Over jeugddiensten en taartpunten

2003-01-06
  • Jaargang 47
  • nummer 1
Soms zijn er momenten waarop je achterstallig leeswerk verricht en stuit op een artikel met een onderwerp dat boeit en prikkelt. Jeugdkerk en Karl Barth. Nou ken ik beide fenomenen.
De jeugdkerk die sterk in opkomst is in Nederland en Karl Barth vanwege zijn theologie ‘van boven’.
Dat bewuste artikel van de oud-kopman van het NGJ heeft me geprikkeld.
En niet alleen mij merkte ik.
Inmiddels is het een artikelenreeks aan het worden want er is al een vervolg van twee reacties gekomen.
Ik wil graag in de lijn van dit artikel reageren door wat te zeggen over jeugddiensten.

Jeugddienst
Steeds meer Nederlands Gereformeerde Kerken beginnen met het opzetten van een jeugddienst. Vaak wordt mij als jeugdwerkadviseur dan gevraagd: wat vind je daarvan? En om heel eerlijk te zijn loop ik niet altijd gelijk over van enthousiasme. Een jeugddienst is een dienst die georganiseerd wordt door of voor de jeugd. Waar het vaak op neer komt in de praktijk is dat het veelal gewoon een dienst is waar meer in mag dan in een normale dienst.
Dat klinkt negatief, maar is niet zo bedoeld.
Het geeft alleen wel aan hoe anders zo’n dienst van karakter is dan een normale eredienst. En daar wil ik een kritische vraag stellen naar de kerken.

Koelkast
In sommige kerken lijkt het jeugdwerk op een punt uit een taart. Deze kerken willen met een jeugddienst de jeugd graag op de onderste plank van de koelkast zetten. Waar de slagroom het langst goed blijft, omdat het daar het koudst is. De jeugddienst is een plek waar jongeren hun ding mogen doen, maar dan moeten ze vooral niet zeuren over de rest van de dienst.
Het is bijna een excuus om niet in gesprek te gaan over de vorm waarin de boodschap verpakt zit. Daar zit mijn aarzeling een beetje om gelijk enthousiast te worden over een jeugddienst.
Ds. F. Blokhuis zegt in zijn artikel: ‘Zouden we er niet goed aan doen om alles op alles te zetten, om de kwaliteit van die prediking op peil te houden? En dan bedoel ik met kwaliteit: een prediking die schriftuurlijk krachtig en levend wil zijn, duidelijk en pittig, actueel en opwekkend.’ Ik zou dat willen onderstrepen.
Hebreeën spreekt over het Woord van God als een tweesnijdend scherp zwaard, dat tot de kern van een mensenleven kan binnendringen. Als de Bijbel op een zijspoor wordt gezet, dan kunnen we met zijn allen wel ophouden, want dan zijn we aan het kerkje spelen. Het woord centraal en in dat woord Christus.
Mijn oproep zou dan ook zijn: predikers wees ook voor jongeren schriftuurlijk krachtig, levend, duidelijk, pittig, actueel en opwekkend.

Orgaan
Dat taartstuk onder in de koelkast gaat een beetje uit van jongeren als een probleemgroep in de kerk en dat moet opgelost worden. Probleemoplossend werken in bedrijven bijvoorbeeld gaat meestal volgens een bepaald principe.
Je moet het probleem isoleren en vervolgens los je het op. Wij zijn geneigd hetzelfde te doen bij onze jongeren.
Een groep die meestal niet als makkelijk wordt ervaren. Alleen spreekt de Bijbel over de gemeente als lichaam.
Als we jongeren isoleren, door allerlei aparte dingen voor hen te organiseren die zover afstaan van de realiteit van de normale erediensten en hen niet een structurele eigen plek in de gemeente geven. Dan is het net alsof we een orgaan verwijderen uit het lichaam.
In het meest gunstige geval wordt dat lichaam ziek en soms sterft het hele lichaam zelfs. Jongeren kunnen alleen maar groeien naar volwaardige volwassen christenen binnen de context van de gemeente, in contact met het hele lichaam van Christus. Het is belangrijk om ze groeiende verantwoordelijkheid te geven en daarmee een stuk vertrouwen. De vraag is dus richting de kerk, hoe gaan jullie met onze jongeren om. Zien we ze als een probleemgroep of als jonge kerkleden waarmee we ook onderweg zijn, soms met vallen en opstaan, maar wel onderweg naar een stukje geestelijke jongvolwassenheid binnen de context van het lichaam, de gemeente van Jezus Christus.

