Jona, Goede Vrijdag en Pasen
2003-04-25
- Jaargang 47
- nummer 9
| Jona 4,1-11 |
Het spreekt eigenlijk vanzelf dat iemand die Gods vergevende liefde ontvangen heeft in zijn leven, Gods vrijheid om van zijn oordeel af te zien zal prijzen.
Maar Jona accepteert deze vrijheid van God niet. Jona heeft moeite met Gods genade.
Jona heeft moeite met Gods genadeniet met die genade als zodanig, wel met de reikwijdte ervan. Deze moeite leidt bij Jona tot de reactie dat hij maar liever wil sterven dan te moeten aanzien dat Ninevé behouden wordt. Een nogal extreme reactie, waarbij Jona vergelijkbare woorden gebruikt als de profeet Elia indertijd: neem toch mijn leven van mij, want het is mij beter te sterven dan te leven (vgl. 1 Kon. 19,4).
Er is alleen één groot verschil: Elia wilde sterven, omdat zijn prediking geen succes had onder Israël en hij daarop afknapte. Jona wil sterven, omdat hij met zijn prediking een ongekend succes heeft geboekt en zelfs een hele stad van Gods oordeel heeft mogen redden! Ik vind het al een verrijkende ervaring als God mij gebruikt om een enkele persoon bij Jezus te brengen.
Moet u zich voorstellen dat God u gebruiken zou om zelfs een hele stad tot bekering te brengen! Daar kun je alleen van dromen. Maar wat zegt Jona? Ik wou dat ik dood was!
Vreselijk, dat God berouw kan hebben over zijn oordeel en dat er genade is voor Ninevé. Was ik maar dood!
Hier kan ik niet mee leven… Als dit geen karikatuur is, dan weet ik het niet meer. Jona maakt zichzelf compleet belachelijk.
Nu pas vertelt het Jona-verhaal waarom Jona eerder had geprobeerd voor God weg te vluchten. En het klinkt gewoon cynisch. Jona wist dat God genadig is en hij was bang dat God op het laatste moment ook ten aanzien van Ninevé van gedachten zou veranderen. De Ninevieten hadden nog vol hoop gevraagd: 'Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen…' (3,9). Jona zegt: 'Ik wist het wel, maar ik wil het niet weten, zeg me dat het niet waar is!' Als je niet om het Jona-verhaal moest lachen, omdat het een cartoon is, dan zou ik zeggen dat dit nu de zonde tegen de Heilige Geest is. Dat iemand God aanklaagt vanwege zijn genade. Dat iemand het mooiste wat van God gezegd kan worden, 180 graden omdraait en openlijk als verwijt aan God voor de voeten werpt. Of wil het Jona-verhaal ons laten zien, dat zonde ten diepste altijd opstand tegen de genade is? In het Jona-verhaal komt dit verzet tegen Gods genade in elk geval scherp naar voren, doordat het voor ons wordt uitvergroot.
Het is dezelfde moeite die mensen kunnen hebben met het evangelie van Jezus Christus. Jona ergert zich aan de vrijheid die God heeft om zich te ontfermen over wie Hij wil. Jona heeft liever een consequente God, die je als mens kunt narekenen. Dat zou het leven overzichtelijker maken.
Maar God valt door ons niet na te rekenen.
Als er één plaats is waar je hiervan overtuigd kunt raken, dan is dat het kruis van Jezus. Wie een overzichtelijke en rechtlijnige God wil hebben, loopt helemaal vast op wat er op Golgotha gebeurd is. Want daar heeft de grootste omkering aller tijden plaatsgevonden.
De omkering van God zelf.
Ik ken geen profeet die dit scherper gezegd heeft dan Hosea, toen hij namens God tegen Israël mocht zeggen: 'Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn berouw (!) opgewekt' (Hos. 11,8). Letterlijk zegt Hosea dat God zijn eigen hart zal omkeren tégen zichzelf. En dan gebruikt hij precies hetzelfde woord als de bijbel steeds weer voor Sodom gebruikt en zoals Jona dat voor Ninevé had gebruikt.
Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd! Maar God zegt: 'Nee, mijn hart keert zich om in Mij.' Of letterlijk: tégen Mij. Dat wil zeggen: Ik zal mijn volk en Ik zal zelfs Ninevé niet prijsgeven, maar Ik ben zèlf bereid een offer te brengen voor de redding van deze wereld. God besloot zijn eigen Zoon te geven. Hij moest sterven aan het kruis om ons uit Gods oordeel weg te halen. Onbegrijpelijk.
En een ergernis voor mensen die liever een consequente God hebben, die je op de een of andere manier kunt narekenen.
Maar juist bij het kruis zegt God tegen ons: 'Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed' (Hos. 11,9).
