Niet softer, wel geestelijker

2006-12-22
  • Jaargang 50
  • nummer 25
Ds. De Jong schreef een artikel over Jozua 5, dat kritische reacties opriep van mevr. Post en ds. Mudde. Doet ds. De Jong niet tekort aan de ernst van Gods oordeel, was de vraag. Ds. De Jong besluit deze serie met een voorlopig laatste reactie.

En ik maar menen dat ik met mijn twee artikelen over Jozua 5 een bijbels en gereformeerd verhaal schreef! Maar zowel mevr. Post als ds. Mudde hebben dat er niet in gehoord. Mevr. Post gaf ik eerder al antwoord. Maar één punt dat zij aanroerde liet ik liggen. Dat wil ik eerst goed maken.

Zij vond mijn verhaal niet eerbiedig, met termen als het zich niet gemakkelijk voelen van de Here God bij de voltrekking van het oordeel over de mensen van Kanaän. Ik geef toe dat we niet gewend zijn ons zo uit te drukken. Maar was het ook onjuist, was het ook oneerbiedig?

Gods lankmoedigheid
Als we bij de profeet Ezechiël de Here God horen zeggen dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze (Ezechiël 18:23) dan zitten we toch in de buurt van mijn formulering? God heeft helemaal geen aardigheid in straffen. Hij wil veel liever andere dingen, bijvoorbeeld dat de zondaar zich bekeert en leeft. Ook Jezus weent over Jeruzalem dat de profeten doodt en stenigt degenen die tot haar gezonden zijn (Matteüs 23:37). Dat stoot de rechtvaardigheid van de bestraffing die Jezus bij die gelegenheid aankondigt niet om, maar behalve rechtvaardig is de Here ook berouw hebbende over het kwaad dat Hij aankondigt. Hij straft, maar Hij straft node. ‘Niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klaagliederen 3:33).
Het is het een zowel als het ander, of in de taal van mijn artikelen: dit ben Ik, én: dit ben Ik niet, zegt de Here God bij Jozua. De gedachte van aanpassing komt trouwens bij Calvijn vandaan.

Herkansing
En ook als ik de Heiland de verzuchting laat slaken: Wat zou er gebeurd zijn als Ik de genadeboodschap van mijn Vader op Sodoms straten had mogen laten horen?, vind ik niet dat ik aan de eerbied voor God te kort doe. Wat mij daarbij voor ogen stond was het woord uit 1 Petrus 3:19, 20 waar gezegd wordt dat de opgestane Christus is heengegaan om te prediken aan de geesten in de gevangenis die eertijd ongehoorzaam geweest waren toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, toen de ark in gereedheid werd gebracht. Ook daar de gedachte dat het zondvloedgeslacht een kans gemist heeft doordat het Jezus niet zelf heeft gehoord. En die gemiste kans wordt daar zelfs goed gemaakt (als ik het juist lees).

Tegen de versoftening
Wat ds. Mudde betreft, hij is bang dat ik de ernst van de ban over de inwoners van Kanaän onderschat. Maar ik had toch een apart hoofdstukje gewijd aan de gedachte van versoftening?
Dat ik daar niets van wil weten?
En ik had in dat verband toch de zware tekst uit Hebreeën 10:29 aangehaald: ‘Hoeveel zwaarder straf zal hij verdienen…enz’? Ik snap zijn vrees niet. Natúúrlijk bevat de ban van voorheen een waarschuwende boodschap voor ons. Namelijk dat wij ons niet in Gods goedheid moeten vergissen.

Vergeestelijking
Maar tegelijk zeg ik dat die ban van vroeger iets achterhaalds heeft. Dat lijkt het intrappen van een open deur, maar ik zeg dit toch met name wel graag tegen mijn fundamentalistische broeders en zusters die de Israëlische politiek ten opzichte van de Palestijnen met behulp van Jozua’s oorlog ondersteunen. Het hele land, vinden zij, moet zoals toen veroverd worden.
Reden waarom onze Palestijnse christen-broeders en –zusters dit gedeelte van de bijbel met vrees en beven lezen. Zie daarvoor het boek van Bernhard Reitsma, ‘Wie is onze God?’ Dit soort bijbelgebruik wil ik de wind uit de zeilen nemen. Vandaar mijn wijzen op een tendens tot vergeestelijking in de Schrift. Maar nog eens: vergeestelijking is geen verwekelijking.
In de vergeestelijking komt de bijbel juist toenemend ter zake.
Tenslotte, zowel mevr. Post als ds. Mudde benadrukken het feit dat de Here God ten opzichte van de Kanaänieten zoveel geduld aan de dag heeft gelegd wat de ban over hen aannemelijk maakt. Maar ik hoefde daaraan niet herinnerd te worden omdat ik geen enkele twijfel gezaaid heb aan de rechtmatigheid van de straf over de volken van Kanaän. Dat was gewoon mijn punt niet. Mijn punt was de uiterlijke gewelddadigheid van dat gericht en het feit dat er geen heilsverkondiging aan het oordeel vooraf was gegaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief