Schepping en evolutie

2009-08-28
  • Jaargang 53
  • nummer 17
‘Nee, niet alweer!’ Die reactie kan ik me voorstellen bij het lezen van het opschrift hierboven. We zijn moe geworden van al die discussies in dit Darwin-jaar; niet in de laatste plaats doordat veel van die discussies zich beperkten tot het hoofd, zonder het hart te raken. Maar in het artikel in het julinummer van Kontekstueel gaat het de Apeldoornse professor G.C. den Hertog juist om dat hart.
Hij begint met de waarneming

dat de drang om te beheersen ‘orthodoxe’ evolutionisten en creationisten verbindt. De eersten bouwen een systeem waarin God geen plaats lijkt te mógen hebben en de laatsten maken van God een ingenieur die ze kunnen narekenen. Zo zetten ze samen de in onze westerse wereld zo diep gewortelde overschatting van de wetenschap voort, onder verwaarlozing van wat in het ‘hart’ omgaat. ()
Het gaat bijbels gezien om dat deel van onszelf waar we stuiten op wat we niet in onze vingers hebben en dat in hoge mate bepaalt wat het ‘hoofd’ waar wil hebben. In het ‘hart’ vallen de beslissingen. Daarom is het van belang dat we de stem van het ‘hart’ niet negeren en de verbindingen van ‘hart’ en ‘hoofd’ doorblazen. Vandaag zit daar het nodige verstopt en dat is een serieus probleem. ()
Eerlijk gezegd snap ik niet goed dat christenen zo ogenschijnlijk gemakkelijk van zesduizend jaar naar enkele miljarden jaren overstappen. Het is toch niet niks. De zesduizend jaar waarmee we in de Bijbel te maken hebben zijn min of meer overzichtelijk. Goed honderd keer mijn leeftijd terug en dan ben je er al. God schept uit niets en heeft alles in de hand. We wonen in een veilig huis.
Maar als het nu eens anders is gegaan en de aarde miljarden jaren oud is? Als er een heleboel is gebeurd, waarvan de Bijbel ons niet vertelt? Als het heelal oneindig groot is, melkwegstelsels heeft en ‘zwarte gaten’ - en nog al maar uitdijt? Dan ‘doet’ dat toch iets met je?!
Met dat laatste zijn we bij vragen die er niet pas zijn sinds Darwin, maar al eerder. De problemen van het ‘hart’ zijn er sinds we het heelal gingen ontdekken en verkennen. Pascal leefde na de copernicaanse omwenteling en biechtte op dat ‘de eeuwige stilte van deze oneindige ruimte’ hem met ‘met angst’ vervulde. Waar mogen we ons de hemel nog denken? Waar zijn onze doden? Die vragen gaan naar mijn gedachte dieper dan die van de ouderdom van de aarde. ()
In Jesaja 45:15 lezen we de uitroep, die niets minder dan een belijdenis is: ‘Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser’. Ik ga die tekst niet uitleggen, maar wijs er alleen op dat hier sprake is van een verborgenheid van God die niet een tijdloze rationele denkpuzzel is, maar een gestalte van zijn handelen met mensen! Luther heeft onderstreept dat God zich kan verbergen en het verband gelegd met wat het Oude Testament helder aangeeft, namelijk dat geen mens God kan zien en leven. Gods verborgenheid is zijn verhulling, tot onze beschaming maar ook tot ons heil. God verbergt zich zelfs voor ons in Christus, met de bedoeling dat wij Hem zoeken en vinden - niet in de hoogte, maar in de diepte van onze val, waarin Hij ons achterna is gegaan. Gods verberging en openbaring voltrekken zich midden in het leven. Wie God daar echt tegenkomt, telkens weer, maar ook weet wat het is Hem kwijt te zijn, ligt niet aanstonds ondersteboven van wat hij of zij in het Darwin-jaar allemaal op zich af krijgt. En omgekeerd: waar God enkel in de Bijbel gezocht wordt, het geloof het moet hebben van de innerlijke overtuiging en de wereld in feite niet meer is dan materiaal voor onze plicht, ligt de bijl van het atheïsme aan de wortel van ons geloof. Al met al is Darwin niet ons eerste en grootste probleem. De vraag waar de hemel is en waar onze doden zijn is er ook en knaagt misschien wel veel meer aan ons. Als we in deze wereld God nergens tegenkomen en kunnen plaatsen wreekt zich dat onherroepelijk. De nadruk op het gevoel in de spiritualiteit is niet uit de lucht komen vallen.
Belangrijker dan een antwoord op de vragen van de ouderdom van de wereld is het weer leren luisteren naar wat het ‘hart’ aangaande God verneemt. Als dáár niets wordt gehoord dat mij met vertrouwen mijn weg doet gaan, verkommeren we van binnen. Dan krijgen onze angsten het laatste woord en kan een fervente creationist van de ene dag op de andere het geloof afzweren. De geschiedenis laat er de nodige voorbeelden van zien. Onze angsten hebben hun redenen die het verstand niet kent. Reden te meer om God ook en vooral met ons ‘hart’ te zoeken.

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK in Enschede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief