Open of gesloten?
2004-09-03
Laat de kerk (zo was onze vraag) zich meenemen in de wereldwijde en geschiedenislange beweging naar omlaag, die voor het handelen van de Here God zo kenmerkend is. Zal ook zij zich bekommeren om de aan lager wal geraakte mens in de ruimste zin van het woord? Zou dat misschien openingen geven voor het evangelie niet alleen richting geseculariseerde Nederlanders, maar ook als we denken aan de Joden? Of is de christelijke gemeente daarvoor te gesloten?- Jaargang 48
- nummer 17
Ik denk nu aan de geschiedenis van Cornelius, in Handelingen 10. We horen Petrus in het huis van deze Cornelius zeggen: ‘Gij weet hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen’ (vers 28). Hier heb je de geslotenheid van de synagoge, die trouwens in veel kerken navolging gevonden heeft.
Uit de veilige stal
Helaas. Petrus zelf ook, hij zou er uit zichzelf nooit toe gekomen zijn een voet in het huis van die heidense hoofdman te zetten. Hij moest er door God zelf toe worden overgehaald.
Handelingen 10 laat zien dat de Here God zijn allerbijzonderste voorzienigheid heeft moeten inschakelen om Petrus zo ver te krijgen.
Wat manifesteert God zich in dit hoofdstuk opvallend duidelijk! Eerst al Cornelius die door een bijzonder gezicht op de ontmoeting met Petrus wordt voorbereid. Vervolgens dat visioen van het laken met al die dieren, dat nota bene tot driemaal toe herhaald wordt. Dan de Geest die bij het binnentreden van de boden van Cornelius tegen Petrus zegt: ‘Ga maar mee, want Ik heb ze gestuurd’.
Terwijl op het eind van het hoofdstuk nog het wonder volgt van de tongenspraak, waardoor de gave van de Geest manifest wordt gemaakt.
Wat neemt de Geest hier de regie van het gebeuren opvallend in handen!
Kijk, er zijn genoeg gelegenheden en situaties in het leven dat je denkt: Waar blijft God nu? Maar dat hoef je in Handelingen 10 niet te zeggen, het hoofdstuk staat stijf van goddelijk ingrijpen – om maar de kerk naar buiten te krijgen, weg uit de veilige stal. Om maar de gemeente mee te krijgen in die beweging van Hemzelf naar het lagere en het verachte.
Het visioen van het laken
Ik ga even in op dat visioen van het laken. Denk eens in, wat zou er allemaal wel niet in dat neergelaten laken gezeten hebben? Reine dieren, beesten die geschikt waren voor de consumptie, zelfs voor de joodse keuken waarvan we weten dat die krap kijkt? Misschien, er staat niet van niet.
Maar in ieder geval onreine dieren die met hun onreinheid de reinheid van de andere dieren aantastten: ratten, kikkers, vleermuizen en kraaien, stel ik me voor, beesten waarvoor u en ik ook stichtelijk bedankt zouden hebben. ‘Geenszins, Here!’ zouden ook wij daarvan gezegd hebben.
Maar het hemelse antwoord is: ‘Wat God voor rein verklaard heeft moogt gij niet voor onheilig houden’. Het visioen ging in strekking dan ook veel verder dan enkel het bezoek aan het huis van Cornelius, want dat was tenslotte een burgerlijk-nette man, iemand van een hoge maatschappelijke statuur. Nee, God zoekt het verlorene, dat wat walging en verachting oproept, dat is wat in dat visioen van het laken zo duidelijk naar voren komt. En de implicatie: dat wij tot de navolging hiervan worden opgeroepen.
Let wel, het gaat hier om de eer van de gemeente van Christus.
Zendelingen kunnen zelfs zover gaan dat ze met de inlanders onder wie ze werken, kakkerlakken eten (zoals de dochter van een zendeling mij eens vertelde), om zich zo ver mogelijk met hen te vereenzelvigen. Wat een geweldige bewegingsvrijheid heeft God dus met dit visioen aan de kerk gegeven! Daar mogen wij ons echt wel eens over verbazen als we zien hoe juist godsdienstig voorgeschreven voedselpakketten en ander ritueel de ontmoeting tussen mensen in de weg kunnen staan.
Het gesloten systeem van Mozes
Denk erom, ik wil geen kwaad spreken van het gesloten systeem van Mozes. De wetten van rein en onrein waaraan de synagoge gebonden werd zijn heilzaam geweest en hebben zegenrijk gewerkt. In de kinderjaren van Gods volk zijn ze een machtige oefening geweest in het geestelijk onderscheiden. Van het Levitische rein en onrein werden de mensen immers bij het ethische verschil tussen goed en kwaad gebracht. Dat zie je bij de profeten al (bijv. Haggaï 2:12–15) en Jezus maakt die lijn af met zijn prachtige opmerking dat niet wat de mond binnenkomt maar wat uit de mond naar buiten treedt de mens onrein maakt (Marcus 7:15). En zo kwam er een moment dat die wetten hun tijd hadden gehad. Er aan vast houden ging toen betekenen jezelf opsluiten, jezelf onnodige grenzen stellen, een scheidingsmuur oprichten tussen jou en de wereld, zodat je met het evangelie niet naar buiten kon.
Dat is wat je in het begin van de kerkgeschiedenis zelfs nog ziet gebeuren.
‘Gaat dan heen…’ had Jezus tot zijn jongeren gezegd en de Geest wees hun de weg: ‘Parters, Meden en Elamieten…’ (Handelingen 2:9). Maar de apostelen bleven binnen, Petrus voorop. En wat moest de Geest wel niet doen om hem naar buiten te laten gaan! Dat is wat we in Handelingen 10 duidelijk voor ons krijgen.
Toch, het lukt! En dan komen de bezwaren: ‘Jij, Petrus, jij bent bij onbesnedenen binnen gegaan en je hebt zelfs met hen gegeten’ (Handelingen 11:3). Dat is de trots van de kerk die denkt dat zij alleen op de wereld is. Maar de Geest zet door. En de beweging naar buiten waartoe Hij de stoot geeft, heeft als nevendoel dat de Joden die helemaal binnen opgesloten zitten tot naijver worden gewekt: ‘Hé, is dát allemaal mogelijk met het Woord van God dat wij ontvangen hebben? Kun je er zo diep en zo ver mee gaan? Is de zelfopoffering van die Jezus van de christenen, daar en toen op Golgota, in staat zulke krachten in zijn volgelingen wakker te maken? Krachten van liefde tot het verlorene?’