Voor een onbekende jongen

2004-02-20
  • Jaargang 48
  • nummer 4
Hij zit op een kruk. Bijbeltje op schoot.
De Taizé-achtige muziek staat zacht.
Het is nog vroeg.
Het licht is sfeervol gedimd; geroezemoes uit de schoolkantine dringt door de zorgvuldig gesloten deur.
Een klein ‘stiltecentrum’ met een groot kruis en een brandende kaars.
Het is en blijft voor een grefo jongen een deur met een drempel.
De kleine lage knielbankjes bekijkt hij met vreemd ontzag en hij besluit te ze eerbiedig te ontwijken.
‘Ik ben niet rooms,’ mompelt hij in gedachten.

Al twee maanden zit hij op deze school en al evenzoveel maanden overdenkt hij deze plek.
Naar binnen gaan deed hij niet. Hij is gereformeerd.
Maar God zoeken en vinden in je dagelijkse leven. Wandelen met God.
Het bestaat. Hij wil het zo graag.

Deze ochtend besluit hij voordat de lessen beginnen plaats te nemen in deze ruimte en Gods aangezicht te zoeken.
Te lezen in Zijn woord.
Hij leest hoe Jezus sprak tot de Samaritaanse vrouw: ‘Jullie aanbidden zonder te weten wat je aanbidt, maar wij aanbidden wat we kennen, want het heil komt van de Joden. Maar er komt een tijd – en die is er al – dat wie echt aanbidden, de Vader aanbidden in geest en waarheid. Want de Vader wil mensen die hem zo aanbidden. God is geest, en wie hem aanbidden, moeten hem aanbidden in geest en waarheid.’

Dan gaat de deur open. Hij voelt zich half betrapt, maar ook in zijn eerbied gestoord.
Twee mannen lijken verbaasd te zijn iemand aan te treffen en vragen hem of ze binnen mogen komen.
‘Ja, ik ben zo klaar,’ mompelt de knul, zich afvragend wat hij nu nog zou moeten doen, voordat hij ´klaar´zou zijn… Vanuit zijn ooghoeken ziet hij hoe ze hun schoenen uittrekken. Hij kijkt omlaag en ziet zijn eigen brede hoge stappers en vraagt zich opeens af of hij een heilig reglement overtreedt.
Mozes had ook zijn schoenen uit en het lijken per slot docenten die binnen stappen.
‘Ik moet alleen nog bidden,’ spreekt de jongen. Het lijkt hem een gepast slot en veilige manier de ruimte te verlaten.
Als hij zijn ogen wil sluit en zijn handen vouwt klinkt het vragend: ‘Mogen wij misschien voor je bidden?’ Aarzelend stemt hij toe, zich niet echt realiserend wat de man bedoelt.
De mannen knielen vervolgens naast hem neer, schuiven een knielbankje onder hun kont en rechten hun rug.
Op een vreemde manier steekt de jongen boven ze uit. Als een schaatser op een erepodium, omringt door de nummers 2 en 3.
Dan spreken de mannen gebeden uit.
Samen. Om de beurt. Elkaar versterkend, aanvullend en dienend. Maar vooral persoonlijk voor hem.
En daarbij leggen ze bedaard, maar resoluut een hand op zijn schouder.
Deze mannen bidden met kracht, realiseert de jongen zich. Met gezag bidden zij in autoriteit van Christus.

‘In geest en waarheid’ schiet de tekst uit Johannes door zijn hoofd. Hij kijkt voorzichtig, en voelt zich niet langer verheven tussen de mannen.
Wel vreemd. Onbekend. En toch ook weer heel dicht bij God.
Als een van de mannen opstaat en hem vraagt of hij hem de handen op mag leggen, knikt de jongen zwijgend.
De zegen die hij die ochtend over hem en zijn taken krijgt uitgesproken voelt vreemd. Bijna fysiek tastbaar.
Een rilling loopt van zijn nek naar zijn stuitje.

Als hij later die middag naar huis loopt, voelt hij zich warm blij en gelukkig. Het was een leuke dag op school, glimlacht hij in zichzelf. ‘Ik voel me een gezegend mens.’

Dan schiet de verbijsterende waarheid door hem heen: Ik ben het ook!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief