Ter nagedachtenis aan ds. Otto Mooiweer
2003-04-25
Ditmaal een wat andere Persschouw dan u gewend bent. Ik herplaats hier een Persschouw van ds. O. Mooiweer van 6 jaar geleden (4 april 1997).- Jaargang 47
- nummer 9
M.H.T. Biewenga, Enschede
Als alles anders wordt...
'Als je veertig bent, ga je meer dan vroeger aan je dood denken', liet de man zich ontvallen. Die woorden werden gezegd tijdens een verjaardagsvisite waarbij het feestelijk en vrolijk toeging. De jarige wás veertig geworden.
En hij knikte bevestigend op die uitspraak. Velen van omtrent de veertig hebben die ervaring. De dood komt dichterbij en je wordt daarbij bepaald.
Maar na tien minuten was het gesprek al bij een heel ander station. De jarige voelde zich kerngezond en de gasten verging het niet minder. Om bij een gezellige ontmoeting als een verjaardagspartij je in het onderwerp van de dood te verdiepen, moet je als spraakmaker wel dominee of begrafenisondernemer zijn. Er vallen aantrekkelijker onderwerpen te bedenken.
De klop op de deur
Hij was om en nabij de veertig en hij genoot van het leven. Een eigen bedrijfje, een vrouw van wie hij hield met heel zijn hart; kinderen: wat wil een mens nog meer? Er moest hard gewerkt worden en hij maakte veel meer uren dan kantoormensen doen.
Maar als je bedrijf je lief is en als werken je in het bloed zit en als jaar op jaar de baten het van de lasten winnen, dan kun je immers dankbaar en tevreden zin! En als je van huis uit optimistisch gestemd bent en het met je familie en vrienden heel goed kunt vinden, dan is het leven rijk en blij.
Toch kun je niet meer alles hebben als je veertig bent, ontdekte hij bij zichzelf.
Hij was 's avonds, verbeeldde hij zich, vermoeider dan vroeger het geval was. En laatst, toen zijn dochter een stoeipartijtje met hem wilde beginnen, had hij gezegd: 'Nee meid, daar is vader te moe voor.' Vooral op zondag daalde de moeheid als een wolk op hem neer. Zijn vrouw zag het ook en zei: 'Ga dan op zondagmiddag een uurtje slapen!' Met een verlegen glimlach volgde hij haar raad op. Het uurtje duurde bijna drie uur. En op een middag, midden onder het werk, moest hij een poosje op het bankje naast de schuurdeur zitten. Zijn ogen zagen uit over de verre velden, maar hij zag iets anders. Was het voor een man van veertig wel normaal om erbij te gaan zitten als overal nog werk lag te wachten?
's Avonds bij het naar bed gaan was zijn vrouw nog even in de keuken bezig. Stiekem sloop hij de douchecel binnen waar de weegschaal stond.
Twee kilo lichter dan een paar maanden geleden? Die nacht staarden zijn ogen in de duisternis....
De weg was lang, de weg was kort Liefde ziet scherp. Het was zijn vrouw al wekenlang opgevallen dat haar man niet meer de vrolijke fluiter van vroeger was. En hield hij vroeger ook niet van zingen? Dat was er ook niet meer bij. Had hij iets onder de leden? Na enig aandringen kreeg ze hem zover: hij zocht de dokter op. De huisarts onderzocht hem, stelde een paar vragen en schreef toen de bekende brief.
Een week later begon de internist zijn onderzoek en zei aan het eind: 'Ik zou u een poos willen opnemen. Er zijn een paar dingen die we moeten bekijken.
Ik kan nu natuurlik nog niets zeggen.' Wat gaat er door je heen als de zuster je koffertje overneemt en je samen met je vrouw achter haar aanloopt?
Het ruikt hier anders dan thuis. De gezichten om je heen zijn je vreemd.
Zelfs het daglicht is anders dan thuis.
En je bent nog maar net in de ziekenkamer of iemand duwt een naald in je arm voor een bloedmonster. Je bent begonnen aan de lange weg. Aan de weg die zo kort is. En weer staren je ogen in de duisternis van de nacht.
Waar gaat dat heen?
Drie weken later
De telefoon rinkelt. Bijna gedachtenloos neem je de hoorn van de haak: 'U spreekt met Kwast.' ... 'Ja mevrouw, hebt U nader bericht over uw man gekregen?' 'Heeft de internist dát vanmiddag tegen uw man gezegd?' ...
'Dan ga ik vanavond na de catechisatie nog naar hem toe. Morgen in de loop van de dag kom ik wel bij u langs.' Die avond rijd je naar het ziekenhuis in de stad. De man heeft vandaag zijn doodvonnis te horen gekregen. Je bent veertig en dan zegt de dokter tegen je: 'We blijven ons best doen maar het ziet er erg zorgelijk uit.' Ik kan de dood niet zetten. Hij is een vervloekte indringer, vooral als hij komt om mensen midden uit het leven weg te halen. Ik heb geen goed woord voor hem over. Hij is een beest, een zwart verderf, een vernielzuchtig monster.
Hij scheurt mensen uiteen. Hij vertrapt menselijk geluk. Hij grist weg wat ons lief is.
We gaven elkaar de hand. Hij probeerde te glimlachen. Ik ging zitten en durfde niets te zeggen. Er zijn uren waarin je als pastor alleen maar mag luisteren. Het waren brokstukken van zinnen. Zijn ogen waren nat. Hij zei: 'Ik heb het al veel langer geweten.' Toen bleef het heel lang stil. Hij had het al geweten toen hij midden in de middag op een bankje naast de schuurdeur zat en over de verre velden uitkeek.
Toen had hij het met God en met zichzelf moeten uitvechten, helemaal alleen! Die avond bestond mijn enige bijdrage tot het gesprek in de voorlezing
van een psalmvers:
Wanneer ik wakend in de nacht
mijn geest bij U, Heer, laat vertoeven,
dan mag ik weer uw goedheid proeven;
uw hulp wordt nooit vergeefs verwacht.
Waar zich uw vleugels breed ontvouwden,
zing ik mij van mijn zorgen vrij.
Mijn ziel, Heer, is U zeer nabij,
door uw hand word ik vastgehouden.
Voorbij de laatste bocht
Enkele weken daarna was hij weer thuis. Het was een zucht van diepe vrede die hij slaakte. Hij zou thuis mogen zijn in de laatste maanden van zijn leven. Het zijn maanden van intense dankbaarheid en van diepe weemoed geworden. Alles was anders geworden. Hij zag zijn vrouw, hij zag zijn kinderen, hij zag zijn bedrijf met de ogen van iemand die voor altijd op reis gaat. Elke wandeling die hij maakte, was iets korter dan de vorige. Elke ontmoeting met familie en vrienden was korter dan de vorige. De vermoeidheid groeide als een klimop. Elke dag heb ik hem even opgezocht. Soms wilde hij vertellen van het mooie en gezegende leven waarvan hij volop had genoten. Of van zijn bedrijf dat hij stukje bij beetje had opgebouwd. Of van zijn vrouw en kinderen die hem meer dan ooit lief waren. Maar het was of zijn ogen af en toe al de ándere oever zagen. Hij was gereed om met God mee te gaan. Innerlijk had hij al afscheid genomen.
In al de smartelijkheid van de ziekte die hem meer en meer overmeesterde, was hij een getroost mensenkind Zijn pastor hoefde tegen een bezoek bij hem geen dag op te zien, omdat de Goede Herder zelf de leiding had genomen. Er was een vreemde en aangrijpende sfeer waarin verdriet en weemoed doorkruist werden door hoop en inzicht.
Zo is het einde gekomen en over de laatste dagen, de laatste uren verbiedt de piëteit mij te schrijven. Maar een man ging heen, geestelijk ongebroken, midden uit het leven naar een toekomst waarvan hij in het geloof overtuigd was. Ik blijf erbij dat ik de dood niet zetten kan. Maar als wij een mensenkind voor de poorten van de dood moeten loslaten, is de Grote Andere allang bij hem.
L.H.K.
Dit stuk werd gepubliceerd in de ‘FRIESE KERKBODE’, weekblad van de gereformeerde kerken in Friesland. Het stond in het nummer van 21 november 1980. Dat is al een hele tijd geleden, maar het is nog steeds actueel.
Ds. L.H. Kwast heeft het geschreven.
Hij was destijds eindredacteur van bovengenoemd kerkblad (). Hoe vaak ik dit artikel gelezen heb weet ik niet meer.
Maar steeds word ik diep ontroerd. Het is voor mij een kleinood geworden, dat ik koester. Via ons blad wil ik u nu deelgenoot maken van de intense vertroosting, die uit de beschrijving van dit ingrijpende gebeuren op ons afkomt.
Lectori Salutem! Dat betekent: De lezer heil!
O. Mooiweer, Enschede