Homoseksualiteit en de christelijke gemeente

2004-04-02
  • Jaargang 48
  • nummer 7
Zoals gezegd, het huwelijk van twee homoseksuele mensen is voor mij een brug te ver. Het huwelijk is daarvoor als instelling van God te uniek, inderdaad vanwege die spanning of polariteit tussen het mannelijke en het vrouwelijke die zo levensverrijkend is of - voorzichtiger gezegd - kan zijn.
Het huwelijk is geroepen tot de hoge taak om de verhouding tussen Christus en zijn gemeente af te schaduwen (zie Efeze 5:22-33). De homoseksuele relatie komt daar vanwege het gemis van die polariteit niet aan toe, het is behelpen.
Door deze relatie nu toch huwelijk te noemen, haal je het huwelijk naar beneden. Het is dan ook niet toevallig dat het pleit voor het homohuwelijk wordt gevoerd in een tijd dat het huwelijk zelf veel van zijn glans verloren heeft vanwege het gemak waarmee getrouwde mensen elkaar loslaten.
Het huwelijk heeft zichzelf daardoor al op voet van gelijkheid met de homoseksuele relatie gesteld.
Daarvoor vallen niet de homoseksuelen, maar de heteroseksuelen te blameren.
Maar een christen zal hier nooit in mogen berusten. We zullen als kerk moeten werken aan herstel van de waarde van het huwelijk, met name door het bieden van een gedegen catechese en voorbereiding op het huwelijk. Daar valt zeker niet de gelijkstelling van huwelijk en homoseksuele relatie onder.
En dan is er natuurlijk ook het punt van het nageslacht, dat niet alleen de vrucht is van de eenwording van man en vrouw, maar ook ten hoogste gebaat is bij de opvoedende invloed van zowel de man als de vrouw. Ook dat geeft het huwelijk een onvervangbare betekenis.

Opofferende liefde
Eén ding hoort u mij niet zeggen. Ik beweer niet dat de liefde aan het huwelijk is voorbehouden. Ik zie ook prachtige, zelf wegcijferende liefde in de homoseksuele relatie opbloeien.
Juist terwijl ik dit schrijf, wordt in het Dijkzigtziekenhuis in Rotterdam bij een vriend een niertransplantatie uitgevoerd.
De nier die hij krijgt is van zijn vriend, met wie hij al vele jaren een homoseksuele relatie heeft. Dat is iets om stil van te worden.
Nee, opofferende liefde is geen huwelijksmonopolie, dat blijkt hieruit heel duidelijk. Maar het huwelijk voor twee mannen of twee vrouwen?Nee. Zoals ik onlangs voor de tv een Afrikaanse vrouw hoorde zeggen: Toen God de mensen schiep, schiep Hij hen als Adam en Eva en niet als Adam en Adam. Geen huwelijk dus, maar wel een samenlevingscontract dat wederzijdse bescherming biedt, ook tegen de azende families. Dat de mogelijkheid schept zonder al te grote kosten de woning en andere goederen te vererven. En dan nog dit bij dit punt: vaak worden bij het vraagstuk van het homohuwelijk twee ongelijksoortigheden met elkaar vergeleken.
Je hoort dan zeggen dat het homohuwelijk het ruimschoots kan opnemen tegen veel man-en-vrouw-huwelijken.
Dat mag zo zijn, maar als je wilt vergelijken, dan moet je dat wel tussen een goed man-en-vrouw-huwelijk en een goed homohuwelijk doen, anders is die vergelijking vals.

Ambtsdrager en zo-zijn
En de ambtsdrager in Christus' kerk, hoe zal die met zijn homoseksuele aanleg omgaan? Ik heb in mijn stellingen gezegd dat hij tot onthouding verplicht is. Ik zou hierbij willen spreken van een zedelijke verplichting.
Dat betekent dat hij het zélf niet zou moeten willen. Want door als homoseksueel met een vriend te gaan samenwonen, verscheurt hij de gemeente.
Precies zoals dat dezer dagen is opgemerkt door de tegenstanders van de wijding van de homoseksueel praktiserende bisschop Gene Robinson in de Episcopaalse kerk van New Hampshire in de VS. Die bezwaarden hadden en hebben gelijk, al gebruikten ze voor dat gelijk niet altijd de juiste argumenten.
Zo'n bisschop (of de ambtsdrager in het algemeen) wordt daardoor inzet van een heilloos conflict tussen voor- en tegenstanders.
Over het homoseksueel samenleven is de christelijke gemeente immers diep verdeeld. Er zijn er die vinden dat het van God verboden is, terwijl anderen menen dat het geduld kan worden.
Weer anderen (maar dan heb ik het niet over de kleine oecumene) zeggen: wat doe je moeilijk? Zij hebben er geen enkel probleem mee of bezwaar tegen.
Dit uiteengaan van de meningen zal voorlopig nog wel actueel blijven.
Maar ook afgezien van wat de gemeente ervan vindt, als het terecht is dat wij niet verder komen dan een dulden of een niet veroordelen van het homoseksueel samenleven, dan is dat voor het geestelijke gezag van een voorganger in de gemeente te weinig. Hij is in zijn samenwonen omstreden en dat is voor zijn ambtsuitoefening een te groot nadeel. Hij is daarom vanwege zijn ambt geroepen het offer van de onthouding te brengen.
Toen de christelijke kerk ontstond, kreeg zij te maken met toetredenden die polygaam getrouwd waren. Dat riep natuurlijk vragen op. Je krijgt de indruk dat de kerk daar toen geduldig mee omgegaan is en de monogamie niet direct voor ieder verplicht heeft gesteld. Ook in kerken op het zendingsveld is wel voor deze gedragslijn gekozen. Maar voor de ambtsdragers in de kerk gold en geldt onomwonden het vereiste van het 'ener vrouwe man' (1 Timotheüs 3:2; Titus 1:6). Wat in het gemeentelid kon worden geduld, was de ambtsdrager niet toegestaan.
Zo geloof ik ook, dat de gemeente het van haar ambtsdragers mag verwachten dat zij afzien van samenleven op homoseksuele basis. Mogelijk dat daar in de toekomst nog eens anders over zal worden gedachtmaar nee, het homoseksuele samenleven zal toch altijd wel iets problematisch houden. Tenzij wij de overstap maken van deviant naar variant. Dan is er geen enkel probleem. Maar ik geloof niet dat we naar zo'n toekomst moeten verlangen. (Het uiteengaan in deviant- of variant-denken lijkt mij cruciaal in het hele gesprek over homoseksualiteit.)

Geheelonthouding als teken
Tenslotte, wij leven in een tijd waarin het seksuele (onverschillig of het om de homo- of de heterovorm gaat) een geweldig grote rol speelt. Het lijkt wel of de samenleving vindt dat Seks Moet - om volwaardig mens te zijn.
Dat stelt aan ons allen de vraag, of het niet wat minder kan. Realiseren wij ons wel voldoende dat door de uitvinding van de pil het seksuele verkeer en de voortplanting veel meer dan voorheen van elkaar zijn losgekoppeld, waarin de suggestie meekomt dat seks een algemeen toegankelijk genotmiddel is? Waarop ieder recht heeft? Is het een wonder dat de homoseksuelen zijn gaan vragen: waarom wij niet? Staan gehuwden die de pil in hun samenlevingspakket hebben opgenomen niet met de mond vol tanden tegenover deze vraag?
Deze veralgemenisering van het seksuele verkeer vraagt volgens mij om een reactie van ons allen. In de laat-
Romeinse tijd was de seksualiteit ook zo dominant aanwezig. Dat leidde in de christelijke gemeente tot de reactie van kluizenaarschap en kloosterdom.
Wij hoeven dat niet precies over te nemen en na te doen, maar het vrijwillige celibaat zie ik toch als een optie voor de kerk van heden. Als teken. Niet alleen voor de ambtsdragers, maar ook voor de gemeente.
Niet alleen voor heteroseksuelen, maar ook voor homoseksuelen. Láát ieder zich maar eens afvragen of hij de gave van de onthouding heeft. En láten er dan zijn die in vrijwillige onthouding leven, vergelijkbaar met de geheelonthouders die niet tegen alcohol zijn, maar een teken willen oprichten tegen het misbruik van dit kostelijke genotmiddel.
Het vrijwillige celibaat dus, om zo de wereld te laten zien dat huwelijk en seksualiteit niet het een en het al zijn.
Hier denk ik aan het antwoord van de Here Jezus op de vraag van zijn discipelen of het, gezien het risico van echtscheiding, wel raadzaam is te trouwen. Hij zei: ‘Er zijn gesnedenen die zo uit de moederschoot geboren zijn, en er zijn gesnedenen die door de mensen gesneden zijn, en er zijn gesnedenen die zichzelf gesneden hebben ter wille van het Koninkrijk der hemelen’ (Mattheüs 19:13).
Je zou de homoseksueel aangelegde mens kunnen onderbrengen bij zowel de van de geboorte af gesnedenen (de endogene opvatting) als bij de door de mensen gesnedenen (de exogene opvatting), al zal de Here bij de eerste categorie hebben gedacht aan de van nature huwelijksongeschikten en bij de tweede categorie aan de eunuchen. Maar tot de derde groep behoorde Hij zelf, gesneden, dat wil zeggen: ongehuwd gebleven ter wille van het koninkrijk Gods. En als u nu de Heiland te uniek vindt om Hem in een groep in te delen (eigenlijk vind ik dat zelf ook), mag u ook aan iemand als Paulus denken. Hoe het ook zij, de Here opent de ogen voor die mogelijkheid en zegt er wervend bij: ‘Wie het vatten kan, die vatte het.’ Wat niet wil zeggen dat Hij zich met dit woord speciaal tot de snuggeren wendt, maar wie daarvoor plaats heeft in zijn geest, die hebbe dat.

