… zodat het niet waggelt

2006-12-22
  • Jaargang 50
  • nummer 25
Plotseling zat onze gebedsgroep in een discussie over kerstbomen. Hoe we zo gekomen waren weet ik eigenlijk niet eens meer precies; voor zover ik weet had iedere aanwezige een kerstboom in huis. Als ik het me goed herinner begon het met één bidder die vertelde dat hij geen kerstpakketten aan zijn relaties zond, maar met Sinterklaas een cadeau gaf. Misschien vindt u het een beetje vreemd onderwerp van gesprek voor een gebedsgroep, maar deze groep bestond uit zakenmensen en leidinggevenden.
Iedere dinsdagmorgen van half 8 tot half 9 kwamen zes mannen en één vrouw bijeen om te bidden en in het bijzonder voor ongelovige relaties.
Zondags zaten we weliswaar allemaal in een andere kerk, maar onze verbondenheid met elkaar was hecht en hartelijk. We lieten tijdens het smeren van ons krentenbroodje dan ook geen oeverloze discussies toe over wat ons scheidde, zoals verschil in visie op de doop. We richtten ons alleen maar op wat ons bond en dat was de wetenschap dat Jezus Christus onze Heer en Heiland is. Met elkaar zochten we op welke manier we in de dagelijkse praktijk van het zakenleven een getuige van Hem konden zijn.
Hele discussies ’s morgens om half 8 hoe je als christen slechte betalers aanpakt of hoe je omgaat met personeel dat niet op de goede plek zit. En nu waren we ineens bij kerstbomen aangeland. Sommigen van ons hadden toch ergens wel wat bedenkingen bij dit teken van het heidense lichtfeest.
Hoe verhield zich dat nu tot het ‘gij zult geen andere goden aanbidden’?
Want dat wilden we absoluut niet. Maar één van onze evangelische broeders wuifde opgewekt alle bezwaren weg: ‘Waar hebben jullie het nu over? Die kerstboom? Die staat in de bijbel, hoor. Kijk maar in Jeremia 10’, hij bladerde in zijn bijbel en begon te lezen: ‘want als een stuk hout heeft men het uit het woud gehakt, – arbeid van werkmanshanden met de bijl – met zilver en goud siert men het op, met spijkers en hamers maakt men het vast, zodat het niet waggelt. Vreest voor hen niet, want zij doen geen kwaad.’ Na een daverend gelach volgden de hilarische verhalen over kerstbomen elkaar in hoog tempo op. Zoals dat gaat met dit soort mannen. Het ging over bomen die omvielen, in de fik vlogen of al kaal waren voor het kerstfeest begon. Maar ook over de meester van de zondagsschool die kerstverhalen vertelde bij de kerstboom; na afloop kreeg ieder kind een zak lekkers en een boek mee. Bij voorkeur een W.G. van der Hulst. Allemaal nog overblijfselen van het Réveil, de opwekkingsbeweging uit de negentiende eeuw die de kerstboom in Nederland onder het gewone volk introduceerde. Bij die kerstboom hoorden de allerarmsten het Woord en kregen daarna een brood en een turf mee naar huis. De kerstboom werd gebruikt als middel om het evangelie te verkondigen. Niet meer en niet minder. Maar hoe pas je zoiets toe in deze tijd? Heb ik eigenlijk nog wel de drang om de kerstboom een middel te laten zijn om het evangelie te verkondigen en een ander uit te nodigen om Hem te ontmoeten?
Gewoon door je heidense buurman uit te nodigen voor een kerstzangdienst, met chocolademelk of een lekker glas glühwein na afloop. Niet omdat dat zo hoort of omdat het moet, maar uit liefdevolle betrokkenheid. Anders had mijn evangelische broeder toch wel gelijk en is die kerstboom net zo iets als de afgoden waar het in Jeremia 10 over gaat: ‘Vreest voor hen niet, want zij doen geen kwaad. Maar ook goeddoen is er bij hen niet.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief