Onderweg met de homoseksuele naaste
2004-03-19
Graag wil ik beginnen met mijn voldoening uit te spreken over het thema dat u aan deze dag gegeven hebt en waarover u mij gevraagd hebt te spreken. Uw Open Dag is een categoriale bijeenkomst, een groepsgebeuren, maar toch richt u zich met dit thema tot het geheel van de christelijke gemeente, want de navolging van Christus raakt ons allen. Deze insteek lijkt mij zonder meer heilzaam.- Jaargang 48
- nummer 6
Maar al te vaak worden de homoseksueel geaarden in de afzondering geplaatst. Zij hebben om begrijpelijke redenen zelf ook wel die neiging zich als aparte groep te verstaan.
Dat is niet goed, althans, dat kan te ver gaan. De homoseksuele mens hoort erbij, hij maakt met zijn zo-zijn deel uit van de christelijke gemeente. 'Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen allen in de vreugde,' schrijft de apostel (1 Corinthe 12:26).
Discriminatie
'Als één lid lijdt…' - lijden wij dan?, zult u misschien vragen. Ja, maar niet bij uitzondering. Wij behoren met z'n allen tot Christus' lijdende gemeente op aarde. Bij de een manifesteert zich het lijden op deze, bij de ander weer op een andere wijze. Het lijden blijft niemand bespaard, al kan dat wel eens zo lijken, bijvoorbeeld omdat we niet allemaal tegelijk in moeite zijn.
En waaruit bestaat dan bij jullie het lijden? Ik zou kunnen wijzen op de maatschappelijke discriminatie en verachting van de samenleving die trouwens ook onder christenen geen zeldzaamheid is geweest en nog is. Dat is een vorm van lijden die niet onderschat mag worden. Ik denk dat daaruit ook het krachtige protest verklaard moet worden dat sinds de 'coming out' van de homoseksueel geaarden als bevolkingsgroep is losgekomen.
Daar zit veel begrijpelijke reactie bij, zoals bij uit de band springende jeugd die te streng is opgevoed.
Zo probeer ik bijvoorbeeld roze zaterdag te verstaan, hoezeer mij deze provocatieve en smakeloze demonstratie ook tegen de borst stuit. Als een doorslaande reactie op de discriminatie van voorheen, zo tracht ik daar tegenaan te kijken.
Lijden om het zo-zijn
Maar ik zie ook een stuk lijden in jullie zo-zijn zelf. Ik sta wel open voor de gedachte dat in de homoseksuele geaardheid ook mooie dingen meekomen.
Ik denk aan het vrij algemeen aanwezige gevoel voor kunst dat bij jullie zo opvalt. Ik denk ook aan wat ik nog mooier vind, namelijk de zachtaardigheid die in onze harder wordende samenleving zo weldadig overkomt, de fijngevoeligheid ook in menselijke relaties. Als jullie om deze reden eer ontvangen dan deel ik graag in die vreugde. Maar deze mooie dingen nemen niet weg dat bij ieder die bij de opgroei tot de ontdekking komt dat hij zo is, de schrik om het hart slaat. Niemand is er blij mee, er is veel meer ontsteltenis.
Ieder begint met de vraag of daar nu niets aan te doen is. Vergelijk dat eens met een vrouw die ontdekt dat ze zwanger is. Dat geeft vreugde.
Zo'n vreugde kennen jullie bij de ontdekking van je zo-zijn niet. Op z'n best komt het langs een weg van strijd tot aanvaarding, zij het ook dat deze aanvaarding allengs meer positief geladen kan zijn. Men kan wel stellen dat die schrik van het begin veroorzaakt wordt door de vrees voor de maatschappelijke discriminatie, te beginnen bij het onbegrip van de ouders en de overige leden van het gezin en de familie - en de kerk, maar daarmee is niet alles gezegd. Te denken valt ook aan het besef zonder (eigen) nageslacht te blijven en vader en moeder niet de vreugde van het grootouderschap te kunnen bezorgen.
Ook dat is een stuk lijden. Om maar te zwijgen over het spook van de eenzaamheid die vooral in het begin zo fnuikend kan zijn.
Verstoring
Toch is er iets dat nog dieper gaat.
Dat betreft een gevoelig punt waarover ik niet gemakkelijk spreek (uit vrees misverstaan te worden), maar dat mijns inziens essentieel is. Bijbels gezien is de homoseksueel geaarde mens behept met een verstoring op een vitaal gebied van het mens zijn.
De Schrift zegt dat de mens geschapen is naar Gods beeld. Letterlijk staat er dit in Genesis 1:27: 'En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.' Je kunt uit deze tekst afleiden dat de polariteit van het mannelijk - vrouwelijk een belangrijk instrument is om in het leven Gods beeld te vertonen.
Polariteit: alle verschillen die er tussen mensen kunnen zijn vallen in het niet bij het verschil tussen een man en een vrouw. Tegelijk is de aantrekkingskracht die er tussen mensen kan bestaan nergens zo sterk als tussen de man en de vrouw. Een en ander geeft mij het recht de verhouding tussen de man en de vrouw als een volstrekt unieke tweepoligheid te beschrijven die haars gelijke niet heeft. Tot in het lichamelijke toe strekt zich die polariteit uit: de hoekigheid van de man tegenover de ronde vormen van de vrouw. Nu zijn jullie, ook in jullie zozijn, stellig mannelijk en vrouwelijk, maar die polariteit, dat polaire in de verhouding, missen jullie. Dat tegelijk elkaar uitdagen en zich tot elkaar aangetrokken voelen, dat elkaar opvangen en tegelijk opscherpen, dat elkaar aanvallen (in de goede zin) en tegelijk aanvullen, vanuit een geslachtelijk tegenover van verstand en gevoel, zeker, dat is niet geheel afwezig (ook bij homoseksuele paren zie je een zekere polariteit tussen het meer mannelijke en het meer vrouwelijke type), maar toch is het lang niet voluit aanwezig. Nog gezwegen het feit dat uit de homoseksuele relatie geen nageslacht voortkomt, wat ieder die het voortbestaan van het menselijk geslacht ter harte gaat erg moet vinden.
De homoseksuele mens leeft om die reden al in de schaduw van zijn heteroseksuele broeder of zuster en bestaat in zekere zin bij diens gratie.
Aan deze dingen denkend spreek ik van een verstoring en het zijn deze werkelijkheden die ik bedoel als ik de homoseksuele aanleg een deviant noem. Het een variant te noemen en de homoseksuele aanleg te vergelijken met het hebben van bruine of blauwe ogen, het zijn van links- of rechtshandig is een verharmlozing die aan de werkelijkheid geen recht doet.
Ik kan het wel plaatsen als een reactie op de vroegere discriminatie of als een poging zich niet in de hoek van de zieligheid te laten dringen, maar ik kan er toch niet in meegaan. De schrik van de ontdekking waarover ik het zo-even had is vanuit het variant-denken niet goed te verklaren. Die schrik is voor het hebben van blauwe in plaats van bruine ogen zelfs absurd. Deviant - met dit woord duid ik ook de voor mij blijvende betekenis aan van de overigens cultuur-bepaalde verboden tot homoseksueel verkeer uit het bijbelboek Leviticus (18:22; 20 :13).
Allen gevallen
Maar ik haast mij om hier iets belangrijks aan toe te voegen. Over het beeld Gods gesproken, als het gaat om het vertonen daarvan in het leven zijn wij allemáál gevallen mensen, mensen van na Adam en Eva. De verstoring vanwege de val in zonde kennen we allemaal, de een op dit gebied, de ander weer op een ander. Wie vertoont het beeld Gods op zo'n manier dat de Here God er genoegen aan beleven kan? Zijn we niet allemaal aangewezen op Christus die in de Schrift dan ook het beeld van de onzichtbare God heet (Colossenzen 1:12)? Er is dan ook geen sprake van dat de homoseksuele mens meer dan anderen zondig, meer dan anderen door God vervloekt zou zijn. Hij heeft te maken met een gevoelig gevolg van ons áller zonde. En dat legt dan weer een stevige bodem onder de eis tot solidariteit tussen homo- en heteroseksuelen.
Zoals Paulus schrijft: 'Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods' (Romeinen 3:23). Wij hebben de bijbelse leer van ons aller zondeval in Adam nodig om onze houding tegenover onze homoseksuele broeders en zusters te vinden.
Wij staan ten diepste naast elkaar.
Blijft staan dat de homoseksuele mens ten aanzien van het vertonen van het beeld Gods met een extra handicap zit. Handicap? Moet dit woord echt vallen? Ik meen van wel. Er zijn handicaps die veel meer zichtbaar zijn, maar er zijn er weinige die zo diep gaan. Ik leid dat af uit Genesis 1 (dat ik al aanhaalde) waaruit op te maken valt dat het mannelijk-vrouwelijk tegen het centrum van het mens zijn aan ligt.
Als daar een verstoring in optreedt hebben we met iets ernstigs in het mensenleven te doen. Niet de wil van de homoseksueel geaarde mens om naar het beeld van God te leven is minder, niet zijn of haar gebed om dit te bereiken is krachtelozer, de Heilige Geest werkt in hem of haar niet minder dan in anderen, maar zijn of haar bewerktuiging vertoont een gebrek.
Keerzijde hiervan is dat waar die bewerktuiging wel voluit gevonden wordt de verantwoordelijkheid navenant groter is. Het is de taak van de heteroseksuele mens om vanuit het meerdere dat hij ontvangen heeft zijn homoseksuele naaste tot een steun en toeverlaat te zijn. Omgekeerd leer ik weer van mijn homoseksuele naaste op gebieden waar zijn of haar kracht ligt.
Dam tegen de ontucht
Het kan bij deze benadering niet verrassen dat ik geen voorstander ben van het homohuwelijk. Dat twee homoseksuele broeders of zusters een relatie van samenleven aangaan, daar kan ik mee leven. Ik keur het niet goed, maar ik veroordeel het ook niet. Het is in mijn ogen geen onverdraaglijke ontucht en bijbelhoofdstukken als Genesis 19 (Sodom en Gomorra) en Romeinen 1 ('mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende') laat ik erbij dicht. Die gaan over iets anders, over smeerlapperij.
Ik zie juist in zulk samenleven een dam opgeworpen tegen de ontucht.
Als Paulus schrijft dat het 'met het oog op de gevallen van ontucht goed is dat iedere man zijn eigen vrouw heeft en iedere vrouw haar eigen man' (1 Corinthe 7:2), dan zie ik niet in waarom dat voor de homoseksuele mens anders zou zijn. Zeker, het voordeel van het huwelijk is hier door de apostel minimaal geformuleerd. Het huwelijk is gelukkig meer, veel meer (ook voor Paulus, Efeze 5:22-33!), en de homoseksuele relatie is dat ook, maar dit nut zit er zeker ook aan. Een dam tegen de ontucht die de homoseksuele mens meer dan normaal bedreigt. Dat laatste heeft een cultuurhistorische oorzaak: Doordat de homoseksuele mens altijd onder de zware druk van discriminatie en onthouding gestaan heeft dreigt ook hier het gevaar van de reactie. De reactie van een te gretig ingaan op de seksuele verleidingen. Ik denk trouwens dat dit tijdelijk is, zoals je dat bij meer reactiehoudingen wel kunt waarnemen.
Tijdelijk, want we mogen toch, zeker in de kerk van de toekomst, tijden van meer begrip tegemoet zien voor de seksuele behoeften van de homoseksueel geaarde mens. Vanuit het besef dat niet iedereen de gave der onthouding heeft, zoals de apostel zegt (1 Corinthe 7:7). Alsdan, in die tijden, zal er rust komen in de levens van de betrokkenen en kunnen zij in vrijheid kiezen voor een al of niet celibatair bestaan. Vooralsnog evenwel is het niet reëel van hen die onthouding te verwachten. Achter de wens tot samenleven staat nu een te grote druk.
Niet veroordelen
Maar waarom ben ik niet royaler?
Waarom kom ik niet verder dan een dulden of niet veroordelen van het homoseksueel samenleven? Waarom is voor mij met het woord prothese het belangrijkste wel gezegd? Omdat ik graag ook mijn heteroseksuele zusters onder ogen kom die zonder de gave van de onthouding te hebben onvrijwillig alleen blijven. Zij hebben toch ook hun verlangens? Als ik nu het homoseksueel samenleven zou toejuichen, wat moet ik dan tegen hén zeggen? Moet het voldoen aan die verlangens dan ook voor hen maar vrijgegeven worden? Liever zeg ik ook tegen hen dat ik ze niet veroordeel als zij hun gemis trachten te verhelpen. Want ook voor hen geldt dat 'iedereen van God zijn bijzondere gave gekregen heeft, de een deze, de ander die' (1 Corinthe 7:6). Maar u begrijpt toch zeker wel dat ik daartoe niet ga stimuleren? Zo nu ook laat ik het wat betreft het homoseksueel samenleven bij een 'niet veroordelen'.
| Er is in Opbouw lang niet geschreven over homoseksualiteit. Misschien wel mede, omdat juist hier ‘schrijven over’ niet kan zonder de pastorale sfeer van het ‘gesprek met’. Tegelijk is merkbaar hoe er ook onder ons persoonlijk en gemeentelijk gezocht wordt naar een evangelische weg in de omgang met dit belangrijke verschil in menselijke geaardheid. De verscheidenheid in benadering is groot en dat is niet alleen binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken zo. Ook over de kerkmuren heen - om te beginnen binnen de kleine oecumene tref je gevarieerdheid in denken en gevoelen. Om zulke (inter)kerkelijke gesprekken te stimuleren leek het ons als redactie goed een lezing van ds. H. de Jong te publiceren, die hij vorig jaar hield tijdens een bijeenkomst van de gereformeerd vrijgemaakte werkgroep voor homo’s en lesbiennes ‘Contrario’ (zie ook www.contrario.nl). Het thema van de bezinningsdag was ‘de navolging van Christus’. Namens de redactie, F.Gerkema |