Preeklezers
2004-01-23
Ik weet het: (kerk)geschiedenis is niet bijster populair vandaag de dag; toch vallen er bij tijd en wijle aardige dingen op te vissen uit de zee van de achter ons liggende tijden. In het Gereformeerd Kerkblad (een in Midden-en Zuid-Nederland verschijnend blad, dat ik sinds kort onder dank ontvang van mijn vrijgemaakte buurman) van 4 oktober gaat ds. A. Bas (GKV) in op wat voor sommigen in de kerk een droom en voor anderen een nachtmerrie is: de leesdienst. Waar komt, zo heeft hij zich afgevraagd, die leesdienst eigenlijk vandaan? En zijn er in de geschiedenis ook nog andere oplossingen gevonden voor het gebrek aan voorgangers - predikanten? Ds. Bas: - Jaargang 48
- nummer 2
Het probleem waar onze preekvoorzieners met enige regelmaat tegenaan lopen, is bepaald geen nieuw probleem. Al vrij snel na de Reformatie kreeg men te maken met plaatsen waar de dienst des Woord (nog) niet ‘opgerecht’ kon worden. De synode van Emden 1571 bepaalde, dat in zulke plaatsen door de classispredikanten ‘Lesers, Ouderlinghen ende Diaconen’ aangesteld moesten worden.
Toch vond men zulke ‘lezers’ in die dagen maar een verlegenheidsoplossing, waar men ook niet al te makkelijk toe over moest gaan. ‘Maer’, bepaalde de synode van Middelburg 1581, ‘in plaetsen die verre gheleghen sijn vande kercken daer predicatie ghesciet, ende daert stichtelick can sijn, zalt gheschieden moghen’ - zij het dan alleen met instemming van de classis. Echter, al snel was het ontbreken van de dienst des Woords niet slechts een probleem meer van plaatsen waar die dienst nog niet ‘opgerecht’ had kunnen worden; ook vacante kerken kregen ermee te maken.
En opdat ‘de dienst niet gans desolaat zij’ werd het de plaatselijke schoolmeester toegestaan op de zondagen de psalmen te zingen, als ook de in het kerkboek opgenomen gebeden, het Oude en Nieuwe Testament, en daarna ook preken van Bullinger aan de gemeente voor te lezen (synode van Arnhem 1593). () Behalve de ‘(preek)lezers’, die we vandaag de dag nog steeds kennen, zijn er in de loop van de geschiedenis ook nog andere oplossingen gezocht voor het gebrek aan predikanten die voor konden (en/of wilden) gaan in de erediensten.
Zo hebben de kerken van de Afscheiding het verschijnsel van de ‘oefenaars’ gekend: gemeenteleden die als broeders onder de broeders in de gemeente een stichtelijk woord mochten spreken.
Meteen op de eerste afgescheiden synode (die van Amsterdam 1836) kwam de kwestie van de oefenaars al aan de orde. Enerzijds deed de synode de principiële uitspraak ‘dat in de Kerk van Christus zoodanig eene orde van Dienaren, buiten de geordende Herders en Leeraars, niet mag bestaan’.
Anderzijds werd wel naar 1 Corinthe 14 ieder gemeentelid aangespoord ‘te ijveren om de geestelijke gaven; maar meest om te profeteren, dat is, het Woord uitleggen en toepassen, tot stichting der gemeente’.
Met andere woorden: geen aparte ‘stand’ of ‘klasse’ van oefenaars, maar wel ruimte voor gemeenteleden om Gods Woord uit te leggen en toe te passen. In een reglement werd vastgelegd dat gemeenten die verstoken waren van de dienst des Woords zichzelf moesten zoeken te stichten door onderlinge samenkomsten, en door het onderzoeken van Gods Woord, voorafgegaan en afgesloten met gebed en psalmgezang. Daarbij moest ieder zijn gave gebruiken: hetzij door het voorlezen van Gods wet en Woord, ‘of eene stoffe van eenen regtzinnigen Predikant’; hetzij, als iemand de gave had om Gods Woord uit te leggen en toe te passen, door die gave ook daadwerkelijk te gebruiken. Wel moest zo iemand er nauwkeurig op letten, zich te onthouden ‘van alles, wat tot het openbare predikambt behoort, als daar is: Het uitspreken van den zegen, bediening der Sacramenten en gebruik maken der sleutelen’.
Evenmin mocht hij geld ontvangen voor zijn werkzaamheden of in dienst komen van de gemeente.
Op de synode van Utrecht 1837 werd één en ander in het kort nog eens vastgelegd in een artikel dat werd toegevoegd aan de ‘aloude’ Dordtse Kerkorde van 1618/1619. Echter, één synode later (Amsterdam 1840) al werd dat allemaal weer ingetrokken, liet men het bij de ongewijzigde Dordtse Kerkorde en sprak men zelfs uitdrukkelijk uit een nadere bepaling inzake het oefenen niet nodig te vinden.
Opmerkelijk: op de eerste synode na de Afscheiding was er een haast modern aandoende durf om de aanwezige gaven in de gemeente ook daadwerkelijk te gebruiken. Even opmerkelijk: al een paar jaar later werd de ruimte weer haastig ingeperkt. Wat is dat toch voor een merkwaardige beweging waarbij we als kerken blijkbaar schrikken van onze eigen schriftuurlijke vrijmoedigheid, die we daarom maar gauw weer inleveren. Er mocht eens wat van komen...