Evangelisch of humanistisch?1

2003-03-14
  • Jaargang 47
  • nummer 6
Eén van mijn favoriete vormen van tijdsdoding is het rondsnuffelen in christelijke boekhandels. Als je je oog laat glijden over de titels op al die ruggen, dan krijg je een heel aardig beeld van wat er leeft in de christelijke wereld.
Opvallend daarbij vind ik dat de laatste jaren - veel meer dan daarvoorde pastorale benadering overheerst.
Dit geldt heel breed, over het hele spectrum reformatorisch-evangelischoecumenisch.
Iets meer inzoomend op de evangelische literatuur (Nederlands èn vertaald uit vooral het Engels), zie ik met name de volgende thema’s veelvuldig opduiken:

1. Acceptatie
Centraal staat de gelovige die zich aan alle kanten tekort voelt schieten: te dik, te druk, te weinig tijd voor gebed en voor de kinderen, enzovoorts. De boodschap is dan: God heeft je lief!
Hij heeft jou gewild en Hij kent je door en door. Je mag er zijn als mens zoals je bent, met al je fouten en gebreken.
Theologisch gesproken wordt de acceptatie onderbouwd zowel vanuit de schepping (God heeft jou bewust gewild) als vanuit de herschepping (omwille van Jezus’ dood en opstanding neemt God je vol liefde aan).

2. Genezing
Als mens is er veelal sprake van wonden, geslagen in het verleden. God wil je daarin helpen en helen. Hij geeft innerlijke genezing en kracht. Er is hoop op verbetering van de situatie.

3. Groei
God heeft een plan met je leven. Je mag groeien in geloof en God meer en meer vertrouwelijk leren kennen. Je geestelijk leven kan verrijkt en verdiept worden. De invalshoek hierbij is vooral: de Geest gaat in je leven aan het werk.

4. Gaven
Ieder mens heeft bepaalde mogelijkheden.
Als gelovige krijg je bovendien van de Heilige Geest genadegaven (charismata), die je mag benutten tot opbouw van de gemeente. Door je gaven te ontdekken en te gebruiken kom je tot je bestemming. Zo bezien is het benutten van je gaven een specifieke vorm van geestelijke groei, waardoor je zelf verrijkt wordt en voor anderen meer kunt betekenen.

5. Overwinning
In Gods kracht mag je grote dingen verwachten, je mag gaan staan in de overwinning. Dit thema wordt verschillend uitgewerkt. Breed leeft de gedachte van de strijd tegen de zonde, waarin je door Gods kracht overwinningen mag zien. Daarnaast zijn er stromingen waarin veel accent ligt op de overwinning op satan en zijn trawanten.
Het gaat dan over de geestelijke strijd tegen demonische machten.
Ook zijn er mensen die vooral de overwinning op ziekte benadrukken.

(Niet alleen) opwekkingsliederen
Het is niet erg moeilijk om tal van Opwekkingsliederen te citeren waarin deze thema’s centraal staan. Zomaar een greep: ‘Houd mij vast, laat Uw liefde stromen. Houd mij vast, heel dichtbij Uw hart’ (bij 1), ‘O, geef Hem al je pijn en moeite, en de jaren van verdriet, en nieuw leven vangt dan aan in Jezus’ naam’ (bij 2), ‘Kom tot Uw doel met ieder van ons’ (bij 3), ‘Ik geloof in God de Trooster, gaven van de Heil’ge Geest’ (bij 4; de gaven zijn een uitbreiding ten opzichte van het Apostolicum, waarop dit lied gebaseerd is!), ‘Hij komt in majesteit, brengt overwinning in de strijd’ (bij 5).
Hoewel ik het nu heb over ‘evangelisch’ en mijn punten illustreer met Opwekkingsliederen, zou ik de kring niet te klein willen trekken. Ook de reformatorische wereld is diep doortrokken geraakt van de genoemde thema’s. Maar de oorsprong ervan ligt toch vooral in de evangelische wereld.
Vandaar de Opwekkingsliederen, die bovendien veel nauwkeuriger de ‘tijdgeest’ weergeven dan Psalmen of Gezangen, simpelweg omdat ze jonger zijn en de ontwikkelingen dus op de voet volgen.
Persoonlijk merk ik hoezeer ik mede gestempeld ben door deze vijf accenten.
Niet alleen zing ik met vreugde de opwekkingsliederen mee, het hele denken in termen van gaven, groei, overwinning etcetera is een deel van mijn leven geworden.

Geween en tandengeknars?
Toch is de laatste jaren ook een zekere onrust over mij gekomen. Als ik door de Evangeliën bladerde, kwam ik weliswaar gedeelten tegen die heel bruikbaar waren (Zacheüs, die door Jezus onvoorwaardelijk geaccepteerd wordt; de verloren zoon, die de moeite waard is; de overspelige vrouw), maar ook opvallend veel gedeelten die ik niet bruikbaar vond voor bijvoorbeeld een bijbelkring. De gelijkenis van het bruiloftmaal eindigt ermee dat de man zonder bruiloftskleed aan handen en voeten gebonden wordt en in de buitenste duisternis wordt geworpen, waar het geween is en het tandengeknars (Mattheüs 22). In de gelijkenis van de talenten overkomt de luie slaaf iets dergelijks (Mattheüs 25). En Jezus’ woorden over de Farizeeën, over Betsaïda en Chorazin hebben weinig te maken met acceptatie, genezing en groei.
Dus die gedeelten sloeg ik lange tijd keurig over. Ik ben niet de enige, geloof ik. Het geween en tandengeknars kom je in evangelisch getinte boeken niet zoveel tegen.

De stationsboekhandel en Maslow
Van de christelijke boekhandel naar de stationsboekhandel: een tweede keus als het gaat om tijdsdoding, maar zeker niet minder leerzaam. Wat blijkt?
Allerlei thema’s uit de evangelische theologie duiken hier opnieuw op, maar dan iets anders getoonzet en in een seculier kader. Het gaat om zelfwaardering, groei van je persoonlijkheid, ontplooiing van je capaciteiten, ontwikkeling van je identiteit. Deze literatuur heeft verschillende achtergronden. De New-Age-beweging speelt een belangrijke achterliggende rol, op haar beurt weer beïnvloed door de gnostiek, de psychologie van Jung en allerlei andere stromingen. Een heel invloedrijke bron is de humanistische psychologie. Eén centrale vertegenwoordiger daarvan kennen we allemaal van de middelbare school: Abraham Maslow met zijn behoeften-piramide.
De mens streeft in de visie van Maslow naar zelfverwerkelijking. Dat is zijn levensdoel. Maar om daaraan toe te komen, moet eerst worden voorzien in allerlei andere behoeften. Zo heeft de mens fysiologische behoeften (eten, drinken, enzovoorts), behoefte aan veiligheid (een dak boven het hoofd, bescherming tegen diefstal), behoefte aan geborgenheid (liefde, zorg) en behoefte aan waardering (gemist worden als je er niet bent, een pluim op de hoed). Als op deze vier vlakken de zaken in orde zijn, werkt de mens verder aan zelfontplooiing, ofwel zelfverwerkelijking.

Inpasbaar
Opvallend is nu dat de vijf evangelische thema’s uit onze boekhandels moeiteloos in de gedachtelijn van Maslow zijn in te passen. De eerste twee (acceptatie en genezing) liggen dan ongeveer op het niveau van de behoefte aan geborgenheid, de andere drie (gaven, groei en overwinning) op de niveaus van behoefte aan waardering en zelfontplooiing.
In veel opzichten sluiten de vijf genoemde items uit de evangelische theologie perfect aan bij ons mens-zijn nu. Het is ook bepaald geen wonder dat in onze tijd en cultuur, met haar specifieke vragen, juist deze aspecten van de bijbelse boodschap voor ons oplichten.
Dat is volkomen legitiem. Toch mogen we het daar niet bij laten.
Want bovenstaande noties - hoe sympathiek ook - doen zonder aanvulling toch tekort aan het totaal van het bijbels getuigenis. Wat doen we met het geween en het tandengeknars? Wat doen we met de ziekte die niet genezen wordt, de gebrokenheid die maar niet geheeld wordt en de dood?
Graag stel ik als aanvulling vier bijbelse impulsen voor.

Eerste impuls: het bittere lijden
In zijn boeiende boek ‘Tegen de stroom in’ (een onderzoek onder 54 kerktoetreders) vertelt Piet Schelling over een vrouw die vastliep in evangelische kring.
‘Al zoekend was zij in een pinkstergemeente terechtgekomen. Daar voelde zij zich thuis. Totdat haar zoontje stierf.
Door dit verschrikkelijke verlies viel haar godsbeeld - almacht, grootheid, goedheid; Hij die wonderen doet; Hij als overwinnaar van alle kwade machten - in duigen. Ze kon niet meer zingen ‘God is goed en nimmer falend’.
Ze voelde zich niet langer thuis in deze gemeenschap waar haar godsbeeld was gevormd, hoewel de gemeente haar geweldig had opgevangen. In het ziekenhuis leerde ze een predikant kennen, bij wie ze ruimte kreeg voor haar boosheid, teleurstelling, verlatenheid. Door gesprekken kwamen wonderen in een heel ander licht te staan. ‘Dat is een openbaring voor mij geweest.’ Ze kwam in een gereformeerde kerk terecht, waar er ruimte was voor een ander godsbeeld, namelijk dit: God die er is, naast je. Geloven is nu voor haar ook: stilte, arm om je heen, niets zeggen.’ Je stuit in dit verhaal op de grenzen van het aardse bestaan: weerbarstig, keihard. Duidelijk is dat we er niet zijn met noties als genezing en overwinning zonder meer. Het lijden, de ellende die over ons heen rolt, nemen we daarmee niet serieus genoeg. In Romeinen 8, het ultieme hoofdstuk als het gaat om het thema ‘overwinning’, gaat het ook opvallend veel over het ‘zuchten’ van de schepping, van onszelf en zèlfs van de Heilige Geest. De schepping zucht omdat ze aan de vruchteloosheid onderworpen is, de zinloze ellende van ziekten, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en noem maar op. Wij zelf, ‘die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.’ Let wel: geen verlossing uit ons lichaam, maar van ons lichaam, lichamelijke verlossing dus, zoals we geloven in de lichamelijke opstanding.
En de Geest, die zucht met ons mee.
Eén belofte is ons gegeven: dat God alles doet medewerken ten goede voor degenen die Hem liefhebben.
Alles, dus ook niet genezen ziekten en andere verschrikkingen. Paulus schrijft zijn beroemde zin: ‘In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad.’ Wij hebgoede ben de neiging om een streep te zetten onder ‘meer dan overwinnaars’.
Maar als we ook een streep zetten onder ‘in dit alles’, doen we meer recht aan de Bijbel en voorkom je dat mensen stuklopen op het lijden dat niet wordt opgeheven.

Tweede impuls: het kwaad in zijn diepte
Een opvallende trek in onze cultuur is dat de schuldvraag als veel minder essentieel wordt ervaren dan in de tijd, waarin de samenleving gekenmerkt werd door vaste kaders en regels.
Mensen zoeken nu sterker dan vroeger naar onvoorwaardelijke acceptatie.
Kees Geluk zegt daar in het boekje De gevonden Vader (naar aanleiding van interviews met twaalf jongeren die kort daarvoor tot geloof waren gekomen) het volgende over: ‘Wat de inhoud en de betekenis van het geloof betreft horen we begrippen als rust, troost, bescherming en vertrouwen. God wordt beleefd als Vader, als praatpaal, als Iemand die je helpt in ellende, en Jezus voornamelijk als Vriend. (…) Opmerkelijk is dat begrippen als verlossing, verzoening, en vergeving in de verhalen niet aan de orde komen. Ook het begrippenpaar zonde en genade niet. Jezus wordt ook niet genoemd als Verlosser, Zaligmaker of Heiland. Er wordt niet verwezen naar de betekenis van zijn offer en van het kruis. Het zou interessant geweest zijn om na te gaan, waarom deze centrale gegevens niet door deze jongeren naar voren zijn gebracht.’ Ook al is acceptatie een bijbelse notie, daarmee alléén komt de diepte van het kwaad onvoldoende in beeld.
Wordt die diepte wel gepeild, dan kunnen we ook weer iets gaan begrijpen van de profetieën over oordeel en vergelding en de hoge prijs van de vergeving.

Kruis en slachtoffer
Daarbij is het veelbetekenend dat zulke bijbelse noties aansluiten bij de ervaring van slachtoffers van het bewust gepleegde kwaad. Ons rechtssysteem is in de ogen van veel slachtoffers teveel gericht op hulpverlening aan daders en te weinig op vergelding.
Terecht vraagt een slachtoffer om vergelding, om wraak.
Op dit punt wordt de positie van Jezus Christus hoogst actueel. God neemt het kwaad zó serieus, dat Hij niet zomaar vanuit de hemel wilde vergeven.
God Zelf is mens geworden in de persoon van Jezus Christus, om aan het kwaad ten onder te gaan. God heeft Zich in Christus tot het uiterste vereenzelvigd met de slachtoffers van het kwaad. Als slachtoffers de indruk krijgen dat niemand het hun aangedane kwaad echt serieus neemt, is daar die Ene, die dat wel doet. Het oordeel wordt niet verdoezeld, maar voltrokken, in drie uren van pikzwarte duisternis.
En het oordeel zal plaatsvinden aan het einde der tijden. Er zal eindelijk gerechtigheid zijn. Zoals een oorlogstribunaal noodzakelijk is om als volkeren weer in vrede te kunnen leven, zo is ook een eindoordeel nodig om definitief af te kunnen rekenen met de schuld van ons als mensen. Maar met dit verschil: wie heeft geleerd wat berouw betekent en tot erkenning van schuld gekomen is, mag in geloof uitzien naar vergeving omwille van het offer van Christus. Het recht heeft in dat geval zijn loop via het kruis. Door deze dingen opnieuw te doordenken, doen we recht aan de realiteit van het leven en aan het rechtsgevoel van mensen.

Offer en dader
Dat geldt evenzeer voor daders. Ik kan me niet voorstellen dat daders zich echt geholpen voelen door goedwillende christenen die gemakkelijk beginnen over de verloren zoon, acceptatie en een nieuw begin. Wie tot zich laat doordringen wat hij heeft aangericht, ervaart dat zijn geweten hem aanklaagt. Een God die het kwaad niet serieus neemt, neemt ook het schuldgevoel van de dader niet serieus.
Als je dronken achter het stuur een kind hebt doodgereden, ben je niet geholpen met een God die toch echt nog wel van je houdt omdat Hij nu eenmaal van iedereen houdt. Dan ben je wèl geholpen met een bloedig offer aan een kruis, in jouw plaats, een offer waarin God laat zien dat Hij exact aanvoelt wat recht is.

Nieuw leven
De boodschap van de opstanding laat zowel voor daders als voor slachtoffers de zon opgaan. Christus, die het lijden op Zich nam, tot en met de marteldood, ging daar doorheen en stond op in een nieuw leven. Dat geeft hoop voor slachtoffers en daders. Christus die de straf op Zich nam, plaatsvervangend, werd door God niet voor eeuwig tot het graf veroordeeld.
De noties van acceptatie en genezing hebben aanvulling nodig. Ze zijn niet voldoende om onze menselijke realiteit volledig te duiden en te doorlichten.
Het opnieuw doordenken van de boodschap van kruis en opstanding maakt onze boodschap vele malen relevanter, óók in de kader-arme samenleving waarin wij onze weg te gaan hebben.

Derde impuls: zelfopoffering en identiteit
Een derde aspect dat mij onrustig maakt is dat van de zelfgerichtheid.
De lijn acceptatie-genezing-groeigaven-overwinning kan ongewild de aandacht wel erg sterk richten op wie je bent als persoon. Zeker, het is meer dan ooit nodig dat verwonde mensen - gedeukt en gebroken en levend in een wereld zonder kaders - worden opgebeurd, getroost en geholpen. En ook is het belangrijk om te ontdekken, dat we waardevol zijn, dat er heling en groei mogelijk is, enzovoort. Maar tegelijk blijft staan, dat de Bijbel ons voortdurend voorhoudt dat juist de zorg voor de ander ons maakt tot mensen zoals we bedoeld zijn. Het tweede deel van het grote gebod speelt in het nadenken hierover een belangrijke rol: ‘Heb uw naaste lief als uzelf’.
De zelfliefde wordt door Jezus als een gegeven aangenomen. Zoals ook Paulus het zegt in Filippenzen 2:4: ‘… en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen’.
In beide gevallen wordt de zelfliefde niet veroordeeld, maar ook niet gestimuleerd. En in beide gevallen ligt de overgrote nadruk op de liefde tot de ander: God en de naaste. Jezus brengt ons bij die liefde in Zijn grote gebod en Paulus stelt de incarnatie en de ontlediging van Jezus aan ons ten voorbeeld.

Wie zijn leven verliest
Om die reden lijkt me de impuls op het punt van de zelfopoffering van groot belang. Ik ben me ervan bewust dat dit tegendraads klinkt. In een samenleving waarin mensen zoeken naar identiteit en geborgenheid lijkt het ongepast om op te roepen tot zelfontlediging en zelfopoffering.
Maar ten diepste gaat het hier om de grondregel: ‘Wie zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden’ (Mattheüs 16:25). Identiteit is wellicht te vergelijken met de slaap. Wie in bed ligt te denken: ‘Ik moet inslapen, ik moet inslapen’, zal de slaap niet vatten.
Maar wie zijn gedachten op andere dingen richt en de slaap vergeet, doezelt vanzelf weg. Misschien is dit wel de meest radicale breuk tussen christendom en humanistische psychologie: je vindt je identiteit niet door zelfontplooiing, maar door zelfontlediging.
De ware mens, Jezus Christus, ging ons voor op de weg van de dienstbaarheid.
Dat was bepaald geen softe, slaafse kruiperigheid, maar een radicale gerichtheid op Zijn hemelse Vader en op de mensen om Hem heen.
Jezus’ dienstbaarheid ging bepaald niet ten koste van Zijn identiteit, integendeel: juist in Zijn dienstbaarheid zien we de kracht van Zijn persoon.
Dat geldt ook voor vele personen in de geschiedenis van kerk en wereld: Paulus, Willibrord, Calvijn, Lincoln, Gandhi, Luther King, moeder Theresa, om er maar enkelen te noemen.

Vierde impuls: radicale overgave
Eén van de mooie kanten van de evangelische beweging vind ik de nadruk op toewijding aan God. Soms krijgt dat heel pregnant gestalte, bijvoorbeeld door op bepaalde momenten in een samenkomst op te staan of naar voren te lopen. Toch is het niet denkbeeldig, dat deze toewijding aan God, door de nadruk op genezing, groei, gavenontplooiing en overwinning, in dienst kan komen van deze levensdoelen.
Dat kan ongemerkt en ongewild.
Alle vijf de genoemde thema’s (ook acceptatie) zijn namelijk mensgericht.
Het gaat om onze acceptatie, onze genezing, enzovoorts. Al weten we daarbij natuurlijk wel dat dit staat in het grote kader van de dienst aan God.
Toch intrigeren mij in dat verband teksten als: ‘Onderwerpt u dus aan God’ (Jacobus 4:7), ‘Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen’ (Jacobus 4:10) en ‘Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd’ (I Petrus 5:6).
Onderwerping legt het zwaartepunt van ons leven helemaal bij God. Dat lijkt me heilzaam. Ook pastoraal gezien.
Immers: het gevoel geaccepteerd te worden kan ons ontvallen. De genezing kan tegenvallen in vergelijking met onze verwachtingen. De groei kan achterblijven. Wat onze gaven betreft kunnen we ondanks alles ontevreden blijven met datgene wat ons is toebedeeld. En de overwinning kan wellicht anders plaatsvinden dan wij ons voorstellen. Al deze gevoelens zijn reëel en kunnen ons diep in verwarring brengen. Maar God faalt niet. Als ons zwaartepunt in Hem ligt, ligt het goed.
Onderwerping heeft in het bijbelse denkkader veel te maken met totale toewijding. Wij leggen ons leven volledig in Gods hand, wij vertrouwen ons helemaal aan Hem toe. God staat daarbij niet tegenover ons. Als wij Hem eren, gaat dat niet ten koste van ons geluk. Integendeel, wij mogen ten volle delen in de eer die Hij ontvangt. ‘Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders’ (Mattheüs 13:43). In de radicale onderwerping aan Hem worden we mens zoals we bedoeld zijn.

Noot
1. Eerder verscheen van René van Loon in het blad Soteria, 16e jaargang 1999-3 (uitgeverij Merweboek, Sliedrecht) een bijdrage onder dezelfde titel. Met toestemming van de auteur is het betreffende artikel ingekort en opgenomen in dit thema-nummer van Opbouw. René van Loon werkte van 1989-1999 als stafmedewerker bij IFES-Nederland en is sinds 1999 Nederlands Hervormd predikant in Capelle aan de IJssel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief