Jona's afdaling in het dodenrijk

2003-02-14
  • Jaargang 47
  • nummer 4
Wanneer Jona wegvlucht van het aangezicht des HEREN, dan is deze vlucht voor Jona een enorme afgang.
Figuurlijk, omdat hij het gewoon niet kan maken om voor zijn roeping weg te vluchten, terwijl hij tegenover de zeelieden zegt dat hij de HERE vreest.
Maar ook letterlijk, want Jona is in het begin van het boek voortdurend aan het afdalen. Dat kun je in onze bijbelvertaling niet zo goed meer zien, maar letterlijk staat er drie keer dat Jona afdaalt. Eerst daalt Jona af naar Jafo. Vervolgens daalt hij af in het schip. En in het schip zelf daalt hij tenslotte af in het ruim, om daar te gaan liggen slapen. Door steeds datzelfde woord ‘afdalen’ te gebruiken onderstreept het verhaal dat Jona werkelijk op de vlucht is en steeds een stap verder gaat.

Terwijl het kwaad van Nineve is opgestegen voor Gods aangezicht, kiest Jona ervoor om steeds verder af te dalen. Toch heeft Jona het diepste punt van zijn leven nog niet bereikt als hij onderin het schip ligt te slapen.
Hoofdstuk 2 gebruikt datzelfde woord ‘afdalen’ namelijk nog een keer. Dan zegt Jona, terwijl hij in de vis zit, dat hij is afgedaald tot de grondvesten der bergen en dat de grendels der aarde voor altijd achter hem gesloten zijn. Daarmee bedoelt Jona dat hij is afgedaald in de onderwereld, het dodenrijk. Pas op dat moment, als Jona bang en wanhopig in de vis zit, dan bevindt Jona zich op het absolute dieptepunt van zijn leven. Die vis is het laatste station van Jona’s vlucht voor God.
U moet het Jona-verhaal dus niet zo lezen, alsof Jona iets nobels heeft gedaan, toen hij de zeelui voorstelde om hem maar in zee te gooien. Alsof dit een vorm van zelfopoffering was, om daarmee het leven van de zeelui te redden. Nee, zo nobel was Jona niet. Jona’s voorstel is zijn laatste en meest ultieme poging om alsnog zijn roeping te ontvluchten. Hij vlucht in de dood. Het klinkt absurd, maar Jona is nog liever dood dan dat hij voor God naar Nineve zou gaan. Liever dood dan gehoorzaam (vgl. 4,3.8).
Ten onrechte is men deze daad van Jona in de latere traditie vooral als een reddingsdaad gaan zien. Dat zal zijn omdat men anders niet zo goed met de figuur van Jona uit de voeten kon. Maar deze extreme vluchtpoging van Jona, zelfs tot in de dood, hoort juist bij de karikatuur die het Jona-verhaal ons tekent. Jona’s vlucht wordt tot in het absurde uitvergroot, juist om ons als lezers te confronteren met het absurde van ons eigen vluchtgedrag voor God. Het Jona-verhaal laat ons in een spiegel kijken. Want een mens is soms bereid zich in de gekste bochten te wringen om maar niet voor God op de knieën te hoeven gaan.
Een mens kan heel ver gaan, voordat hij bereid is zijn leven uit handen te geven en te zeggen: Hier ben ik.
Neem mijn wil en maak hem vrij… Wat een verschil tussen Jona’s daad en die van Jezus! Jona vlucht weg in de dood, om te voorkomen dat hij voor anderen tot zegen zou kunnen zijn. Maar in de hof van Getsemane bad Jezus: niet mijn wil, maar uw wil geschiede… Juist om voor anderen tot zegen te kunnen zijn.

In Jezus’ dagen had men zich waarschijnlijk al een positiever beeld van Jona gevormd dan het Jona-verhaal zelf ons tekent. In de joodse traditie leeft bijvoorbeeld de gedachte dat Jona’s dienstweigering niet uit onwil zou zijn voortgekomen, maar uit liefde voor Israël. Want als Nineve zich zou bekeren, zou God op het idee kunnen komen om zijn eigen volk te bestraffen. Dan zou Israëls onbekeerlijkheid opeens scherp tegenover Nineve afsteken. Men heeft van alles bedacht om toch iets van een voorbeeldfiguur in Jona over te houden. In dat kader past ook dat men Jona’s daad als een vorm van zelfopoffering is gaan zien.
Al in Jezus’ dagen zag men Jona niet meer zo negatief. Daarom kon Jezus zichzelf, in één adem, zowel met Salomo als met Jona vergelijken, zij het dat Jezus zichzelf de meerdere noemde.
Jona was groot in de ogen van Jezus’ tijdgenoten, net als Salomo, maar Jezus is meer dan Jona. Maar dat meerdere van Jezus komt nog scherper naar voren, wanneer we ons enkel op het Jona-verhaal zelf baseren en niet op de latere traditie die Jona’s blazoen heeft opgepoetst. Anders dan voor Jona was de dood voor Jezus geen vluchtroute om aan zijn roeping te ontkomen. Het is juist langs deze weg dat Jezus zijn grootste roeping vervuld heeft. In tegenstelling tot Jezus is Jona’s daad echter geen reddingsdaad geweest.

Hetzelfde geldt ook voor die vis, waardoor Jona vervolgens wordt opgeslokt.
Op het eerste gezicht lijkt het dat die grote vis Jona’s redding van de verdrinkingsdood betekent. Jona’s gebed, volgens het verhaal in de vis gebeden, blijkt namelijk een dankpsalm te zijn.
Een dankpsalm waarin wordt teruggeblikt op de redding uit de dood, die God Jona geschonken heeft. Dat wekt de indruk dat die grote vis voor Jona een soort reddingsboot is. Maar bij nader inzien blijkt dat toch niet het geval te zijn. Het is juist de vis die in het verhaal van Jona symbool staat voor het dodenrijk. Die grote vis is geen reddingsboot voor Jona, maar niets minder dan de verpersoonlijking van het dodenrijk. Jezus heeft het dan ook over het zeemonster. Dat is niet zo’n liefelijke aanduiding. Want het is juist de buik van de vis die voor Jona gelijk staat met de buik van het dodenrijk.
Ook het woord dat gebruikt wordt om te zeggen dat Jona door de grote vis werd ingeslokt, is niet zo vriendelijk als het mogelijk klinkt. Elders gebruikt de bijbel hetzelfde woord juist ook voor het dodenrijk. Dat dodenrijk wordt in de bijbel voorgesteld als een gulzig monster dat zijn muil heeft opengesperd om de mensen levend te verslinden (vgl. Jes. 5,14 en Hab. 2,5).
Dus als Jona door het zeemonster wordt opgeslokt, is dàt zijn afdaling in het dodenrijk, ‘het land zonder terugkeer’.
Dat is precies wat Jona in de vis ervaart. Dat de grendels van de onderwereld achter hem zijn dichtgeschoven.

U weet natuurlijk wel dat er over die vis van Jona vaak een hoop te doen is geweest. Aan de ene kant heb je mensen, niet per se moderne mensen, die het ongeloofwaardig vinden dat een mens ooit in een vis zou kunnen overleven.
Aan de andere kant zijn er mensen die juist van dit wonder een enorme geloofszaak maken. Zo merkte iemand eens op dat het inderdaad wonderbaarlijk is dat Jona door die grote vis is opgeslokt. Maar als het omgekeerde was verteld, dat Jona dat zeemonster had opgeslokt, zou hij het ook geloofd hebben. Toch gaat het bij het verstaan van het Jona-verhaal niet om de vraag of je al of niet in wonderen kunt geloven. Ook ik geloof in wonderen, de bijbel staat er vol mee.
En dan denk ik vooral aan de opstanding van Jezus uit de dood, het grootste wonder dat ooit heeft plaatsgevonden.
Daar staat of valt mijn geloof mee. Dat de Heer werkelijk is opgestaan.
Maar dat is bij het verhaal van Jona allemaal niet in geding. Het gaat bij het verstaan van het Jona-verhaal niet om de vraag of je in wonderen kunt geloven. Het Jona-verhaal zelf vestigt daar ook nauwelijks aandacht op. Er zitten vele wonderen in dit verhaal, maar ze worden op een heel vanzelfsprekende en alledaagse manier verteld, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dat is hèt grote verschil met andere verhalen in de bijbel, waarin het wonder vaak de climax is van het verhaal, waar juist alle aandacht op gericht wordt. Maar het Jona-verhaal heeft wat dat betreft een heel eigen karakter. Het vertelt hoe Jona zijn absurde vluchtpoging zelfs tot in de dood heeft voortgezet, dat hij in de buik van het dodenrijk heeft gezeten.
Daarom wordt er ook van een tijdsduur van drie dagen en drie nachten gesproken. Dat is meer dan een simpele tijdsaanduiding, alsof het er net zo goed twee of vijf hadden kunnen zijn. Die periode is vooral spreekwoordelijk bedoeld. Het is de tijd waarna alle hoop vervlogen is (vgl. Joh. 11,39).
Als Jona door het doodsmonster is opgeslokt, is er na drie dagen en drie nachten geen hoop op overleven meer.
Dan is Jona afgedaald in het dodenrijk.

1. Herkent u in uw eigen leven iets van het verzet van Jona om zich aan God gewonnen te geven?
2. Hoe belangrijk is voor u de vraag naar de historiciteit van het Jonaverhaal?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief