Gewone talen en natuurlijk Nederlands
2004-05-28
Ieder die in zijn bijbel kent beseft dat de taal van de bijbel geen alledaagse spreektaal is. Bekend is de uitdrukking 'de tale Kanaäns', om daarmee het ongewone, ouderwetse en plechtige taalgebruik van de bijbel te typeren. Dat heeft ten onrechte de suggestie gewekt dat bijbeltaal een apart soort taal is, terwijl het een taal is als iedere andere.- Jaargang 48
- nummer 11
Zoals elke taal is de bijbeltaal geschikt zowel voor verheven en literair fraaie teksten als voor prozaïsche, zakelijke en soms platte. Maar wel een taal met een heel andere structuur dan de onze, en een oude taal die gevormd is door de cultuur van z'n tijd. De vertaler moet met al die zaken rekening houden, maar behoeft de taalkundige eigenaardigheden van de 'grondtaal' niet in onze taal te laten doorkomen.
Het gaat om wat in die taal medegedeeld wordt, de tekst, en die moet in natuurlijk Nederlands worden weergegeven, en daarom wil de NBV 'brontekstgetrouw' en 'doeltaalgericht' zijn.
Maar een tekst is nu eenmaal 'talig' en daarom is er soms discussie mogelijk over wat een 'taalkenmerk' en wat een 'tekstkenmerk' is en wat dus in de vertaling bewaard moet blijven.
Geen heilige taal
Een fundamenteel uitgangspunt is dat Hebreeuws en Grieks geen bijzondere talen zijn en dat daarop dus de regels van de algemene taalwetenschap van toepassing zijn, wat natuurlijk gevolgen heeft voor het vertalen.
Hebreeuws is, zoals de bijbel zelf zegt, 'de taal van Kanaän', d.w.z. de taal die de Israëlieten bij de intocht in Kanaän daar aantroffen, en is dus niet een taal die om haar speciale kwaliteiten uitgekozen werd om vertolker te zijn van Gods openbaring. Veel Hebreeuwse woorden, waaronder ook namen voor offers, zijn van Kanaänietische oorsprong. Natuurlijk heeft die taal daarna een ontwikkeling doorgemaakt en is ze gekleurd en gevormd door het gebruik door geïnspireerde sprekers en schrijvers. Maar daarmee is haar taalkundige structuur niet 'geheiligd'.
Men heeft vroeger wel uit de structuur van een taal diepzinnige conclusies getrokken over de denkwijze en wereldvisie van haar sprekersen die van de Israëlieten zou dan via de bijbel goddelijk gezag genietenmaar dat is niet terecht.1) Bij het eigene gaat het vooral om de betekenis en 'vulling' van voor het geloof van Israël belangrijke woorden en begrippen, waar de vertalers dan ook veel aandacht aan schenken. Maar ook daarbij moet men voorzichtig zijn, want veel Hebreeuwse termen zijn de neerslag van de oudoosterse cultuur - ook het bijbelwoord is 'vlees geworden' - en hun taalkundige inhoud mag men niet zomaar als een stukje openbaring beschouwen.
Geen normatief mensbeeld
Het woord 'gerechtigheid', vooral in de zin van sociale gerechtigheid, met de implicatie van kwijtschelding van schulden, komt uit Babylonië en sluit haast naadloos aan bij wat Israël gelooft over Gods bevrijdende 'gerechtigheid' en de Paulinische 'gerechtigheid', die roemt tegen het oordeel.2) De bijbel ziet het 'hart' als centrum ('uit het hart zijn de uitgangen des levens') van denken, weten, geloven van de mens, met alle beelden en metaforen die daarbij horen. Maar dat vindt men net zo, en al veel eerder, in Babylonië en Egypte, want in het mensbeeld van de oudheid speelden de hersenen, waarin wij deze zaken vooral lokaliseren, geen rol. We moeten ervoor oppassen dit oudoosterse mensbeeld zonder meer voor bijbels en normatief te verklaren en b.v. te gebruiken als argument tegen transplantatie van een hart. Zulke woorden, ook 'ziel', 'hoofd', 'arm' en 'hand', worden, net als in onze taal, vaak overdrachtelijk gebruikt. Dan moet je in 'natuurlijk Nederlands' soms een andere vertaling kiezen, maar gelukkig blijft 'Gods sterke hand' in de NBV bewaard. Wie zijn eigen taal kent weet dat ook daar variatie mogelijk en soms nodig is, en dat in het algemeen voor het begrijpen van woorden hun etymologiewat betekent het eigenlijk/oorspronkelijk - meestal amper een rol meer speelt. De gangbare betekenis en de samenhang van de tekst zijn bepalend.
Clubtaal
In het eerder genoemde themanummer van Opbouw (p. 216) schrijft De Jong, dat voor hem 'de bijbel ook in zijn vertaling het merk van zijn oorsprongstijd mag blijven dragen' en niet de indruk moet maken van een 'eigentijds taalmonument'. Ik ben het daarin voor een deel met hem eens en de NBV is in de loop der jaren ook terughoudender geworden met wat men 'expliciteren' en 'transculturatie' noemt (we vinden weer woorden als 'vredeoffer' en 'centurio'). Maar men blijft waken tegen onnodig 'archaïserende' en 'exotische aandoende' vertalingen, die de indruk wekken dat de bijbel een vreemd, ouderwets boek is, dat een ongebruikelijke taal bezigt, die in de vertaling zou moeten doorklinken (als in het 'Nederhebreeuws' van de 'vertalingen' van Albert Koster). 'Een zekere moeilijkheidsgraad is toegestaan, want een literaire tekst behoeft niet op het eerste gehoor volkomen duidelijk te zijn en de liturgische functie van de vertaling brengt mee dat "bepaalde bijbels-theologische of traditionele termen" gebruikt kunnen worden,' aldus de NBV-commissie.3) Dat laatste sluit aan bij het feit dat allerlei levensverbanden (beroepsgroepen, ambachten en clubs) een vaak historisch bepaald vakjargon of groepstaal kennen. Die is soms moeilijk te vertalen en wie echt mee wil doen en begrijpen waarom het gaat moet ze maar leren. Dat geldt ook voor de bijbel en de kerk, waarbij catechisatie, bijbelclubs en leerdiensten een belangrijke taak hebben, maar dat betekent niet dat de vertaling niet op duidelijkheid en verstaanbaarheid moet mikken. De marges zijn hier niet altijd scherp aan te geven, maar NBV wil 'het merk van de onstaanstijd' op taalkundig niveau terecht beperkt houden.
De Jongs wens om termen als 'God der goden' en 'Heer der heren' te handhaven overtuigt mij daarom niet erg. Het vergelijkbare 'lied der liederen' (het Hebreeuws kent nu eenmaal geen overtreffende trap en moet het zo wel uitdrukken) werd al eeuwen geleden met 'Hooglied' weergegeven.
Ouderen die de bijbel kennen willen, misschien met een zekere nostalgie, vertrouwde termen graag handhaven, al kunnen die goed door moderne equivalenten worden weergegeven.
Maar men kan natuurlijk ook argumenteren dat 'Heer der heren' een op de oude koningstitulatuur ('Koning der koningen') geënte term is, die men kan handhaven, omdat die titulatuur nog steeds archaïsche trekken vertoont. U begrijpt dat afweging hier moeilijk is.
Spanning
De NBV wil brontekstgetrouw en doeltaalgericht.
De bron-taal, dus taalkundige structuren en eigenaardigheden van het Hebreeuws of Grieks, en dus allerlei 'taalkenmerken' hoeven in de vertaling niet zichtbaar te blijven, mits de vertaling recht doet aan de bron-tekst, zijn inhoud en ook aan zijn eigen kenmerken, stijl, genre, zelfs eventuële onvolkomenheden. Dit principe brengt spanning mee, want een tekst bestaat uit taal en men kan er van mening over verschillen wat als taalelement in de vertaling zou mogen verdwijnen en wat als tekstelement zichtbaar moet blijven.
Taal is een communicatiesysteem, uitgerust met allerlei 'tekens', die per taal kunnen verschillen. De woordvolgorde (b.v. in een vraagzin, of om een woord nadruk te geven) is in het Hebreeuws anders dan in het Nederlands.
Het Hebreeuws kent weinig bijvoeglijke naamwoorden die van zelfstandige naamwoorden zijn afgeleid en ook geen samengestelde woorden.
Taalkundig is er daarom niets tegen om in onze taal, die beide wel kent, het 'offer van de avond' vertalen als 'avondoffer', 'koning der gerechtigheid' als 'rechtvaardige (soms: wettige) koning' en 'koninkrijk der hemelen' met 'hemels koninkrijk'. Het Grieks gebruikt vaker zelfstandige naamwoorden dan wij, en daarom is het soms duidelijker om in een brief van Paulus 'uw kennis' te vertalen met 'wat u weet', 'onze gedachten' met 'wat wij denken', of 'uw roeping' met 'dat u geroepen werd'.4) De al vóór de Statenvertaling begonnen vertaaltraditie realiseerde zich dit soort verschillen in taalsystematiek amper. Daarom zijn kerkmensen aan zulke letterlijke 'overzettingen' gewend, maar dat is geen reden om ze in een vertaling in 'natuurlijk Nederlands', die duidelijk en voorleesbaar wil zijn, te handhaven.
Kritisch
Het onderscheid tussen brontaal en brontekst is ook belangrijk voor wat men 'concordant vertalen' noemt, d.w.z. de vraag of Hebreeuwse en Griekse woorden ook steeds met hetzelfde Nederlandse equivalent weergegeven moeten worden.5) Sommige belangrijke woorden (vlees, ziel, zaad, gerechtigheid, enz.) hebben veel betekenisnuances, die lang niet allemaal onder één Nederlands equivalent te vatten zijn. Bovendien zijn er verschillen tussen het woordgebruik van b.v. Paulus, Jacobus en Johannes.
De bekende uitspraak over Christus (2 Kor. 5:21), 'Hem die geen zonde gekend heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt', wordt pas begrijpelijk als je beseft dat het Hebreeuwse woord voor zonde zowel de daad, als de gevolgen ervan (schuld), als de straf ervoor kan aanduiden, en dat deze tekst zegt dat Christus een zondoffer werd. Bijbellezers weten dat 'gerechtigheid doen' soms vertaald moet worden met 'aalmoezen geven'.
Strikte concordantie kan leiden tot onduidelijkheid en daarom is variatie soms nodig. Soms, dus niet vaker dan nodig is, vandaar het principe van 'beperkte concordantie'. Dat geldt ook voor wat men wel 'motiefwoorden' noemt, die als een rode draad door een verhaal of betoog kunnen heenlopen en waarmee soms 'gespeeld' wordt. Maar je moet wel kritisch zijn, want er zijn theologen die wel erg veel zulke woorden ontdekken.
Ik bespeur dat ook als het rapport over de NBV van onze waarnemers bij de RCOB zegt dat 'motiefwoorden in de vertaling telkens met een ander woord worden weergegeven', en dat is erg overdreven.
Sommigen denken dat allerlei woorden in de bijbel zo betekenisvol waren, dat een Israëliet zich meteen hun gebruik in een andere bijbelpassage herinnerde en ze daarmee associeerde. Dat zal soms zeker het geval geweest zijn, bijvoorbeeld als de terugkeer uit de ballingschap beschreven wordt met termen die ontleend aan het verhaal over de uittocht uit Egypte.
Maar lang niet altijd en zulke (vermeende) associaties hebben altijd iets subjectiefs en soms gaat men te ver.
De criticus die het Hebreeuwse woord voor 'zeewier' (dat volgens Jona's gebed, 2:5, om zijn hoofd zat) zo wil vertalen dat de lezer de link kan leggen met de 'Rietzee' (de 'Zeewierzee'?) van de uittocht zal geen gelijk krijgen. Er moeten hier weloverwogen keuzes gemaakt worden en de voorstelling die men van een antieke lezer of hoorder heeft is soms niet erg realistisch.
1) Dat gebeurde in de zestiger jaren, toen het in de mode was op grond van vooral taalkundige argumenten het "Hebreeuwse denken" (dat tegelijk het bijbelse denken was) sterk af te zetten tegen het "Griekse denken".
2) Ik wees daarop in mijn afscheidscollege, Recht en gerechtigheid in Babylonië, Leiden, 2001, p. 12v.
3) Vgl. Werk in uitvoering 2 (2000) p. 377, met ibidem p. 369v. "Taal, tekst, èn cultuur". Vgl. ook de NBV-project brochure no. 10 (1999), Over archaïsmen en hollandismen.
4) Ik ontleen deze voorbeelden aan een boeiend artikel van L. Wierenga, "Een kritische analyse van 1 Korinthiërs", in Met Andere Woorden 19/4 (2000), 83-91.
5) Bij "concordant" vertalen past een alfabetisch opgezette concordantie (bekend is die van Trommius, die veel Gereformeerden vroeger naast de Statenvertaling gebruikten), waarin je bijbelwoorden gemakkelijk kunt opzoeken en zo "schrift met schrift vergelijken".