Hoewel Jona zich hardnekkig verzet tegen de vrijheid van Gods genade, gaat God ook in dit hoofdstuk weer opvallend geduldig met Jona om en probeert Hij ook hem uiteindelijk voor zich te winnen (vgl. Luc. 15,31-32).
Daarvoor gebruikt God het middel van de wonderboom die in één nacht groeit en in de volgende nacht verdort.
Het is een nogal humoristische scene, want alles wordt weer heel zwart-wit getekend en het lijkt alsof de HERE bewust een spel speelt met Jona. Een pedagogisch spel, terwijl Jona nog op de ondergang van Ninevé zit te wachten. Zoals God eerst een grote vis beschikte om Jona op te slokken, zo beschikt God nu een boom, een worm en een gloeiende oostenwind.
Eerst verheugt Jona zich met grote vreugde en de grote boosheid lijkt vergeten. Maar als de kleine worm zijn werk heeft gedaan en de zon op zijn hoofd brandt, dan herhaalt Jona zijn wens om dood te gaan. Zelfs als God vraagt of het wel terecht is dat hij toornig is, dan antwoordt Jona nog: 'Terecht ben ik vertoornd, ten dode toe.' Dat is tegelijk het laatste wat we van Jona vernemen, want op de vraag waarmee het Jona-verhaal eindigt volgt geen antwoord meer. Dat is een vraag die blijkbaar aan de lezers wordt meegegeven.
Het is een retorische vraag van God die vooral aan ons gericht is.
Daaraan kun je trouwens zien dat het Jona-verhaal vooral een didactische betekenis heeft. Het is als een cartoon, je kunt er meer dan eens hartelijk om lachen, maar dat het Jona-verhaal in de bijbel staat, is uiteindelijk meer ter lering dan ter vermaak. Wat dat betreft heeft het Jona-verhaal ook wel iets van een gelijkenis. De boodschap ervan is vergelijkbaar met die van Jezus’ gelijkenis over de arbeiders in de wijngaard.
De arbeiders van het eerste uur kunnen het niet verkroppen dat de arbeiders van het laatste uur hetzelfde loon krijgen uitbetaald. En de heer van de wijngaard antwoordt daarop met de retorische vraag: 'Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil?
Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?' (Mat. 20,15) Een vraag waarop geen antwoord meer volgt, omdat ook deze vraag voor de hoorders en lezers bedoeld is. Het is in feite dezelfde vraag waarmee ook het Jona-verhaal zijn lezers achterlaat, met de Ninevieten als de bekeerlingen van het laatste uur. God vraagt: 'Jij wilde de wonderboom sparen (…), maar zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad?'
Dat woord ‘sparen’ is overigens niet zo’n gelukkige vertaling. Het woord dat gebruikt wordt, heeft meer de betekenis van ‘verdriet hebben’. God zegt dus eigenlijk: 'Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele moeite voor hebt hoeven doen (…), zou ik dan geen verdriet hebben over Ninevé, de grote stad?' En dan gaat het om het verdriet dat God zou hebben, wanneer Hij zijn oordeel wel aan Ninevé had moeten voltrekken.
Het is het verdriet over iets waar je alleen met moeite afstand van kunt doen (vgl. Gen. 45,20).
Indrukwekkend dat God dit zelfs van een goddeloze stad als Ninevé zegt.
Dat typeert Gods bewogenheid. In Ninevé gaat het zelfs om mensen die niet eens het onderscheid kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, die uit zichzelf niet in staat zijn om te beoordelen wat goed en kwaad is, wat heil of onheil brengt. En dan is de stad ook nog vol vee. Opnieuw wordt het allemaal zo zwart-wit mogelijk gezegd, om juist aan het einde van het Jona-verhaal de liefde van God des te duidelijker te laten overkomen.
Er is bij God volop ruimte voor genade.
Het Jona-verhaal nodigt ons uit om vooral groot te denken over Gods genade en ons oog niet boos te laten zijn, omdat God goed is. Er is juist alle reden om ons over de vrijheid van Gods genade en over de reikwijdte ervan, te verwonderen en te verblijden.
Om die reden heb ik het boek Jona met u willen lezen. Juist met het oog op Goede Vrijdag en Pasen. Want door het offer van Jezus, die meer dan Jona is, heeft de boodschap van het Jona-verhaal nog meer reliëf en diepte gekregen. Verwonder u vooral over Hem, die zijn leven voor u heeft prijsgegeven.
Jezus’ dood en opstanding zijn het ultieme bewijs van Gods liefde.
1. Bent u het ermee eens dat zonde ten diepste altijd opstand tegen de genade is?
2. Kunt u zich vinden in de voorgestelde benadering van het Jona-verhaal als cartoon?