De mannen van Ninevé geloofden God
2003-03-28
Hoewel Jona drie dagen en nachten in de buik van het dodenrijk had gezeten en door Gods machtswoord weer uit de groeve was omhooggetrokken, is Jona door deze ervaring niet werkelijk bekeerd. Hij doet nu wat God hem heeft opgedragen, maar je mist het enthousiasme dat zo kenmerkend is voor mensen die een echte bekering hebben meegemaakt en sindsdien met Gods Geest vervuld zijn. Het is vooral de ònbekeerlijkheid van Jona, die in zijn optreden naar voren komt. En daarmee krijgen we de belangrijkste tegenstelling van dit hoofdstuk in beeld. Want ondanks de magere invulling die Jona aan zijn opdracht geeft, komen de mensen van Ninevé tot geloof en bekering.- Jaargang 47
- nummer 7
Slechts één dagreis van Jona blijkt genoeg te zijn om de hele stad in beweging te brengen. Het wordt allemaal weer zwart-wit getekend. In zijn donderpreek sprak Jona nog over een termijn van veertig dagen, waarna de omkering van Ninevé een feit zou zijn. Maar het is opvallend dat de Ninevieten maar één dag blijken nodig te hebben om zich te bekeren. Je kunt natuurlijk zeggen dat die veertig dagen nodig waren om alle 120.000 inwoners van Ninevé op de hoogte te brengen en in de hele stad het boeteritueel te laten voltrekken. Maar het gaat hier vooral om het contrast, dat er feitelijk maar één dag nodig was om dit hele bekeringsproces op gang te brengen.
Jona heeft het Ninevé niet gemakkelijk gemaakt, want hij heeft zich zo snel mogelijk van zijn opdracht afgemaakt.
Maar voor de inwoners van Ninevé is het genoeg. Zij hebben blijkbaar maar een half woord nodig om te weten wat hen te doen staat.
In de praktijk vindt er dus een andere omkering van Ninevé plaats, dan Jona in zijn preek had aangekondigd. Een onvoorstelbare omkering ook, zowel in tijd als omvang. Want de bekering van Ninevé komt niet alleen onverwacht snel, maar is werkelijk ook totaal.
Iedereen bekeert zich. Van hoog tot laag, van klein tot groot en van mens tot dier. En dat voor een stad die als bloedstad bekend stond en voor Israël eeuwenlang het symbool van het kwaad is geweest. Moet u zich voorstellen dat vandaag een stad als Bagdad of Amsterdam op één dag massaal voor Christus zou kiezen en voor God op de knieën zou gaan. Dat zou een regelrechte sensatie zijn. Toch is het waarschijnlijk niet eens de bedoeling van dit hoofdstuk, dat we ons nu zo over de bekering van Ninevé verbazen. We hoeven er de Assyrische annalen ook niet op na te zoeken of ook daarin misschien verteld wordt van een massale bekering die een keer in Ninevé heeft plaatsgevonden, en hoe blijvend of tijdelijk deze bekering was. Dan miskennen we de bedoeling van dit bijbelboek. Want het meest verbazingwekkende is niet de bekering van Ninevé, maar vooral de onbekeerlijkheid van Jona zelf. Wat het boek Jona in dit hoofdstuk wil laten zien, is dat de bekering van Ninevé eigenlijk heel vanzelfsprekend is. In de ogen van de schrijver is het de meest vanzelfsprekende reactie die je je kunt voorstellen, nadat Jona de stad Gods oordeel had aangekondigd. Het ongeloofwaardige zit ‘m vooral in het uitblijven van de bekering bij Jona zelf. Juist doordat dit boek over Ninevé’s bekering vertelt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, wordt het contrast met Jona des te groter.
We zijn hetzelfde ook al bij het eerste hoofdstuk tegengekomen. Daar had je datzelfde contrast tussen wat de zeelui uiteindelijk deden, dat ze tot de HERE riepen, en wat Jona deed, of eigenlijk niet deed. Wat zich bij de zeelui in het klein heeft afgespeeld, dat gebeurt nu bij de Ninevieten in het groot. Om de omvang van deze bekering te onderstrepen, worden in Ninevé zelfs de dieren ingeschakeld bij het boeteritueel. Met nadruk wordt gezegd dat ook de runderen en schapen niets mogen nuttigen, niets grazen en geen water drinken, dat mens en dier in rouwgewaden gehuld moeten zijn en met kracht tot God moeten roepen en zich bekeren. In de bijbel wordt wel eens verteld dat zelfs de dieren van het veld smachtend naar de HERE opzien, maar dan roepen de dieren vanwege de honger en dorst die ze hebben (Joël 1,18-20). Maar in Ninevé moeten de dieren tot de HERE roepen als een uiting van boete en bekering, waardoor de tegenstelling met Jona des te groter wordt en de vraag aan de lezers van het boek Jona des te scherper.
De vraag die ik mijzelf na het lezen van dit hoofdstuk in elk geval moet stellen is, hoe vanzelfsprekend het eigenlijk voor mij is, dat ik mij bekeer van mijn zonden. En of ook ik daar in de praktijk wel radicaal genoeg in ben.
De profeet Jesaja zegt dat zelfs een rund zijn eigenaar kent en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, het volk van de HERE heeft geen inzicht (Jes. 1,3) Het is ongeveer hetzelfde wat ook het Jonaverhaal zijn lezers onder ogen wil brengen.
Het Jona-verhaal wil ons in de spiegel laten kijken. En het wrijft ons pijnlijk onder de neus dat de voorbeeldige reactie van Ninevé onder Gods eigen volk soms nauwelijks gevonden wordt.
In het lijdensevangelie is dat ook precies de klacht van Jezus over Jeruzalem (zie Mat. 23,37). En van de vijandige schriftgeleerden moest Jezus zeggen dat de mannen van Ninevé in het oordeel zouden opstaan om dit geslacht te veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier (Mat. 12,41).
Met andere woorden: juist de in alle opzichten voorbeeldige bekering van de Ninevieten brengt de onbekeerlijkheid van Jona zelf, van Israël en van Jezus’ tijdgenoten aan het licht. Het is net als in de gelijkenis van de verloren zoon. De thuiskomst van de jongste zoon maakt de onbegrensde liefde van de vader zichtbaar, maar ook de onbekeerlijkheid van de oudste zoon.
Van de mannen van Ninevé wordt zelfs gezegd dat zij God geloofden.
Dat is heel sterk gezegd. Er staat niet dat zij Jona of zijn prediking geloofden.
Nee, er staat uitdrukkelijk dat zij God geloofden. In de bijbel wordt dat voor het eerst van iemand als Abraham gezegd, de vader van alle gelovigen (Gen. 15,6). Met deze uitdrukking wordt iemands hele levenshouding getypeerd.
Dat iemand zichzelf daadwerkelijk en volledig aan God toevertrouwt. Hier zijn het nota bene die goddeloze mannen van Ninevé, die zichzelf aan God toevertrouwen. Ook Jezus heeft wel eens verwonderd uitgeroepen, dat Hij bij niemand in Israël een zo groot geloof gevonden heeft (Mat. 8,10). In vers 9 wordt trouwens prachtig beschreven waarin dit geloofsvertrouwen voor de Ninevieten bestond. Ze zeiden ootmoedig: Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan (vgl. 1,6). Ze aanvaarden dus dat God terecht zijn oordeel over hen heeft uitgesproken, maar ze hopen wel op Gods barmhartigheid. In dat ‘wie weet’ klinkt het besef door dat een eventuele vrijspraak alleen aan Gods genade te danken is. Het is geen automatisme om gered te worden. Daarin zijn ze helemaal van de HERE afhankelijk, van wie ook de zeelieden al beleden hadden, dat Hij alles doet wat Hem behaagt.
In hun geloof erkennen ook de Ninevieten deze vrijmacht van God.
God is vrij om zijn oordeel uit te voeren, maar ook om zich om te keren en berouw te hebben.
Dat laatste gebeurt, geheel in overeenstemming met het Godswoord van Jer. 18,7-9: het ene ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk een uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; maar bekeert zich dit volk waarover Ik een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht aan te doen. Het andere ogenblik doe Ik over een volk en een koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal bouwen en planten; maar, doet het wat kwaad is in mijn ogen door niet naar mijn stem te horen, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik had gezegd hun te zullen weldoen.
Met Israël gebeurt in Jeremia’s dagen het laatste. Met Ninevé gebeurt in dit Jona-verhaal het eerste. Wat God betreft hoeft zijn oordeel niet het laatste woord over ons leven te hebben. Jesaja noemt Gods oordeel zelfs het vreemde werk van God (Jes. 28,21). Want God wil liever vergeven en redden, dan straffen en vernietigen.
Zijn liefde gaat uit naar alle mensen.
Voor Jona was dit moeilijk te verteren, maar Jezus zegt: Wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven (Joh. 5,24).
Zo versterkt het evangelie de hoop die ook het Jona-verhaal wekt. In Gods plan kunnen zelfs goddelozen gerechtvaardigd worden.
1. Hoe vanzelfsprekend vindt u het om u steeds weer van uw zonden te bekeren?
2. Hoe vanzelfsprekend vindt u het dat God zelfs de goddelozen rechtvaardigt?