Lampen tellen
Nu heb ik nog een vraag bij het artikel van ds F. Blokhuis. Eerst een citaat: ‘De mens, ook de jeugd, moet door de zure appel heen!’ Een legitiem argument zeker als het gaat om het ‘aanstotelijke’ in het evangelie. Maar ik hoor soortgelijke argumenten vaak in een ander jasje. ‘Ik heb vroeger ook altijd de lampen in de kerk geteld en ik weet tot op de dag van vandaag dat ons orgel 46 pijpen heeft!’ Met andere woorden, laat de jeugd toch niet zo zeuren, het is maar een periode en je zult zien dat ze vanzelf wel weer terug komen. En daarin denk ik dat we als kerk de plank toch volledig misslaan. Jongeren zijn vandaag de dag steeds minder snel geneigd om een commitment aan te gaan.
Daarnaast stemmen ze met hun voeten.
Dat betekent dat ze afwegen of ze een eigen plaats hebben in de kerk, het geloof ook relevant is voor hun leven en als dat niet zo is of zo overkomt dan zijn ze weg. En je moet dan van goede huize komen wil je ze dan nog terug krijgen. Okay, ik ben het met u eens als u zegt dat je daar niet blind op moet varen, maar het is een gegeven waar we iets mee moeten.

Outreach
We zijn het een beetje verleerd als kerk denk ik. Het staan in een omgeving die voor het grootste gedeelte niet-christelijk is. De jongeren van de huidige generatie zijn de eerste generatie sinds tijden die opgroeit in een Nederland dat postchristelijk is. Ruim een jaar geleden bezocht ik een Londen een kerk in een wijk die weinig christenen kende. Die kerk was toegelegd op gastvrijheid. Dat merkte je aan alles. Wel hebben daar zelfs na de dienst nog ruim een uur gezeten en met mensen gesproken, het was een plek waar je je thuis voelde. Die gastvrijheid wordt tegenwoordig ook vaak omschreven als een kerk met visie voor outreach. Het engelse woord ‘reach’ geeft mij het beeld van moeite doen om iets te pakken. Iemand die op het droge staat en iemand in het water die dreigt te verdrinken steekt zijn hand uit en de persoon op het droge doet moeite die hand te pakken. Willen wij onze jongeren die soms dreigen te verdrinken in de postchristelijke zee nog de hand toesteken?

Slachtoffer
Misschien schuif ik op deze manier jongeren helemaal in het hoekje van de slachtoffer. Dat is eigenlijk het laatste wat ik wil. Ik zou zo graag meer jeugdwerk zien in de Nederlands Gereformeerde Kerken waar jongeren een eigen plaats innemen. Een plaats waar ‘de moderne jeugd rustig en eenvoudig’ kan praten over hun geloof en ongeloof (!). Kerken die jongeren de hand reiken en hun niet alleen jeugddiensten geven als eigen plaats, maar veel meer dan dat: een heel eigen plaats in de eredienst een eigen plaats in het lichaam van Christus. Dat vraagt om visieontwikkeling op de plaats van de verschillende groepen mensen in de kerk en zeker ook op de plaats en de rol van jongeren in uw gemeente.
Visie waarin we jongeren geborgenheid bieden binnen de kaders van onze gemeente, begeleiden op hun weg naar geestelijke volwassenheid, stimuleren in hun persoonlijke ontwikkeling buiten en binnen de kerk in het leven van alledag en zo samen te bouwen aan het lichaam van Christus vandaag en in de toekomst.

Schallend koper
Weer even terug naar het begin van dit artikel, de vraag: ‘Wat vind je daarvan, van jeugddiensten?’ ‘Eerlijk?’ Ik kan er helemaal enthousiast voor worden als ze vorm krijgen in de context van het lichaam van Christus. Een dienst waarin Gods Woord centraal staat, waar het actueel en levend is, waar het jongeren prikkelt tot in het diepst van hun bestaan. Welke vorm daarvoor gebruikt wordt is voor mij minder van belang. Als de vorm dienstbaar is aan het levende en krachtige Woord van God en geen eigen leven gaat leiden, de vorm om de vorm. Net zo min de preek om de preek gehouden moet worden, want ook in de preek moet het ‘van boven’ komen, anders blijft het ook een lege vorm, schallend koper of een rinkelende cimbaal… En: ja hoor, het NGJ wil best meedenken bij het vormgeven van een jeugddienst!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief