Nog eens: Avondmaal
2004-07-16
In de een na laatste Opbouw van vorig jaar (5 december 2003) nam ik in deze rubriek een gedeelte over van een artikel van de vrijgemaakt gereformeerde ds. K. de Vries; hij pleitte daarin voor een royalere toelating tot het Avondmaal van gasten van buiten de eigen, vrijgemaakte kerken. Zoals te verwachten riep zijn pleidooi de nodige vragen op binnen de GKV. In De Reformatie van 5 en 12 juni antwoordt De Vries op de reacties van zijn collega’s J.W. van der Jagt en R.Timmerman.- Jaargang 48
- nummer 14
Ik neem een tweetal passages over. In de eerste gaat De Vries in op wat Van der Jagt had geschreven vanuit het klassieke denken over ware en valse kerken:
Ik heb er () moeite mee dat in de manier waarop Van der Jagt redeneert het gelijk in alle kerkelijke verdeeldheid zo stellig en vast en zeker aan onze kant wordt gepositioneerd dat allen die aan de andere kant van de streep staan dus per definitie handelen in strijd met Gods bevel. Zo annexeer je wel heel snel de taal van de gereformeerde belijdenis voor je eigen kerkelijke positie. Mag het op zijn minst wat voorzichtiger en bescheidener?
Er zit in deze gebroken werkelijkheid immers een behoorlijke afstand tussen norm en werkelijkheid.
Juist het avondmaal verkondigt de boodschap van Gods grote genade. Ik leef daarvan. Wil God onze gasten daarin laten delen?
Dan het slot van De Vries’ betoog.
Uit mijn vorige artikelen - zo blijkt uit de reacties van Timmerman en Van der Jagt - kan opgemaakt worden dat mijn hoofdargumenten vooral van horizontale aard zijn. Het gaat dan om gastvrijheid op menselijk vlak, naar de medechristenen toe.
Waarschijnlijk heb ik niet duidelijk genoeg benadrukt dat het hoofdargument voor mij is: Christus is de eigenlijke gastheer. Wij dienen ervoor te waken niet te weren, wie Christus juist nodigt aan zijn tafel.
Kerkelijke verscheurdheid is erg, een zonde voor Gods aangezicht, waarover gesproken dient te worden. Maar gaat het niet te ver om op grond van die verscheurdheid de toegang tot de maaltijd van Christus exclusief te reserveren voor de leden van de eigen gemeente en de zusterkerken?
Misschien schiet ik door wanneer ik overweeg ook roomsen of baptisten die enkele keer dat het voorkomt, niet tegen te houden wanneer ze in een gereformeerde kerkdienst te gast willen zijn, ook aan het avondmaal. Ik hoor daarvoor graag argumenten.
Maar hebben onze voorvaders in 1581 de huidige verscheurdheid van gereformeerden ooit kunnen voorzien? En hebben ze met hun formuleringen werkelijk bedoeld dat in die verscheurdheid alleen de leden van één bepaald kerkverband welkom zouden zijn met uitsluiting van andere gereformeerden?
In plaats van het aangaan van anders-gereformeerden te zien als miskenning van de verscheurdheid zou het ook gezien mogen worden als een hoopvol voorteken van en appèl op het herstel van de eenheid tussen alle broeders en zusters, die eenmaal werkelijkheid zal zijn.
Mijn beide gesprekspartners wijzen erop dat ik voornamelijk op mijn gevoel af ga en argumenten overleg die liggen op het emotionele vlak. Dat klopt en ik heb daar niet geheimzinnig over gedaan. Tussen de regels door lees ik dat mijn collega’s dat niet zo sterk vinden. Mijn reactie: ik zou willen dat mijn collega’s hun gevoel eens wat meer lieten spreken. Niet dat ze dan automatisch bij mijn standpunt moeten uitkomen. Maar verstand is niet bij voorbaat minder verduisterd dan gevoel. Ik zie mijn collega’s veel logisch redeneren en argumenteren.
Daarin getroosten ze zich veel moeite om recht te doen aan het avondmaal.
Daarnaast proef ik bij hen ook gevoelens van pijn om de verdeeldheid.
Maar het is net of die in hun argumentatie niet mogen meespelen.
Maar als conclusies enkel op logische redeneringen gebouwd zijn, loop je het gevaar de gebrokenheid van het leven te weinig in rekening te brengen.
Onze logica breekt stuk op de weerbarstige werkelijkheid van een zondige christenheid en een verscheurde kerk. Daardoor loop ik nu zondag aan zondag aan broeders en zusters voorbij met wie ik straks - als God het geeft - aan mag zitten aan het bruiloftsmaal van het Lam. Die spanning krijgen we hier op aarde niet onder de knie. En misschien moeten we dat ook maar niet proberen.
Door met logische conclusies en sluitende redeneringen wel het overzicht en de controle te bewaren, maar tegelijk onrecht te doen aan de werkelijkheid van verstrooide gelovigen, een werkelijkheid die onoverzichtelijk en oncontroleerbaar is.
Mijn collega’s zijn bang dat aan de verantwoordelijkheid van de kerkenraad en aan de heiligheid van de tafel tekort gedaan wordt. Ik ben ook ergens bang voor.
Wij kiezen ervoor avondmaal te vieren in openbare samenkomsten. Iedereen mag binnenkomen. Een enkele keer zijn er medechristenen te gast. Wij heten hen welkom. Ze doen aan alles mee. Alleen bij de tafel moeten ze halt houden, ook als ze graag aangaan.
Ik ben best bang dat Christus het mij eenmaal zal verwijten: je hebt afgewezen die Ik aanvaard en tegengehouden die Ik nodig.