Gezamenlijke opgave
Hiermee kom ik wel op bijzondere wijze terecht bij de titel van mijn verhaal: de navolging van Christus. Het kan onze roeping zijn Hem op deze bijzondere manier na te volgen. En ik ben blij dat ik dat tegen ons allemaal kan zeggen. Tegen heteroseksuelen en tegen homoseksuelen. Daarmee ben ik terug bij het begin, toen ik er mijn vreugde over uitsprak dat u het thema van deze dag zo gemeentelijk gekozen had. Want inderdaad, als één ding funest is voor de homoseksuele leden van Christus' kerk, dan is dat wel hun isolement, hetzij zelf gekozen of opgelegd. Wij staan voor de gezamenlijke opgave om in een tijd van een teveel, met onze seksuele geaardheid God te dienen en de naaste lief te hebben als onszelf. Dat is de navolging in de algemene zin van het woord, afgezien dus van de vraag of je dit alleen blijvend danwel getrouwd of samenlevend doet.
Daarbinnen kan dan de bijzondere navolging in de vorm van geheelonthouding haar natuurlijke plaats vinden.

Veilig
Ik realiseer mij dat mijn verhaal harde brokken bevat, die moeilijk te verteren zijn. Ik kan mij voorstellen dat u af en toe gedacht hebt: ‘Deze rede is hard, wie kan haar aanhoren?’ (vergelijk Johannes 6:60).
Toch kan ik bewijzen dat ik het beste met u voor heb. Al in 1976 heb ik een preek gehouden en het licht doen zien over de zo vreeswekkende passage van Romeinen 1. Waar Liefde Woont, zo heette die brochure, waarin het geheel van de kerkdienst van destijds staat afgedrukt. Met deze preek heb ik een hand voor jullie in het vuur gestoken door op te komen voor de mogelijkheid van homoseksueel samenleven. De publicatie heeft mij zowel de verachting van de COC-kringen als de veroordeling van mijn broeders en zusters ter rechterzijde opgeleverd. Ik ben erdoor getekend geweest - om een woord te gebruiken dat u meer dan ik bij ondervinding kent. Misschien dat deze herinnering u helpt mij met dit verhaal ten goede te houden en geloofwaardig te vinden.
Mijn standpunt is sindsdien niet veranderd. Ik ben ook blij te spreken voor een kerkpubliek, dat geleerd heeft een betoog dat zich op de Schrift baseert een eerlijke kans te geven.
Laat ik eindigen met een bewering.
Het is mijn vaste overtuiging dat in een kerk, waarin op de wijze waarop ik dat uiteengezet heb over de homoseksualiteit gedacht wordt én gedaan wordt, jullie een heuse schuilplaats zullen vinden en echte ontplooiingsmogelijkheden zullen ontmoeten.
Wat zou het heerlijk zijn als jullie je veilig kunnen voelen in Christus' kerk!

‘Ieder die bij de opgroei tot de ontdekking komt dat hij zo is, slaat de schrik om het hart’, schreef ds. H. de Jong in de vorige Opbouw. En er is meer pijn, die meekomt met de realiteit van een andere seksuele geaardheid. De Jong vraagt om ruimte voor de overweging, dat niet voor iedere homofiel een leven in onthouding begaanbaar is. De Zeister emeritus-predikant ziet een relatie in liefde en trouw als een dam tegen de ontucht, zonder dat hij de kant op wil van het homohuwelijk.
Hierover nog iets in dit tweede artikel, waarvan het slot gaat over de keuze om als homoseksueel te gaan samenleven en de betekenis daarvan voor de christelijke gemeente.
De redactie heeft de gedachte, dat deze lezing van ds. De Jong niet het laatste woord in Opbouw hoeft te zijn. Wie ervoor voelt over dit thema te schrijven, is hierbij van harte uitgenodigd. Vanwege de gevoeligheid in het persoonlijke vlak is het - in overleg met de redactie - mogelijk dat de naam van de scribent alleen daar bekend blijft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief