Bevrijd van Babel

2003-01-31
  • Jaargang 47
  • nummer 3
Op de 15e mei van het voorbije jaar, de dag van de geruchtmakende Tweede Kamer verkiezingen, heeft in Delft ook het afscheidscollege plaats gevonden van de onder ons zo bekende professor Egbert Schuurman. Het was een rijke dis die Schuurman zijn luisteraars voorhield. Een selectie ervan willen we u niet onthouden.

Geruchtmakend kun je het feit van zijn afscheid weliswaar niet noemen, maar belangrijk was het wel. Tweeëndertig jaar lang heeft professor Schuurman voor de Stichting Reformatorische Wijsbegeerte filosofie gedoceerd, eerst in Eindhoven, daarna ook in Delft en nog later kwam daar Wageningen bij. Een menigte studenten is op deze manier door zijn handen heengegaan.
Aimabel als hij is heeft hij er velen aan zich weten te binden. Hij was een warme vaderfiguur in de vaak wat koele sfeer van de techneuten. En dat aan dit werk nu een einde komt (althans officiëel, want de scheidende hoogleraar is er de man niet naar om werkeloos neer te gaan zitten) is iets om echt even bij stil te staan.

Afscheid
Het afscheidscollege is door de Technische Universiteit Delft uitgegeven en draagt als titel BEVRIJDING VAN HET TECHNISCHE WERELDBEELD. Het wordt door de auteur in een ondertitel getypeerd als een Uitdaging tot een andere ethiek. Wie Schuurman als auteur van verscheidene boeken kent, merkt dat hij in dit beknopte geschrift gepoogd heeft iets samenvattends over zijn levenswerk te zeggen.
Diverse draden van zijn vorige boeken komen in deze kleine publicatie samen.
De lezer herkent natuurlijk heel duidelijk de grondtonen van de Reformatorische Wijsbegeerte. Het boekje is dus ook goed te gebruiken als een inleiding tot het denken van deze filosoof.
Het omslag is daarvoor meteen al een raak schot: de toren van Babel naar het schilderij van Pieter Bruegel de Oudere – maar dan door de tekenaar Pierre Brauchli zo bewerkt dat op de achtergrond van die toren en tegelijk daar bovenuit stekend de grijze betonnen schoorsteen van een kerncentrale te zien is. De suggestie die daarvan uitgaat is dat dit oude project van menselijke overmoed en zelfoverschatting, waarvoor destijds de Here God zelf een stokje gestoken heeft, door de moderne wetenschap en techniek alsnog tot voltooiing zal worden gebracht.
Althans, dat denkt men, dat wil men. Het is dit soort van denken en willen waar Schuurman altijd tegen gewaarschuwd heeft.

Verlichting van de Verlichting
Het is een volle schaal die Schuurman ons in kort bestek voorzet. Ik doe een greep naar de kern. Op de achtergrond van de wetenschappelijk-technische ideologie van vandaag ziet Schuurman het oude ideaal van de Verlichting werkzaam: ‘Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen’ (zoals de wijsgeer Kant zei). En die moed moet dan zo worden verstaan dat men het aandurft om de ratio, het denken als beheersingsinstrument van de werkelijkheid te aanvaarden (p. 19). Maar die werkelijkheid, aldus Schuurmans analyse, moet daarvoor dan wel tot een wetenschappelijk-technisch te beheersen werkelijkheid gereduceerd, dat wil zeggen: verschraald worden (p. 18). Niet dat men dat bedoelt, maar het leidt er wel toe. Wat dan op zijn beurt weer tot gevolg heeft dat zeer waardevolle aspecten van de werkelijkheid verwaarloosd worden.
Hiertegenover pleit Schuurman voor een verlichting van de Verlichting; de Aufklärung moet zelf verlicht worden door het goddelijke licht van de Openbaring, waardoor wij de werkelijkheid weer zullen zien als geschapen werkelijkheid (p. 20). Dan zullen we ook weer oog krijgen voor die dingen en standen van zaken voor welker hantering de ratio niet het enige instrument is. In plaats van een ethos van de macht (beheersen!) zal er dan plaats zijn voor een ethos van de liefde (dienen!).
‘Dit impliceert o.a. dat het in de wetenschap om het groeien in wijsheid behoort te gaan, in de techniek om bouwen én bewaren, in de landbouw om oogsten én hoeden en verzorgen, in de economie om rentmeesterschap, en in de politiek in het dienen en bevorderen van recht en publieke gerechtigheid’ (p. 25). Dat deze cultuurkritiek niet voortkomt uit een ‘Geist der stets verneint’ kan duidelijk worden uit de waardering die Schuurman uitspreekt voor bijvoorbeeld de afsluitdam van de Oosterschelde die recht doet aan de aspecten van veiligheid, milieu en natuur (p. 27).

Cultuur-opdracht?
Opmerkelijk is wat Schuurman zegt over de cultuuropdracht van Genesis 1 : 28: ‘Onderwerpt de aarde..’, waar het onder ons nogal eens over ging en (soms nog) gaat. Denk bijvoorbeeld aan Schilders Christus en Cultuur. Het beroep daarop zal volgens de auteur, wanneer dat plaats vindt binnen het technische wereldbeeld, grote problemen, tot natuurverwoesting toe, opleveren.
Hij geeft er daarom de voorkeur aan van een scheppingsopdracht te spreken (p. 29). Zijn bedoeling is duidelijk, al kun je dat van de term niet helemaal zeggen. Niet de opdracht tot scheppen is immers bedoeld (zoals in cultuuropdracht de opdracht tot cultuur), maar de opdracht tot bouwen en bewaren, zoals die bij de schepping gegeven is. Inderdaad is het beter voor die opdracht naar het begin terug te gaan, nog voordat de mens met zijn cultuur aan die opdracht ook maar enige uitvoering gegeven had. Met andere woorden, professor Schuurman vreest terecht dat in het woord cultuur-opdracht de cultuur zoals die door mensen tot stand is gebracht en in onze dagen tot het verwerpelijke technische wereldbeeld geleid heeft, teveel ontzien wordt. Alsof het de bedoeling zou zijn dat wij daarop voortbouwden onder beneficie van de inventaris.
Het mensenwerk van de cultuur moet nu juist vanuit de scheppingsopdracht kritisch bekeken worden, is zijn mening.
We kunnen Schuurman toestemmen dat de cultuur, zoals tot dusver gerealiseerd, ook door het gereformeerde activisme wel te argeloos beoordeeld is, met voorbijzien van de schade die zij aan de schepping had en heeft toegebracht.
Schuurman noemt bij dit punt man noch paard, zoals ik nu doe, maar zijn boodschap is duidelijk en behartigenswaard.

Dienstbaar
Wij moeten niet voetstoots voortbouwen op hetgeen geworden is, want in het worden zit ook het verworden.
Daarom verzet Schuurman zich ook tegen de populair-gangbare definitie van de techniek als toegepaste wetenschap.
Hij ziet daarin de techniek te zeer aan de leiband van de wetenschap lopen. En dan van de moderne wetenschap die de band met de wijsheid dreigt te verliezen. De techniek moet bij alle hulp die zij van de wetenschap krijgt vooral de voeling niet verliezen met de werkelijkheid van de voorwetenschappelijke menselijke creativiteit.
Dat zal haar meer open doen staan voor nieuwe uitvindingen die dienstbaar zijn aan het concrete leven dat door miljarden mensen geleefd moet worden (p. 26). Wetenschap als prothese, noemt Schuurman dat.
Opnieuw ben ik, bij alle bewondering voor dit heldere betoog, niet helemaal gelukkig met de term. De prothese van een been is een houten been en de prothese van een gebit is een vals gebit. De prothese is een vervangingsmiddel, een surrogaat. De techniek zoals door Schuurman bedoeld is eerder een hulpmiddel; er hoeft niets vervangen te worden.
Overtuigend is Schuurman ook in zijn kritiek op het postmodernisme zoals dat ook in de filosofie van de techniek is doorgedrongen, met de kenmerkende aandacht voor het deel ten koste van het geheel. Dit nieuwe denken oefent inderdaad een terechte kritiek uit op de overspannen verwachtingen die de Verlichtingsfilosofie wekt. Het trekt zich in reactie daarop terug op de bijzondere problemen in de technische praktijk, de zogenaamde cases, die men abstraheert van het geheel van de technische ontwikkeling.
Dit doet sympathiek aan en op punten haalt men zo ook wel een gelijk binnen. Maar terecht werpt Schuurman tegen dat men zo gemakkelijk van het geheel niet afkomt en hij illustreert het met het voorbeeld dat tegenwoordig in de tuinbouwkassen schoner geproduceerd kan worden.
De investeringen daarvoor zijn evenwel zo kostbaar dat het, wil het voor het bedrijf uit kunnen, tot hogere productie leidt waarvan het doordraaien op de markt weer het gevolg is, nog afgezien van het hogere energiegebruik.
Wat men op micro-schaal heeft gewonnen verspeelt men zo weer op macro-schaal (p. 15 – 17). Het is net als in de politiek, val ik Schuurman bij: belangenpartijen scoren in vergelijking met beginselpartijen wel even, maar het duurt niet lang of de wal keert het schip. Regeren is dienst aan het gemenebest en niet het behartigen van groepsbelangen.

