De burn-out van een dominee
2003-01-31
Kwaad bedoeld was het zeker niet.- Jaargang 47
- nummer 3
Mijn dochter van tien deed mee aan een voorspeeluurtje blokfluiten en laat ik die avond nu toevallig niks gepland hebben. Kwam dat even aardig uit! Na afloop, rond de klok van acht, stond ik nog wat na te praten met iemand die blijkbaar wist dat ik predikant was. ‘Meestal is uw vrouw er toch’, zo begon ze ons gesprekje. Ik knikte. ‘Hebt u daar eigenlijk wel tijd voor’, was haar volgende vraag. Ik lachte wat en reageerde maar met te zeggen dat je toch ook nog eens vader van je kinderen bent.
‘En als je niet oppast, dan krijg je dát’, zei ik langs mijn neus weg - waarbij ik wees op het jongste boek van Adrian Verbree. Eclips heet dat boek en het verhaalt van de lange donkere tunnel van een burn-out, die deze predikant trof. Toevallig had ik dát boek net die middag gekocht en meegenomen om er onder het fluitspel (niet bij mijn Rieneke natuurlijk!) nog wat in te lezen.
Ik had geen beter boek bij me kunnen hebben, die avond.
Ongenadig
‘U zit hier, maar kan dat eigenlijk wel?’.
In feite hoeft dat niet eens gezegd te worden, omdat zulke zinnetjes zich allang genesteld hebben in het brein van negen van de tien predikanten.
Kort na de intrede of soms zelfs al voor die tijd. Zoals bij Verbree, die als jochie zijn Zuidhornse dorpsgenoten hoorde klagen over de dominee, die zich te weinig liet zien (!) en te veel verdiende.
Zoiets hoeft maar één keer gezegd te worden en je hoort het de rest van je leven op de meest ongelukkige momenten terug - als een levenslange echo in de eerste persoon: ‘Ik zit hier wel, maar was er niet iets wat ik eigenlijk had moeten doen ....’. Bij alles wat mooi en goed is aan het werk binnen de christelijke gemeente, is dit een ongenadige kant aan het predikantschap.
Omdat het in dit hooggestemde werk eigenlijk nooit vijf uur in de middag is ... Bij dominee Verbree zat er jarenlang altijd nog wel ergens wat rek en zo kon hij geruisloos aan de (vermeende!) verwachtingspatronen van de gemeenteleden voldoen. Maar ergens in 1996 knapte er iets en een dal van jaren volgde.
Verbree schrijft er open en indringend over en ook met humor en warmte.
Het werd een lange weg naar herstel en dat nog maar ten dele. Maar Verbree kreeg de draad weer te pakken en bleek op een gezegende manier te kunnen berusten in een leven met minder energie dan je bij een veertiger zou mogen verwachten. En al is predikantswerk voor hem waarschijnlijk voorgoed te zwaar, hij is weer bezig onder de zon. En goed ook, zo denk ik bij dit en eerdere boeken van hem.
Opgebrand
In Eclips vind je dus het verslag van een burn-out. Een verslag, dat echt van binnenuit geschreven is, zodat je veel te zien krijgt van die lange, donkere tunnel. Hoe is het mogelijk, denk je al lezend, dat je als mens op dat wonderlijke grensvlak van het psychische en fysieke zo kunt interen op je reserves, dat het daarna nooit meer helemaal goed komt. En je te leven hebt met een onzichtbaar, maar niet te maskeren litteken. De eerste keer dat ik er zelf op stuitte bestond het woord ‘burn-out’ nog niet eens. Ik had een half uurtje zitten praten over van alles en nog wat met iemand, die al jaren eerder compleet onderuit was gegaan in het onderwijs. Toen ik wegging, vertrouwde hij me toe, dat hij zelfs zulke luchtige gesprekjes met een urenlange vermoeidheid moest bekopen. Al wilde hij tegelijk dit soort momenten voor geen goud missen. Ik kon me erzeker toen - maar heel weinig bij voorstellen.
Verbree schrijft er over. Over die knellende band om zijn hoofd, die bij het minste of geringste leek te worden aangetrokken. Over het onverdraaglijke van geluiden en beelden. Dat na enkele minuten lezen of computeren de letters onrustig werden en hij alleen nog maar verlangde naar de weldadige monotonie van stilte en grijstinten.
En je leest ergens: ‘Het is te idioot voor woorden. Ik kan nog niet het etiket van een pot pindakaas lezen!
Zo’n ding is vuurwerk van schelle kleuren en onsamenhangende letters, een oneerlijk drukke potpourri van tien verschillende fonts die allemaal tegelijk bij mij naar binnen willen’ (p.68).
Op zulke momenten zie je een mens, die door de bodem van zijn ziel is gegaan.
Als alles donker is of sterker nog: als je wenst dat het zo zou zijn. Goed om zo’n boek te lezen, zeker voor ieder die direct of indirect met zo’n duister fenomeen als een burn-out te maken heeft (gehad). Ook indirect, want de aanslag op het incasseringsvermogen van (in zijn geval) vrouw en kinderen is groot bij zo’n barre etappe, waarvan je niet weet of er ooit een eind aan komt.
Openheid
Eclips liet me ook in de weken daarna niet los. De openheid vond ik intrigerend - nergens storend, maar eerder weldadig. Verbree schrijft over die opvallende openheid in een nawoord: ‘Ik heb geprobeerd een zo eerlijk mogelijk verslag te schrijven. Vandaar dat u mij ook moest tegenkomen op mijn zwakke momenten en ook in zondig denken en doen ... Of ik er tegen opzie dat iedereen die dat wil nu zo verregaand bij naar binnen kan kijken?
Het antwoord is: nee ... Dat ik me niet schaam voor dit bloot verhaal heeft ook met mijn geloof te maken. God kent mij nog veel ‘bloter’ en Hij blijft mij nodigen voor zijn bruiloft, wat zal ik me dan aantrekken van wat u van me vindt?’ Het zijn maar een paar zinnen, maar is het wel de grondhouding zoals je die in de christelijke gemeente zo graag zou zien. Ergens gevoed door een psalm als de 139e, die de meesten van ons zeer lief is. Maar dan ook gemeentelijk vertaald in een vertrouwen, dat je je in die kwetsbare onderlinge openheid gedekt mag weten door God.
Als dát in het onderling gemeentelijke meer zou gaan groeien, dan zouden we naar binnen en naar buiten aan kracht winnen, zo schat ik in. Iemand heeft wel eens tegen me gezegd, dat ze er tegen opzag om, met de puinhoop die haar leven was, in de diensten te komen. Want zeker na het amenlied regeerde de gemeentelijke gezelligheid bij koffie en koek. In die sfeer voelde ze zich een pijnlijke uitzondering, omdat in haar eigen leven zo machtig veel aan gruzels was gegaan. En om daarmee naar buiten te komen als het leven van de mensen om je heen zo gelukt lijkt! Met ziekte wil dat nog wel, met psychische problematiek wordt het al lastiger, maar waar blijf je als je je alleen nog maar een mislukte voelt.
Terwijl het bij de rest van de gemeente aardig, goed en redelijk gaat, zo lijkt het. ‘Sommige spiegels zijn te helder’, zegt Verbree in dat verband spits en prikkelend.
Moderne levieten
Het is gelet op de kop boven dit artikel de hoogste tijd om de draai te maken richting het predikantschap, want Verbree was (en is in zekere zin) ook nog eens dominee. Opvallend dat deze vrijgemaakte voorganger in zijn boek ook vrijmoedig het thema ‘financiën’ heeft aangesneden. Uit de nood geboren, maar het is wel één van die punten, waaraan je merkt dat ook anno 2003 een predikant geen doorsnee leven leidt. Want hij is iemand, die op zo’n directe wijze het Koninkrijk zoekt, dat er geen tijd overblijft om het dagelijks brood langs de gebruikelijke weg te verdienen. Predikanten zijn in dat opzicht moderne Levieten, die moesten leven van dat wat de rest van het volk ze toeschoof. Al zag de oudtestamentische begroting met zijn tienden er in principe goed uit. Predikanten doen qua levensonderhoud dus een beetje denken aan die bijzondere stam in het oude Israël. En ze zijn zelfs de enige niet, die in dat voetspoor zijn getreden. Want ook volgens een meer evangelische formule is er menigeen onder ons, die - met steun van gemeenten, vrienden en familie - de wereld intrekt. Onlangs hadden we in Amersfoort een mooie informatieve avond met Marion Busstra, voor trouwe Opbouwlezers geen onbekende. Ze zou een week later weer naar Zuid-Afrika vertrekken, waar ze werkt voor ‘Jeugd met een Opdracht’. Zij kreeg die avond de vraag voorgeschoteld of ze het niet moeilijk vond om te leven van giften, die de Thuisfrontcommissie bij elkaar sprokkelde. Ergens vond Marion dat ook wel moeilijk, maar aan de andere kant deed het haar goed om te merken dat je vertrouwen in God en mensen niet beschaamd wordt en dat je leert om in afhankelijkheid te leven.
Predikanten zullen daar vast wel iets van herkennen, ook al is het werkverband vaster en de financiële zekerheid groter. Er wordt bij hen gerekend met salarisschalen (veelal GMV of SOW), waarbij op dienstjaren en gemeentegrootte wordt gelet. Zoals gezegd speelt Verbree ook op dit punt open kaart.
Kortgezegd kon zijn gezin jarenlang financieel nauwelijks rondkomen.
Maar telkens als hij het aan wilde kaarten, deed de echo uit Zuidhorn zijn werk - dat van die dominee, die te veel verdiende en zich te weinig liet zien. Daar moest en zou hij ver uit de buurt blijven!! Bovendien voelde ook Verbree de spanning tussen de verkondiging van het evangelie en het gepraat over geld. Het aardige is, dat toen Verbree met dit punt voor de draad kwam, zijn kerkenraad (en gemeente) daar heel goed op reageerden, zo schrijft hij in zijn nawoord.
Ongelijkheid
Feit is wel, dat een predikant op dit punt kwetsbaar is, want de gevers van de vaste vrijwillige bijdragen heeft hij wekelijks voor zijn neus en omgekeerd.
Dat kan iets blokkerends krijgen en dat naar twee kanten. Je hoort Verbree ergens verzuchten dat het hem ‘gewel dig lijkt om een salaris uit een anonieme pot te krijgen’ (62). Er zal geen predikant zijn die dat van tijd tot tijd niet eens denkt. Betaling uit een landelijke pot (zoals met de pensioenen van predikanten wel gebeurt) zou een forse stap in die richting zijn, maar het zou, denk ik, teveel tekort doen aan de plaatselijke verantwoordelijkheid van de kerken. Verbree komt in zijn nawoord met een soort tussenoplossing, die hij wegplukte uit hervormde kring.
Hij ziet wel wat in een standaard basistraktement uit de plaatselijke gemeente en toeslagen op grond van dienstjaren uit een landelijke pot. Ik zou dat laatste zelfs nog wel wat willen uitbreiden en ook willen rekenen met gezinsomstandigheden en woonlasten.
Want het maakt nogal wat uit of je in een pastorie terecht komt, huurt of een eigen huis (inclusief werkplek) hebt te kopen. De verschillen in inkomen en lasten tussen de predikanten zijn ook onder ons groot, zo is mijn indruk. Wat mij betreft zou een landelijke commissie vergaande bevoegdheden mogen krijgen om met behulp van zo’n landelijke pot de traktementen flink te egaliseren.
On-nederlandsgereformeerd, dat is waar, maar verregaande ongelijkheid tussen mensen die allemaal hetzelfde werk doen is minder.
En wie weet zou de doorstroming in het beroepingswerk er ook wel mee gediend zijn.
Tentenmaker
Er is trouwens nog een alternatief ook.
Dat is in de gereformeerde traditie een beetje uit beeld geraakt, maar de prominente Paulus leefde volgens dat stramien. Hij schrijft in meer dan één brief dat hij eigenhandig in zijn onderhoud voorzag. Dan hoefde hij niemand meer lastig te vallen en zijn bevlogen evangelisatiewerk leed er niet onder (1 Corinthe 9, Filippenzen 4:10-18; 2 Thessalonicenzen 3:7-9). Sterker nog, je merkt in zulke gedeelten, dat Paulus haarscherp heeft aangevoeld, dat financiële afhankelijkheid van broeders en zusters de evangelieverkondiging zo ongelukkig in de weg kan gaan zitten.
Soms ongezond voor het geloof van de gever en in andere gevallen voor degene, die zijn hand ophoudt.
Zodat er momenten kunnen zijn, waarop het niet zalig is om te geven en ook niet om te ontvangen. Misschien toch iets om in de gaten te houden.
Ook als je ziet dat menigeen onder ons na een ‘gewone’ studie en naast het ‘gewone’ werk een bijbelschool of theologische opleiding volgt. Dat zou tussenvormen kunnen opleveren, waarbij mensen grotendeels hun oude werk blijven doen en voor b.v. een dag betaald worden vrijgesteld om het pastoraat of jeugdwerk te begeleiden. Of studietijd krijgen om met regelmaat in de diensten voor te gaan. Dat zou voor beide kanten wel eens flexibeler en minder kwetsbaar kunnen zijn vanwege de mogelijkheid van krimp en groei en desgewenst fulltime terugkeer in de oude job. Want áls je er eens even van de buitenkant tegen aankijkt - vanuit een sterk veranderde cultuur - oogt dan de theologie en ook het predikantschap niet meer en meer als een monorail?
Met als standaarduitkomst: die ene full-time betaalde kracht, die in de gemeente voor een aantal jaren simultaan aan zeer uiteenlopende taken werkt. Om op een goed moment door te schuiven naar een volgende werkplek, anders en tegelijk ook eender.
Vaak gaat dat redelijk tot goed, maar aan de indruk valt niet te ontkomen, dat ook onder ons het aantal toeneemt, dat ergens op het smalle pad vastloopt.
Al is het gelukkig niet vaak zo diep en donker als in het dal, dat Adrian Verbree door moest. En er zitten meer kanten aan, maar dat komt over twee weken.