Afbreken
2004-04-16
'U breekt mijn dochter helemaal af!- Jaargang 48
- nummer 8
Helemaal!' De man kijkt mij boos aan. Ontzetting en verontwaardiging in zijn ogen. Licht trillend spiertje naast zijn neus. We zitten ongemakkelijk tegenover elkaar.
We kijken allebei naar de andere aanwezigen.
Zijn vrouw (stil, maar standvastig naast haar man) en hun dochter, Andrea, die de ogen neerslaat. Daarnaast mijn directeur.
De man pakt boos een stuk papier uit zijn tas en zegt: 'Hier staat het allemaal in en dit is de kopie. De echte brief ligt bij het College van Bestuur. Over uw functioneren meneer de Dromer! En als u het maar goed weet, ik zorg ervoor dat u niet meer voor de klas komt. U bent een gevaar voor het onderwijs! En u noemt zich nog christen ook!' Hoe ben ik hier terecht gekomen, hoe kom ik hier weer weg, denk ik bij mezelf, terwijl ik voorzichtig kijk of mijn directeur, als gespreksleider aanwezig, mij de beurt geeft.
Ondertussen overdenk ik mijn zonde.
Het begon zo’n maand of vier geleden.
Andrea viel al op als een teruggetrokken, stille leerling. Ze oogde kwetsbaar, breekbaar en maakte geen contact met klasgenoten. Ze stond snel bekend als 'mevrouw-maakt-mij-niet-uit' of “'k-zouhet-niet-weten'.
Dergelijke antwoorden leken bijna standaard.
Je moest wel goed luisteren, want haar stemvolume was meestal op de laagste stand geschakeld en haar oogopslag onzeker.
Ik was haar mentor, dus kleine voorzichtige gesprekjes dienden zich aan.
Voorzichtig peuterend, zoekend naar mogelijkheden.
De docentenvergadering was unaniem.
'Deze dame moet naar ons ondersteuningsbureau.
Faalangst reductietraining - sociale vaardigheidstraining en nog wat van zoiets,' vatte de notulist tijdens de vergadering het gesprek samen. 'En als het niet werkt, naar een andere opleiding'.
Na verloop van een paar weken kwam het hoge woord eruit.
In een mentorles van mij, over pesten en meelopen en geaccepteerd worden.
Ze blokkeerde, flipte en liep de klas uit.
Ik had met haar te doen en zag de pijn.
Het onvermogen.
Een dag later wilde ze wel even praten en zei ze: 'Ik wil niet over het pesten praten, ik wil er met niemand over praten en ik regel het zelf wel.'
Voor het eerst zag ik dappere ogen. De gekwetstheid omgezet in actie.
Mooi.
'Je grenzen aangeven is oké,' antwoordde ik, subtiel werkend aan de vertrouwensrelatie.
'Maar… als je door dit soort onderwerpen geblokkeerd raakt moet je nog wel veel leren om deze opleiding aan te kunnen... Kinderen in je werk moeten iemand hebben die ze begrijpt, die voor ze klaarstaat. Niet iemand die wegloopt of alleen maar mee kan huilen.'
Na dit gesprekje ontwijkt ze me.
En de docenten werden minder geduldig.
Haar vaardigheden bleven ondermaats, een SPW-er moet meer kunnen en durven en opener zijn.
‘Of ik het maar wilde doorgeven namens het team’.
Ik was de mentor, dus… hup, doe je plicht.
En dus deed ik dat. Sterker nog, ik stond er helemaal achter.
En nu zit ik hier.
De boze vader tegenover me gooit de kopie van de brief op tafel.
Het blijft even stil en ik kijk naar Andrea.
Ik zie haar zitten en vraag me af of zij blij is met de actie van haar vader.
Ik zie haar zitten, opeens acht jaar eerder, slecht negen jaar oud op school, gepest om haar rode haar, haar sproetjes.
Thuisgekomen bij een vader die machteloos ziet hoe zijn kleine lieve meid gemangeld wordt in deze verrotte wereld.
Ik zie haar en vraag me af wat ze straks in de auto tegen haar vader zegt.
Mijn directeur neemt het woord. Ik kan wel voorspellen wat hij zal zeggen om me te verdedigen.
Toch word ik er niet blij van.
Ik zie een gebroken kind.