeft meegemaakt. Wonderen van Gods liefde en trouw in het leven van Kwazuluchristenen. Mensen die niets anders bezitten dan het leven van vandaag, vestigen al hun hoop op de Eeuwige. Het zien en meemaken van hun blijdschap en geloof doet iets met ons, mensen die rijk voorzien zijn van het onnodige. We kijken in de spiegel en houden onze adem in. Even maar... Elise G. van der Stouw |