Hand

2003-03-14
  • Jaargang 47
  • nummer 6
Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem (Mattheüs 14:31)

Ik heb ooit aan het sterfbed gezeten van een leeftijdgenoot. Ze was jarenlang van God vervreemd en met de dood voor ogen is ze terug gekomen.
Op haar sterfbed heeft zij belijdenis van haar geloof afgelegd en een paar dagen later stierf ze.
Wij waren zo opgetogen over haar geloof dat ze daar een beetje bang van werd. ‘Ik weet niet of ik wel zal volhouden.
Als het sterven nu een moeilijk zal zijn, zal ik dan niet tekeer gaan tegen God, zal ik dan misschien toch op het laatst mijn behoud verspelen?’ Bang voor de dood. Bang voor de overkant.
En toen kwam deze tekst: ‘Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem.’ (31) Niets kan ons scheiden van de liefde Gods, Romeinen 8.
Hij is bij machte u voor struikelen te bewaren, Judas 24. Als mijn hand de Zijne niet meer weet te vinden, vindt de Zijne de mijne wel.
Petrus leert hier om niet op zijn geloof te vertrouwen maar op Jezus.
Het gaat er uiteindelijk niet om of je wel goed genoeg gelooft. Het gaat erom of Jezus wel goed genoeg is.
Alleen Zijn genade is onze redding.

Gerrit Zwarts, Breukelen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief