'Gruwel' niet tot opbouw
2004-09-17
'Plaatsing van ingezonden stukken betekent geen instemming van de redactie. Anonieme brieven worden niet opgenomen en ingezonden stukken mogen in het algemeen niet langer zijn dan 250 woorden. De redactie behoudt zich het recht voor brieven in te korten.' - Jaargang 48
- nummer 18
Als regel geniet ik zeer van Opbouw. Ik lees het blad inmiddels een kleine veertig jaar en vind dat het vooral de laatste jaren aan aantrekkelijkheid heeft gewonnen. Ik vind het belangrijk dat in Opbouw de breedte van onze kerken aan bod komt. Wat dat betreft zou de 'behoudende' vleugel die er in onze kerken is, zich wel eens wat meer in Opbouw mogen laten horen. Dat heeft niets met mijn eigen standpunten te maken (ik verheug me over veel ontwikkelingen binnen onze kerken), maar alles met mijn overtuiging dat we vanuit de eenheid in Jezus Christus als broeders en zusters binnen onze kerken het gesprek met elkaar moeten blijven zoeken.
Dat er dus in de laatste Opbouw een artikel wordt geplaatst dat over homoseksualiteit een andere opvatting naar voren brengt dan die van ds. Henk de Jong een tijd geleden (overigens geheel in lijn met wat hij 25 jaar terug al in Opbouw schreef), daarmee is dus niks mis. Ook ik kan de Bijbel, ondanks het vele dat ik ook op dit vlak van De Jong en anderen heb geleerd, niet anders lezen dan dat de doorgaande lijn daarvan is dat een seksuele relatie tussen twee mannen of twee vrouwen niet naar Gods bedoeling is. Maar de harde geest die het artikel van F. Vrij 'Van gruwel naar deviant' voor mijn besef ademt, kan ik niet als een bijdrage aan 'de opbouw van het gereformeerde leven' zien.
In zijn weergave van de situatie rond homoseksualiteit in Nederland slaat de schrijver stevig door. Ja, het is lastig om op publieke fora duidelijk te maken dat je de overtuiging dat homo’s een volwaardige plek in de christelijke gemeente verdienen, combineert met de overtuiging dat God alleen het huwelijk tussen man en vrouw heeft bedoeld als plaats voor seksuele eenwording.
Ik weet uit ervaring dat het publieke gesprek daarover moeilijk is, en dat je daarin heel snel hetzij mensen van de wereld hetzij mensen uit je christelijke achterban over je heen krijgt. Maar de stelling 'wie homoseksuele omgang in het openbaar afwijst, kan vervolgd worden' is zwaar overtrokken.
Ja, je kunt in ons land veroordeeld worden, als je dat kwetsend doet en dus de wet overtreedt. Maar niet als in de wijze waarop je je over dit onderwerp uit, de ‘vrucht van de Geest’ te proeven is. Ja, er bestaat in onze samenleving intolerantie tegenover christenen die de heiliging van het (homo)seksuele leven bepleiten. Maar uitspraken in het artikel als 'Goedkeuring van homoseksuele omgang is het entree-kaartje tot onze samenleving' en 'Wie niet meedoet, wordt niet voor vol aangezien' geven een veel te zwart/wit beeld van de verhoudingen in onze samenleving.
Terwijl de schrijver dus de negatieve houding tegenover orthodoxe christenen overdrijft, bagatelliseert hij tegelijkertijd de wijze waarop homo’s, zowel in de samenleving in het algemeen als in christelijke kring, zich ook anno 2004 nog vaak onveilig, achteruitgezet en veracht voelen. Hij toont niet het minste besef van de manier waarop ook in onze tijd sommige homo’s nog lijden.
Je zult als homo maar leraar zijn op een vmbo-school, van welke signatuur dan ook. Of opgroeien in een ‘behoudende’ gemeente in het deel van het land waar ik woon, de goede niet te na gesproken. Dezer dagen komt bij Buijten en Schipperheijn een boekje uit met levensverhalen van homo’s uit orthodox-christelijk Nederland. Ik was in de gelegenheid ze vooraf te lezen.
Verdriet en pijn om onbegrip, isolement of uitstoting, er is geen verhaal waar dat niet in naar voren komt.
Ook maakt het artikel via losse citaten die aan de opvattingen van anderen worden vastgeknoopt, een karikatuur van de standpunten van ds. De Jong en ds. Dekker en bestrijdt het die vervolgens op een manier waarin ik niets geestelijks kan ontdekken. Van een eerbiedig en zorgvuldig aftasten van de genoemde bijbelteksten op hun diepste bedoeling is m.i. geen sprake.
Treurig vind ik ook de manier waarop de schrijver uiting geeft aan zijn gevoelens over homo’s door zijn uitgangspunt te nemen in de 'weerzinwekkendheid' en 'afschuw' die hij ervaart als het over 'homoseksuele omgang' gaat.
Merkwaardig en treurig, hoe het zo bestreden ‘gevoel’ dan plotseling weer een grote plaats krijgt. Zo’n houding beleef ik als ver afstaand van die van Jezus die geen afschuw toonde van de afzichtelijke zweren van melaatsen of van de zondige levenspraktijk van hoeren en tollenaars, maar hen aanraakte en met hen at en dronk. Hij was heilig en kende geen zonde, en toch werden zondige mensen door Hem als door een magneet aangetrokken. Vertonen wij als kerken, als christenen, vertoon ik iets van die aantrekkingskracht of stoten we hen af?
Broeder Vrij schetst tenslotte, hoe volgens hem de omgang van onze en andere gereformeerde kerken met homoseksualiteit gaat aflopen: een sterfhuis-constructie, ondergang en een bijdrage aan de opkomst van de islam.
Ik mis de ‘profetische’ gaven van deze broeder uit Kampen. Ik weet niet hoe het in de toekomst met onze kerken zal gaan. Ik weet alleen wat de Here nu van mij en van ons vraagt: recht te doen, getrouwheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met God. Dat woord geldt voor hetero’s, voor homo’s en voor hen samen binnen de ene gemeente van Jezus Christus. Alleen in die weg kunnen we elkaar als kerken en kerkleden verder helpen in het groeien naar het beeld van Christus. In liefde en in waarheid, met vallen en opstaan, geleid door Gods Geest.