Die nacht (2)
2004-10-01
(Vervolg: Dromer is na een schoolkamp door leerlingen beschuldigd van ongewenste intimiteiten. Het gegeven broeit in de klas en is nog niet officieel naar buiten toe gegaan)- Jaargang 48
- nummer 19
Een uur later krijg ik de klas binnen.
Ze nemen de spanning voelbaar mee.
Ik heb de twee verklikkers moeten beloven dat ik hun namen niet noem en niets verraad.
En daar sta ik in de klas.
Voor de klas.
En ik voel me zo kwetsbaar.
Zo beschadigd.
Zo ongemakkelijk, dat ik er wel van huilen kan.
Dan zeg ik tegen de klas, die opvallend snel stil wordt: 'Ik merk dat er een gespannen sfeer is. Is er iets?' Stilte is het veelzeggende antwoord.
Dan zegt een van de verklikkers: 'Er zijn mensen die zeggen dat je te ver gegaan bent op het kamp, maar ik zeg niet wie dat zijn, ze moeten dat zelf maar zeggen.' Weer een stilte.
Ik besluit wat te gaan vertellen.
Ik vertel over mijn werk op een school met 95 % meiden van 16 tot 20 jaar.
Over de gevaren en de grenzen. Over het feit dat meiden verliefd kunnen worden op je en dat ze ook erg boos kunnen worden op je als je ze teveel negeert of niet geeft wat ze willen.
Over de macht van leerlingen over een docent. Een valse aanklacht indienen heeft altijd –verwoestend - succes (Zo van: 'Ja… hij heeft toen ook wat willen doen bij een leerling, maar ze konden het niet bewijzen, maar je weet maar nooit.')
Ik vertel over gesprekjes die altijd ‘zichtbaar voor de mensen zijn‘ in open lokalen en niet in uitgestorven schoolgebouwen.
Ook vertel ik over de camping van vorige week.
Hoe ik met Jannie liep over het terrein.
Waarom ik daar liep. Zichtbaar voor een ieder.
Dan wordt mijn stem kwetsbaarder.
Ik voel emoties komen als ik vertel dat ik altijd probeer integer te zijn. Dat mijn integriteit het ergste is waar ze me kunnen raken. En dat dit dus nu gelukt is.
'Want iemand heeft het gepresteerd om mijn handelswijze als verkeerd, kwalijk, grensoverschrijdend neer te zetten… Ik weet niet wie Ik weet niet tegen wie Ik weet niet hoe Ik weet niet hoeveel En wat… Ik weet alleen dat het iemand is uit onze klas.
En weet je, je hoeft niet te zeggen wie het is, je hoeft niet te bekennen.
Maar weet je… Ik wil…' zeg ik zachtjes, enigszins omfloerst, 'ik wil vanaf deze week geen les meer geven aan jullie als klas.
Ik voel mij niet veilig bij jullie… Ik kan mezelf niet meer zijn op deze manier.
Want iemand hier zegt dat ik onzuiver ben.
Fout.
En die geur wil ik niet meedragen als ik lessen geef aan jullie.
Ik zal vragen aan de directie of ik niet langer jullie les hoef te geven.
Ik zal het missen, want we hadden het goed met elkaar.'
Dan wordt het druk.
Uit diverse hoeken klinken nu steunbetuigingen, maar vooral ook verontwaardigde reacties.
'Hee, Dromer, ik kan er niks aan doen, en – niet slijmerig bedoeld - maar ik vind je een gave docent, ik wil wel les van je hebben!!'
Ik leg uit dat ik me gevleid voel, maar er zijn grenzen.
'Het is ook nog niet over hoor. Als deze roddel doorgaat, sta ik met een paar weken op non-actief en wellicht daarna nog erger. Ik wil het er verder niet meer over hebben.'
Onthutst laat ik ze achter.
Terwijl ikzelf naar de vertrouwenspersoon op school wandel om mijn eigen verhaal te doen word ik ingehaald… 'Dromer... Mogen we met je praten?'
Drie meiden.
Twee navelpiercings in blote buiken onder te strakke shirts.
'Dromer, wij waren het. Wil je het ons vergeven? En ik had zeven breezers op, ik weet niet meer wat ik allemaal dacht… Wil je alsjeblieft onze mentor blijven…'