Eén van de schapen

2003-02-14
  • Jaargang 47
  • nummer 4
‘Van 4 tot 8 uur ‘s morgens hield hij zich bezig met een psalm of het bijbelgedeelte van de preek. De tijd die hij over had besteedde hij aan het lezen van commentaren. Van 8-12 uur was hij even intensief bezig met de bestudering van de catechismus. Tussen 12 en 2 gebruikte hij het middagmaal en hield zich bij goed weer op in de tuin of las binnen de kranten. Ook kon er soms een wandeling door het dorp af om te informeren naar de welstand van de gemeente of aan te gaan bij iemand die hem nodig had. Vervolgens van 2 tot 4 uur las hij de bijbel in het hebreeuws en van 4 tot 5 de griekse tekst van het Nieuwe Testament, met de syrische en nederlandse vertaling.
Van 5 tot 8 was er tijd voor ontspanning, die bestond uit het lezen van de oude geschiedenis van ons land of de klassieke griekse en latijnse schrijvers’

Van prediker tot ...
Een dominee natuurlijk, denk je dan, dat kan niet missen. En dan ook nog één van het eigenaardige soort! Ook in die tijd zal de dagindeling van deze studiebol niet helemaal doorsnee zijn geweest en dan heb ik het over de jaren rond 1720. Hij heette Johannes van den Honert en de Katwijkers hebben hem een tijdje als herder en leraar in hun midden gehad.1) Of ze de dominee veel gezien hebben, zoals dat heet, is weer een ander verhaal. Duidelijk is wel, dat er in die kleine drie eeuwen veel is veranderd, ook als het gaat om het takenpakket van de predikant. In de tijd van Van den Honert viel alle aandacht op de zondagse prediking en het bezoek aan de ernstig zieken en stervenden. Verder had de predikant af en toe een vergadering, die hij voorzat en ook nog eens notuleerde.
Pastoraat in de moderne zin was er niet, want de regelmatige gang door de gemeente - voorafgaande aan de avondmaalsviering - had een ander karakter. Dat was niet meer dan een nodiging tot de maaltijd van de Heer en een onderstreping van de ernst daarvan. Bij de voordeur en daarna was het óp naar het volgende adres!
In de loop van de 19e eeuw groeide het besef dat deze rondgang toch te weinig persoonlijk was en van lieverlee kwam het tot huisbezoeken met ruimte voor werkelijk gesprek.
Ook de catechese ging in het begin van de 19e eeuw over in de handen van de predikant, terwijl het voordien doorgaans de taak was van de schoolmeester. En zo zie je, beetje bij beetje, de contouren zichtbaar worden van de predikant, zoals wij die kennen aan het begin van de 21e eeuw - de catecheet, prediker, liturg, pastor, kerkopbouwer en missionair/ diaconaal initiator. ‘Het is het bekende beeld van het schaap met de vijf poten, tot op heden gekloond in profielschetsen’, zo voegt Heitink er aan toe (p.123).

In kerk en samenleving
Een boeiende kant aan Heitink’s boek is, dat je ziet hoe de positie van de predikant en de aard van zijn werk beïnvloed is door ontwikkelingen in kerk en samenleving.
De zo even genoemde verschuiving in het pastoraat in de richting van een echt tweegesprek hing heel duidelijk samen met een tendens van individualisering, die heel de samenleving van de 19e eeuw doortrok. Het zat in de lucht zouden we nu zeggen. Ook als het gaat om de rol van de predikant in het publieke leven - naast burgemeester en arts - zie je een sterke samenhang met de maatschappelijke verhoudingen uit die tijd.
En om nóg iets te noemen: de scheiding tussen kerk en staat (1848) had voor de kerk grote gevolgen. Er was niet langer één bevoorrechte staatskerk, maar de verschillende denominaties kregen gelijke rechten. Dat had als consequentie, dat de kerk iets weg kreeg van een vereniging, waarbij je je uit vrije beweging kon aansluiten en afmelden. Het gevolg voor de predikaat laat zich raden. Die werd afhankelijker van zijn gehoor, want de stap om bij onvrede over te stappen naar een andere kerk was voor de mensen minder groot geworden. De positie van de predikant werd daarmee kwetsbaarder.
Verder bracht de scheiding tussen kerk en staat een aanzienlijke verkerkelijking van het predikantschap met zich mee en de publieke kant aan zijn positie bladderde er gaandeweg van af.
Neem je de twee ontwikkelingen van de (eerder genoemde) individualisering en verkerkelijking samen, dan knaagt dat van twee kanten aan de invloed van de kerk. Want hoe meer het individu en de samenleving een eigen leven gaan leiden, des te meer taant de invloed van kerk en predikant! Die ontwikkeling werkt door tot op vandaag.

Ambt, persoon, beroep
Als het gaat om binnenkerkelijke veranderingen met grote gevolgen voor het predikantschap, zou ik me willen beperken tot een ontwikkeling in het laatste kwart van de vorige eeuw. In vrij korte tijd is - ook in onze kerkende betekenis van ‘het ambt’ sterk afgenomen. Vroeger kon een zin als ‘het is toch de dominee’ de kritiek op de weinig boeiende preken van de voorganger nog wel eens matigen, maar die paraplu werkt anno 2003 niet meer. En dat raakt niet alleen de zondagse diensten, maar ook andere werkzaamheden als pastoraat en catechese. De positie van de predikant is daardoor minder beschut geworden dan het wel eens geweest is. De gevolgen daarvan zijn zichtbaar in een toename van het aantal ‘losmakingen’ en het percentage predikanten dat er wel eens over denkt om buiten de gemeente werk te zoeken.2) ‘Het ambt’ is veel van zijn vanzelfsprekend en glans verloren en dat geeft een andere verhouding tussen predikant en gemeente. Hoe verder, is dan de vraag. Heitink denkt twee kanten uit, als hij schrijft: ‘Waar de beschermende mantel van het ambt wegvalt moet een predikant zich profileren, hetzij als deskundige, hetzij als persoonlijkheid’ (p.206). Beide ontwikkelingen hebben in zijn ogen dus iets compenserends en ik herken dat ook onder ons wel. De ruimte voor studieverlof, de conferenties, workshops, klinisch-pastorale-vorming, supervisie en intervisie - dat alles heeft op een of andere manier van doen met een professionalisering van het predikantschap.
Soms zit trouwens in dat aanbod en in de opkomst ook iets onrustigs en krampachtigs. Te overdadig en te gretig, alsof er in tijden van onzekerheid teveel van al die conferenties en toerustingscursussen verwacht wordt.
Tenminste, dat denk ik wel eens.

Gavengericht
Maar dat neemt niet weg dat de verschuiving van ‘het ambt’ in de richting van professie ook aan onze kerken niet is voorbijgegaan. Ook in het nederlands gereformeerde is het niet ongewoon dat predikanten aan trainingen en cursussen meedoen om zo de taken in de gemeente beter te kunnen vervullen.
Sommigen gaan daarbij ook de weg van verdere specialisatie.
Heitink bepleit dat in zijn boek en ziet dan graag dat zulke specialismen op een meer regionale wijze worden ingezet.
Een predikant, die zich bijvoorbeeld heeft gespecialiseerd in het pastorale kan dan regionaal de collega’s en zusterkerken dienen in toerusting en advies. Helemaal nieuw is dat niet, want zo gebeurt dat al in de SOW kerken, waar Heitink toe behoort, maar ook onder ons.
Op dit punt van de specialisatie raakt Heitink’s suggestie het gaven-gerichte denken, dat de laatste jaren in het kerkelijke meer aandacht heeft gekregen.
Toch blijft in Heitink’s aanbeveling het predikantswerk verder grotendeels bij het oude. Want in eigen parochie houd je gewoon die ene full-time kracht, die in de gemeente voor een aantal jaren simultaan aan zeer uiteenlopende taken werkt, zoals ik in de Opbouw van twee weken geleden schreef. Maar misschien kom je ook niet weg bij deze structuur, waarbij één vrijgestelde eigenlijk aan teveel uiteenlopende taken werkt. En met ‘teveel’ denk ik dan aan degenen, die dat eigenlijk niet voor elkaar boksen.
En ik zeg ook ‘teveel’ in het licht van die gaven-gerichte denkwijze, die gemeentebreed ingang heeft gevonden.
Alleen stopt dat denken, zodra de predikant in beeld komt.

Opsplitsen?
Strikt genomen, zo denk je dan, zou het toch mogelijk moeten zijn om in plaats van die ene fulltimer drie tot vijf mensen voor een dag of iets meer vrij te stellen. Zulke parttimers zouden dan als ambtsdrager - naast vier dagen ‘gewoon’ werk - de gemeente kunnen dienen op een bepaald segment van het kerkelijke. Zoals iets daarvan in Heemstede werd gerealiseerd, want daar leidde een bevlogen jeugdwerker - naast zijn ‘gewone’ baan van 30 uur - het club/catechese werk. De gemeente van Heemstede-Haarlem gaf hem financieel compensatie voor die ene dag. Zo zou je je ook heel goed kunnen voorstellen, dat iemand voor een dag leiding geeft aan het pastorale werk in de gemeente. Of de post betrekt van ‘lerend ouderling’, zoals Pieter van Kampen dat een aantal jaren in Wageningen deed, ook al schuilde er bij hem onder die vlag ook ander gemeentelijk werk. Of dat je iemand parttime vrijstelt voor evangelisatie of als muziekleider/cantor. Het aardige is dat je voor catechese, jeugdwerk, pastoraat en iets als gemeenteopbouw, en zeker voor de muziek, niet perse een theoloog hoeft te hebben. Al geldt ook voor de parttimers dat ze inhoudelijk iets goeds te bieden moeten hebben, deugdelijk verankerd in de bijbelse theologie. De Wittenberg zou op zulke ontwikkelingen mooi kunnen inspelen.

Flexibeler
Bovenstaande zou een alternatief voor de fulltime predikant kunnen zijn.
Ongetwijfeld zullen er ook aan deze inrichting van het gemeentelijke leven zwakke kanten zitten - bijvoorbeeld de samenhang tussen de verschillende segmenten. Dat zou in de praktijk getoetst moeten worden. Misschien dat er eens wat geëxperimenteerd zou kunnen worden in kleine gemeenten of gemeenten die te groot zijn voor één predikant, maar te klein voor twee.
Flexibeler zou het wel zijn, meer inspelend op de mogelijkheden, die de samenleving geeft. Om bij de donkere kant te beginnen. Mocht het op zo’n part van het gemeentewerk niet goed lopen, dan is het gemakkelijker op te vangen, dan wanneer het met die ene fulltime kracht niet lukken wil. Vaak zal iemand, die in het kerkelijke werk niet slaagt, wel weer uit die ene dag terug kunnen stappen om vervolgens weer fulltime zijn ‘gewone’ werk te gaan doen. Bovendien gaat het in zo’n geval maar om één onderdeel van het kerkelijk werk en zit je als gemeente minder met de handen in het haar.
Als het wel goed gaat, zou het kerkelijk werk wel eens breder kunnen worden dan voorheen. Veelkleuriger wellicht en met nog iets meer feeling voor het alledaagse leven.
Met niet meer alleen academisch geschoolde theologen, maar ook HBOopgeleiden en überhaupt een minder strakke binding tussen theologie en gemeentewerk. Heitink (en daarachter Graafland) zegt ook ergens dat een volkskerk (met veel leden, maar een minder hoge graad van betrokkenheid) baat heeft bij sterk leiderschap, terwijl een mondige gemeente zelf de functies van het ambt voor een belangrijk deel zal kunnen uitoefenen. De nederlands gereformeerde kerken behoren door de bank genomen tot die tweede categorie en lijken me wel geschikt om op dit terrein eens iets uit te proberen.

Meer gemeentelid
Tenslotte zouden deze parttimers zich ook wel eens meer gemeentelid kunnen voelen dan de doorsnee dominee.
Hoe goed ik het gemeentelijk ook heb (en had), dat gevoel van ‘gemeentelid tussen de gemeenteleden’ ben ik in vijftien jaar predikantswerk wel een beetje kwijtgeraakt.
Als predikant ben je voorganger, en ook nog eens voorbijganger - een woordspeling, die ik zowel bij Verbree als Heitink tegenkwam.
Dat voorgangerschap haalt je al uit de kerkbank, omdat je in de belangrijkste segmenten van het gemeente-
zijn als predikant een min of meer centrale rol hebt. En de leiding van de zondagse diensten maakt wel het meest direct zichtbaar dat je je plekje tussen de mensen hebt opgegeven om in de dienst te kunnen voorgaan. ‘Gewoon’ gemeentelid ben je dus niet meer, terwijl ik ouderlingen en diakenen nooit heb horen zeggen dat ze zich in hun ambtstijd minder gemeentelid voelden.
En dan ben je ook nog eens voorbijganger, waardoor het gemeentelijk verblijf in de schaduw van het tijdelijke ligt - meer dan bij ‘gewone’ gemeenteleden.
3 Een beroep of de dreiging ervan of juist het uitzien naar zo’n appèl van elders, maakt je ergens tot een pelgrim. Nee, niet dakloos, maar er hangt wel een sfeer van voorlopigheid rond wonen en werken.
Door zowel het één als het ander blijft een predikant toch ergens een vreemde eend in de bijt van de gemeente.
Misschien zou dat na het opknippen van de taken minder zijn. Terwijl het me anderzijds geen moeite kost om tal van momenten te noemen, die heel bijzonder waren (en zijn) in dit directe werk voor Gods Koninkrijk als voorganger en voorbijganger. Over compensatie gesproken!
Volgende keer nog iets over de personalisering van het predikantschap, die ons als nederlands gereformeerden minstens zoveel parten speelt als de professionalisering.

Noten:
1. Het openingscitaat - één dag uit het leven van Johannes van den Honert - is te vinden in het boek van Gerben Heitink, Biografie van de dominee, in 2001 verschenen bij Ten Have (prijs 22,50 Euro). Het andere boek dat in deze artikelen een rol speelt (ook met een biografische tint) is geschreven door: Adrian Verbree, Eclips, in 2003 verschenen bij Plateau (prijs 13,75 Euro).
2. In 2001 bracht het predikanten-tijdschrift Michsjol een thema-nummer uit onder de titel ‘Predikant, voor even of het leven’. Uit de opgenomen enqueteuitslag onder SOW predikanten blijkt dat twee van de drie predikanten wel eens (of geregeld) denkt aan een overstap naar ‘gewoon’ werk.
3. Dat was anders in vroeger tijden. Tot het laatste kwart van de 18e eeuw was de mobiliteit onder predikanten laag. De helft diende levenslang één gemeente (p.264). Toch zullen maar weinigen naar die situatie terug willen, want zo’n levenslange verbintenis heeft ook zijn schaduwkanten.
willen, want zo’n levenslange verbintenis heeft ook zijn schaduwkanten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief