Een lied voor onderweg (4-slot) - De wenende zaaier
2004-10-29
Ontmoeting en gebed- Jaargang 48
- nummer 21
Ook nu luisteren we weer naar een lied, te zingen onderweg naar (het nieuwe) Jeruzalem. Psalm 126 heeft oog voor de teleurstellingen en frustraties op die weg. Het leven in Gods Koninkrijk is niet alleen maar mooi of leuk. Het is te typeren als wenend zaaien. Wat is het soms tobben! En wat een moeiten en ellendigheden, óók onder Gods volk. Maar ook: wat is er mooier dan zaaien? Herken je die twee kanten?
Vraag de HERE om een gezegend samenzijn.
Bezinning vanuit de Bijbel
• Een droom wordt werkelijkheid! Daarmee begint de psalm. Het was niet te geloven! In Babel waren de gebeden nagenoeg verstomd, de hoop zo goed als uitgeblust, en het geloof in Gods beloften praktisch verdwenen. En dan gaat de HERE aan het werk (Jes. 40). Het edict van Kores (2 Kron. 36 22,23; Ezra 1: 1-11) kwam toch uit de lucht vallen?! Is het zo niet vaak (geweest) in de geschiedenis van Gods volk, èn in je eigen leven?
• Een volk gaat naar huis: het land van melk en honing, en de stad van vrede. Jeruzalem! Vol verwachting op grond van de verhalen die de generaties door zijn overgeleverd. Maar wat valt het dan tegen! Zoveel mensen die liever in Babel blijven, en wat was er een tegenstand in het oude beloofde land (zie Ezra 4 en Nehemia 2, 4 en 6). Is het je ook wel eens opgevallen hoe vaak de Bijbel niet spreekt over grote aantallen, maar over een “REST die behouden wordt”?
• Midden in de psalm wordt een beroep gedaan op de HERE (vs 4).
Wat wordt bedoeld met het beeld van de beken in het Zuiderland?
Bidden jullie zo ook wel eens?
• De psalm heeft aandacht voor frustraties en teleurstellingen, maar eindigt vol verwachting. Paulus past het beeld van de wenende zaaier toe op het begraven van onze doden. Hij weet dat de dood niet het laatste woord heeft. Hoe komt het dat hij daar zo zeker van is? En welke conclusie verbindt hij daaraan voor ons leven vandaag? (1 Kor. 15)
Slot
Zing met elkaar de psalm en gezang 93: 1 en 6. En dank de Here voor oude en nieuwe dromen die werkelijkheid werden. Zing daarna gezang 114 over het nieuwe Jeruzalem, einddoel van onze levensreis.
| Tranen Het beeld dat de psalmdichter van de zaaier oproept, is allerminst het beeld van de sterke. ‘Die zaait gaat al wenende voort’, schrijft hij. Zaaien is voortdurend wenen Nu is de zaaier geen geïsoleerde figuur, waar je afstandelijk naar kunt kijken. Zaaien staat niet op zichzelf, onze toekomst hangt ervan af. Alle leven ontspringt aan zaad dat door een schoot ontvangen wordt, door de schoot der aarde en door de schoot van een vrouw. En altijd zijn er de tranen. Hier zijn het de verwondende doornen en verstikkende distels, daar is de pijn van het baren. Zo is met het beeld van de wenende zaaier ons aller leven getekend. (uit: C. Huizinga Het beste komt nog, Kampen 1996) |