Echtscheiding en de bijbel
2003-03-14
Al eerder besteedde ik in deze rubriek aandacht aan het rapport van het Geref.- Jaargang 47
- nummer 6
Vrijgemaakte deputaatschap ‘Echtscheiding’ (Opbouw, 46e jrg. no 12, 14 juni 2002; met als opschrift: ‘Een totaal nieuwe benadering’). Intussen is het rapport behandeld op de Vrijgemaakte Generale Synode. Tijd dus voor een terugblik. Ds H.J. Messelink, lid van het deputaatschap, schrijft erover in De Reformatie (15 februari).
Eerst over wat ook alweer die ‘totaal nieuwe benadering’ was:
Tegenover een benadering vanuit enkele teksten en vanuit het begrip 'echtscheidingsgronden' pleit het rapport voor het werken met het onderwijs vanuit heel de Schrift. Binnen dat onderwijs van de Schrift vormen de werken en woorden van Christus het centrum en hoogtepunt. Ons christelijk leven en de bezinning daarop zal daarom inzetten bij Hem. Daarbij werken we niet alleen met woorden die rechtstreeks over echtscheiding handelen, maar ook met de algemene lijn van zijn spreken (m.n. over de ingang in het koninkrijk en de navolging van Christus). Dat onderwijs probeert het rapport toe te passen op vragen rond echtscheiding.
Zoals te verwachten, was niet iedereen onmiddellijk overtuigd van de juistheid van deze benadering.
Messelink bespreekt zes vragen die gesteld zijn; de twee m.i. meest interessante neem ik hier over.
‘Verdwijnt in de opvatting van deputaten het concrete gebod niet teveel op de achtergrond ten gunste van de stijl van het koninkrijk?’ () De indruk kan () gewekt worden dat de status van het 7e gebod onduidelijk wordt. Dat is niet de bedoeling van deputaten. Wij leggen er de nadruk op dat Jezus’ onderwijs geen breuk betekent met Gods openbaring via Mozes, maar een voortbouwen daarop is. Het is volstrekt niet de bedoeling het concrete gebod in te ruilen voor iets vaags. Wel kiezen we voor een bredere insteek dan alleen die van het 7e gebod. We proberen daarin aan te sluiten bij het onderwijs van de Here Jezus. Hij handhaaft het 7e gebod.
Hij zegt: U hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet echtbreken.
Tegelijk gaat Hij een stap verder door er aan toe te voegen: Maar Ik zeg U... Dat sluit aan bij wat Hij even eerder gezegd had, nl dat Hij niet gekomen is om de wet of de profeten te ontbinden maar om ze te vervullen.
Dit betekent dat bij het koninkrijk dat Jezus brengt een stijl van leven past, die uitgaat boven het gewone. De gerechtigheid die Jezus van zijn navolgers vraagt, dient overvloediger te zijn dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën. Dit wordt door Jezus concreet gemaakt in zijn omgang met de wet. Juist daarom zijn wij van mening dat wij de vragen rond echtscheiding niet exclusief moeten benaderen vanuit het 7e gebod. We gaan uit van het onderwijs van Jezus, waarin de wet is opgenomen. Met deze bredere benadering zijn wij in staat meer gegevens te mobiliseren om tot een verantwoorde visie op echtscheiding te komen.
Omdat Jezus de geboden zet in het kader van zijn vernieuwend onderwijs over navolging, zelfverloochening, het liefhebben van de vijand en het uit zijn op volmaaktheid, geeft Hij aan dat het 7e gebod een breder terrein bestrijkt dan alleen vanuit het Oude Testament vermoed zou kunnen worden.
Dat bevestigt ons in de stelling dat wij onze morele bezinning het beste kunnen inzetten bij het onderwijs van de Here Jezus om van daaruit ook goede aandacht te kunnen schenken aan de geboden van Mozes. We willen dus geenszins de stijl van het koninkrijk uitspelen tegen het leven naar de geboden. Wij kiezen niet voor een vage vrijblijvendheid. Wij menen dat het, door de geboden op te nemen in Jezus’ onderwijs, juist kan komen tot een radicalere navolging van Hem. () ‘Past het rapport zich niet te sterk aan de gebroken werkelijkheid aan?
Anders gezegd: is er niet een te grote spanning tussen het bijbels onderwijs en de toepassing in de praktijk?’ Het echtscheidingsrapport besteedt veel aandacht aan de ontwikkelingen in de maatschappij en ook aan de geestelijke draagkracht van de gelovigen.
We proberen te rekenen met de werkelijkheid van zonde, zwakheid en gebrokenheid.
Overigens is dat niet iets nieuws. Dat is ook nu al de praktijk in het handelen van ambtsdragers. In het rapport wordt er alleen meer openlijk over gesproken en mee gewerkt.
Natuurlijk roept dit vragen op: kun je als ambtsdrager de situatie en gesteldheid van gemeenteleden goed inschatten?
Hoe weet je of je te maken hebt met verzet tegen God of met gebrekkig inzicht? Ben je in staat om te beoordelen welke rol psychische aspecten spelen? Die vragen zijn reëel. Er wordt van kerkenraden en individuele ambtsdragers veel wijsheid gevraagd om goed te kunnen onderscheiden.
Vaak zal daarbij deskundige hulp van anderen onontbeerlijk zijn. Naast deze professionele kennis is er ook christelijke wijsheid nodig. Daarbij mogen we gebruik maken van voorschrijdend inzicht op allerlei terreinen.
Dat leert onderscheiden. Soms lijkt een houding heel gelovig terwijl er onwil of onmacht in het spel zijn.
Ook het omgekeerde doet zich voor.
Het kost soms veel tijd en inspanning om te ontdekken waar de werkelijke moeite zit. Belangrijk voor ambtsdragers is om altijd weer in te zetten bij de kern: de relatie met God in Jezus Christus. Hoe staat het daarmee, in dit huwelijk, in dit leven?
Mijn conclusie: ondanks de kritiek die er van verschillende kanten gekomen is, blijft Messelink volledig achter het rapport staan, inclusief de werkelijk nieuwe insteek die gekozen is om de Schrift in onze tijd en cultuur ter sprake te brengen.
M.H.T. Biewenga, Enschede