Wennen

2006-03-31
  • Jaargang 50
  • nummer 7
‘Koooh-fieieieie’, galmt het door het trappenhuis. Koffie? Ik zit net middenin een verhaal dat morgen klaar moet zijn.
Ik zucht diep, maar druk onmiddellijk schuldbewust de opgekomen irritatie weer de kop in; het is natuurlijk pure luxe dat je alleen maar naar beneden hoeft te lopen voor de koffie. Soms haalt de man van mijn leven er zelfs bij het bakkertje om de hoek iets lekkers bij. Ik tik gauw nog even een zinnetje, sla het bestand op en ga naar beneden.
Het loopt tegen tienen; mijn echtgenoot heeft zijn mailtjes gecheckt en waar nodig beantwoord, de eerste telefoontjes van de dag zijn gepleegd en nu vindt hij het tijd om samen koffie te drinken. Het is een vrijwel dagelijks patroon dat in de afgelopen anderhalf jaar is ontstaan. Gezellig. Knus. Niks mis mee. Ik snap dat velen jaloers zijn. En toch is het nog steeds een beetje wennen. Het blijft namelijk niet bij 10 uur koffie drinken; we hebben tegenwoordig over de hele dag een keurig geregeld leven en dat ben ik niet zo gewend. Dertig jaar lang bepaalde ik mijn eigen dagritme.
In vroeger dagen was dat nog op de kinderen afgestemd; met hun intrede op de middelbare school werd dat al minder en toen ze eenmaal de deur uit waren was moeder volledig eigen baas. Een kleine zelfstandige, zal ik maar zeggen, zeer geïnspireerd door de sterke vrouw uit Spreuken 31 (Willibrord Vertaling) met nauwelijks vaste tijden. Dat kon makkelijk want mijn man ging ergens tussen negen en tien uur de deur uit en kwam iedere dag op een ander tijdstip weer binnen. Áls hij ’s avonds al thuis kwam om te eten dan was het meestal haast je rep je vanwege een of andere verschrikkelijk belangrijke bijeenkomst.
Menig actief gemeentelid zal dat herkennen; ik wil de ambtsdragers niet de kost geven die zonder een fatsoenlijke warme maaltijd aanschuiven op een kerkenraadsvergadering. Voor ons is dat dus verleden tijd. Het leven is duidelijk en overzichtelijk geworden; we zijn een keurig gereformeerd predikantsechtpaar.
Maar vorige week. Onder de koffie. Om acht over tien. Toen drong er iets tot me door. Ik schrok er helemaal van: ‘Volgens mij vertel jij mij niet meer zo veel als vroeger’. Mijn man keek me aan met de glazige blik die onze kinderen ook konden hebben toen ze zo’n jaar of vier, vijf waren en ik iets over school vroeg. Hij antwoordde zelfs letterlijk hetzelfde: ‘Maar je wéét toch alles!’om er aan toe te voegen ‘We zijn nog nooit zoveel bij elkaar geweest als tegenwoordig.’ Dat laatste is waar, maar het eerste waagde ik toch te betwijfelen. In de meer hectische perioden in ons leven waren we ons namelijk zeer bewust van onze kwetsbaarheid en namen we heel gericht tijd en moeite om niet alleen de ditjes en datjes van alledag te bespreken, maar ook om door te filosoferen over de dingen die gebeuren en over bijbelse kwesties waar we tegen aanliepen. We waren er alert op dat we niet uit elkaar groeiden en gingen met een zekere regelmaat op stap om eindeloos door te kletsen.
Na even doorpraten moest mijn echtgenoot me gelijk geven, maar gelukkig is hij, ondanks het geestelijk ambt dat hij nu bekleedt, dezelfde daad-bij-hetwoordvoeger gebleven; resoluut pakte hij zijn agenda: ‘Deze week lukt niet. Hoe zit jij volgende week vrijdag?’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief