De theoloog als leerling*
2004-11-12
In Opbouw nummer 15 van deze jaargang stond een artikel getiteld ‘De dominee is alleen’. Daarin werd stilgestaan bij de opleiding tot predikant en de vorming tot predikant. De moeiten en valkuilen van het werk als predikant kwamen in dat artikel naar voren, moeiten en valkuilen die voor ons vanuit de opleiding Godsdienst Pastoraal werk in Ede zeer herkenbaar zijn en waar we proberen onze studenten op voor te bereiden en ertegen te wapenen.- Jaargang 48
- nummer 22
Deze voorbereiding, in de vorm van persoonsvorming, krijgt veel aandacht tijdens de opleiding door alle vier de studiejaren heen, o.a. in de vorm van supervisie.
In dit artikel willen we laten zien hoe we dat doen.
Mensgericht beroep
In Ede is er een opleiding tot Godsdienst Pastoraal Werker (GPW), die (jonge) mensen opleidt tot missionair, pastoraal of jeugdwerker binnen kerken en organisaties (zoals de Hervormd Gereformeerde Jeugdbond, Youth for Christ, Nederland Gereformeerd Jeugdwerk, etc.) Het ‘afzetgebied’ van deze studenten is groeiende en verplaatst zich ook wat, al naar gelang de ontwikkelingen binnen de kerken. Zo komen er steeds meer ‘GPW-ers’ terecht in kerken als pastoraal werker, jongerenwerker of ter ondersteuning van plaatselijk Alphawerk of diaconaat.
GPW, een HBO opleiding Theologie, is zich er sterk van bewust dat het opleidt tot een mensgericht beroep waar speciale vorming voor nodig is.
Immers, de boodschap van de Bijbel snijdt in de eerste plaats door de eigen ziel, en wordt dan ook door jou als persoon doorgegeven aan die ander. Uit hoe je dat doet, en wat je dan zegt blijkt veel over wie jezelf bent, over je karakter en je drijfveren.
Daarom is het van belang dat de kerkelijk werker, in welke sector hij of zij ook maar terechtkomt, zichzelf gaat zien als ‘instrument’ voor het werk en als leerling (van zijn Hemelse Vader) leert preken.
Vorming in de praktijk
Vanaf het eerste jaar zijn er stages waarin de studenten ervaringen opdoen in de praktijk.
Ze komen van alles tegen: orde houden op catechisatie, meelopen met de predikant in huisbezoeken en rouwprocessen, organiseren van een activiteit of actie, conflicten binnen commissies of gemeente, etc.
De confrontatie met de praktijk helpt de student bij eigen vragen uit te komen en meer gericht met de gegeven theorie om te gaan. De ‘theorie’, vakken als Dogmatiek, Oude en Nieuwe testament, Diaconaat, Gemeenteopbouw, Filosofie, Ethiek, gaan dan leven en vergroten het perspectief van de student en helpen hem/haar (beleids) lijnen te trekken en zo een stuk beroepsdeskundigheid op te bouwen.
Vragen als: wat doen conflicten met mij, welk beeld heb ik eigenlijk van God, wie denk ik dat ik als pastor moet zijn, komen in de wat meer persoonsgerichte vakken aan de orde. Daarvoor bieden de vakken sociale en gespreksvaardigheden, pastoraat en psychologie expliciet ruimte.
In het tweede jaar krijgen de studenten pastorale en missionaire gesprekstraining en doen ze mee aan een project.
Ze leren aan elkaar te vertellen wat ze van de ander zien, welke sterke en zwakke kanten ze hebben en hoe ze zichzelf leerdoelen kunnen stellen. In intervisiegroepjes, groepjes van vier of vijf studenten, wordt er gesproken over de praktijk in relatie tot jou als persoon.
Men stelt elkaar vragen als: waarom reageer ik zo afwerend op die persoon, waarom moet ik alles in de hand houden, hoe laat ik zien dat ik meeleef met dat Marokkaanse gezin waar ik contact mee heb, wat straal ik uit als ik het heb over Gods liefde, etc. Juist het werken in een team, het samenwerken en dingen uitwisselen met elkaar is een belangrijke vaardigheid.
Immers: als je je niet kwetsbaar op kunt stellen en je verschuilt achter een positie of in een rol gaat zitten, dan kom je niet authentiek over en raak je een stukje van jezelf kwijt. Dan raak je trouwens ook de ander kwijt met wie je contact hebt. Daar word je eenzaam van.
Als docenten zijn we ons er van bewust dat het beroep van kerkelijk werker, op welke plek binnen het werkveld je ook terechtkomt, inderdaad vaak een eenzame is, en op zijn minst vaak een solistische.
En juist zulke posities kunnen leiden tot vervreemding van jezelf, een burn-out of conflicten, want vanuit eenzaamheid heb je meer te verdedigen en te beschermen.
Ook moet een werker leren omgaan met verwachtingen die mensen van hem/haar hebben en met de eigen zwakheden en ‘dorre periodes van zijn/haar eigen leven’. Die verwachtingen worden vaak geestelijk geduid (bijvoorbeeld: een pastor dient de jeugdleiding het beste door conflicten te vermijden) En juist vaak in die geestelijke duiding ligt een enorm appel op de integriteit en de intentie van de pastor: hij wil het immers goed en namens God doen?
De tijden zijn veranderd
De oplettende lezer heeft uit het bovenstaande kadertje kunnen aflezen hoe de postmoderne GPW student staat t.o.v. een (waarschijnlijk) postmodern commissielid: emoties zijn te communiceren, bij waarden en normen ligt dat al een stuk moeilijker.
De kerkelijk werker stelt het evangelie present in een veranderde tijd: waarheden hebben plaatsgemaakt voor ervaring en beleving. Communicatie van ‘De Waarheid’ gaat niet meer alleen via ‘Het Woord’ en via Kennis, maar juist ook via persoonlijke en authentieke relaties, via het –samenbeleven.
Dit heeft gevolgen voor de positie van de pastor, de jeugdwerker, de missionaire werker, en dus ook voor zijn/haar persoon.
Kort door de bocht gezegd: het gezag van de pastor en van hen die in Gods koninkrijk werken, heeft fors ingeboet.
Gezag, dat automatisch ontleend werd aan je positie, waardoor je het ook (deels) voor het zeggen had, moet nu ontleend worden aan vaardigheden als het opbouwen van relaties en de wijze van communiceren. (het rolmodel) De kerkelijk werker zal transparant en authentiek moeten zijn, relaties aan kunnen gaan en zichzelf moeten kunnen positioneren in situaties.
Hij/zij zal zichzelf moeten kunnen laten zien in wie God voor hem/haar is en waar hij/zij zoekend en tastend staat.
En ook kerkelijke werkers lopen pijn op aan het leven. Tegen de tijd dat studenten in hun stagejaar (3e jaar) terechtkomen en in supervisie gaan is het vaak al heel duidelijk wat ze binnen het werkveld willen leren en waar –globaal- hun gaven en (on)mogelijkheden liggen.
Het is een belangrijk jaar voor ze, waar ze veranderd en doelgerichter uit naar voren komen. Klaar om in het vierde jaar af te studeren en de praktijk van het werk in te gaan.
* Klaas Holwerda schreef in Opbouw (1998) een artikel over de Klinisch Pastorale Vorming met als titel ‘Als een leerling leren spreken’.
| Wat is supervisie? Supervisie is een vorm van leren waarbij het leerproces zich richt op de ontwikkeling van houding en vaardigheden. Supervisie is geschikt voor mensgerichte beroepen en kan individueel of in groepsverband (2 à 3 personen) plaatsvinden, waarbij een supervisor het proces bewaakt. De supervisant brengt zelf leervragen in en is zelf verantwoordelijk voor zijn/ haar eigen leerproces. Een serie supervisiezittingen kan bestaan uit 10-15 ontmoetingen, die tweewekelijks plaatsvinden. Tussentijds –om scherp te blijven - en aan het einde van de serie wordt er geëvalueerd. Het is nadrukkelijk geen therapie, de relatie met het werk en de eigen innerlijke samenhang staan voorop. Supervisie is een integratiemodel waarbij op verschillende niveaus gewerkt wordt: Het eerste niveau: de persoon: denken /voelen/ doen mogelijke leervraag: ik vind het lastig met gemeenteleden over gevoelens te praten Het tweede niveau: het werk: persoon /beroep / werkveld mogelijke leervraag: hoe begeleid ik deze specifieke specifieke kerkelijke gemeente Het derde niveau: de gelovige: God / De pastor / de werksituatie mogelijke leervraag: hoe herken ik Gods leiding in pastorale gesprekken? Dit derde niveau vind je niet in de literatuur terug, maar als opleiding zien wij de geestelijke dimensie ook als integratiepunt bij een supervisant. |
| Ik kwam in de supervisie met als doel helder te krijgen hoe ik mijn activiteiten binnen de kerk beter kon managen. Tijdens de supervisiezittingen ontdekte ik dat ik moeilijk keuzes durf te maken en geen ‘nee’ durf te zeggen omdat ik niemand wil teleurstellen. Mijn vrouw is ook blij met mijn proces. (Predikant juni 2004) |
| Ik heb van huis uit meegekregen dat God wil dat ik elke dag tijd voor hem vrij maak, maar dat lukt me vaak niet. In de opleiding heb ik geleerd dat God graag een ontmoeting heeft met mij als persoon i.p.v. met mijn prestaties. In mijn jeugdgroep heb ik hier pas een bijbelstudie over gegeven. (student, 19 jaar) |
| Bij het vak Ethiek hebben we met elkaar gesproken over homoseksualiteit. De week daarop vertelde een jongen uit de projectgroep die ik leid, dat hij homoseksuele gevoelens heeft. ‘Ik heb geen moeite om over seksualiteit te praten, maar wel over mijn waarden en normen, hoe pak ik dit aan?’ (2e jaars studente) |