Groen
Ik noemde eerder Schilder en het deed me bij het lezen genoegen hem, zij het ongenoemd, tegen te komen in een zin als deze: ‘Een verantwoorde cultuurontwikkeling roept een voorstelling van de cultuur op, die doet denken aan de aarde als een door mensen te beheren tuin in de richting van een ‘gemeenschapshuis’…’ (p. 21).
Dit doet immers denken aan Schilders voorstelling van de cultuur als een ontwikkelingsgang van tuin naar stad.
Weliswaar is hier de stad vervangen door het gemeenschapshuis, waarschijnlijk omdat Schuurman bang is via het woord stad het groen kwijt te raken, maar dat deert niet. Schilder werkte trouwens die stadsgedachte uit met behulp van de profeet Zacharia die het ergens heeft over ‘Jeruzalem dat dorpsgewijs bewoond zal worden vanwege de menigte van mensen en vee daarin’ (Zach. 2 : 4). Daar heb je dus de groenheid al weer, en wel: in de stad.

Onrechtvaardige mammon
Het is dus in meerdere opzichten een waardevolle cultuurkritiek die Schuurman in zijn boekje biedt. We kunnen er onze winst mee doen. Wel vroeg ik me af – en dat niet alleen bij de boeken van professor Schuurman – of er ook nog wat te zeggen valt als niemand zich wat van de waardevolle kritieken zoals die hier geboden worden aantrekt en de ontwikkeling onverstoorbaar in zorgelijke richting verder gaat. Moeten wij ons voor die toch niet ondenkbare situatie niet óók gereed houden en de bezinning stimuleren? Naast het bedrijven en vervaardigen van studies als deze, dus?
In dit verband denk ik wel eens aan een woord van onze Meester dat hier misschien iets mee te maken heeft.
Het is dit gezegde van Hem: ‘Maakt u vrienden uit de onrechtvaardige mammon…’ (Lucas 16 : 9). Een ongelooflijk laconiek woord heb ik dat altijd gevonden.
‘Onrechtvaardige mammon’, zo typeert Jezus het publieke bestel van zijn dagen. Ook Hij zou in staat zijn geweest het bederf van dat bestel tot in de details te analyseren, in financiël, in economisch, in industriëel en ook in technisch opzicht. (De studie van Schuurman maakt voldoende duidelijk hoe dit alles met elkaar samenhangt en één complex geheel vormt.) De Heiland zou alle motieven en strevingen die achter dat complex zitten uiteen hebben kunnen leggen. Om ons te helpen het te doorzien. En eerlijk gezegd, Gods Woord doet dat op z’n tijd ook wel. Maar hier in dit woord van de Heiland zien we een andere benadering. Je kunt voor de situatie komen te staan, zegt Jezus hier, dat dat bestel waarin jullie verkeren irreparabel slecht is en dat je daar geen veranderingen in aan kunt brengen omdat men niet wil. Staan jullie dan helemaal met de handen in het haar of zien jullie in dat ook die situatie om nadenken en om bezinning vraagt?
Om het ontwikkelen van strategieën die werkzame oplossingen aandragen?
Zodat je met dat negatieve geheel toch positieve dingen weet uit te richten?
Het automobiel bijvoorbeeld blijkt steeds duidelijker een vervuilend kreng te zijn, maar wat kun je er sociaal gezien prachtige dingen mee doen! Ik noem maar wat. Denk erom, dit is geen kritiek op Schuurman of op de reformatorische wijsbegeerte.
Alleen, zouden we niet het ene moeten doen zonder het andere na te laten?
Om niet door het gebeuren verrast te worden?
Genoeg. We wensen professor Schuurman veel zegen toe voor de nieuwe levensfase die nu voor hem is aangebroken.
Dankbaar kijken we op het tot dusver gepresteerde terug.

Het afscheidscollege Bevrijding van het technische wereldbeeld. Uitdaging tot een andere ethiek, uitgave TU Delft, is ook terug te vinden in de afscheidsbundel Aan Babels stromen. Een bevrijdend perspectief op ethiek en techniek, red. K. Boersma, J. van der Stoep e.a., Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 2002

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief