In de ban van het moeten

2003-05-23
  • Jaargang 47
  • nummer 11
Lang niet altijd is het gezin de veilige basis die het zou moeten zijn. Er zijn gezinnen waar kinderen geestelijk of lichamelijk mishandeld worden. Soms komt een topje van deze ijsberg via de media boven water. Er zijn ook kinderen die niet mishandeld worden, maar die in geestelijk en lichamelijk opzicht toch tekort komen binnen het gezin. Aan de buitenkant lijkt het allemaal mooi. Maar….. hoe ziet de binnenkant er uit?

Modelgezin
In ‘Opbouw’ werd in het jaar 2001 het boek ‘Van moeten naar mogen’ (door Nancy Groom) besproken (1). Groom schrijft over gezinnen die een voorbeeld zijn voor de buurt en de kerk.
Vader maakt lange dagen om zijn gezin te onderhouden, moeder zorgt dat thuis alles op rolletjes loopt. De kinderen worden goed opgevoed. Ze gedragen zich netjes en spijbelen nooit.
De woonkamer lijkt een toonzaal. De ouders zijn actief in het vrijwilligerswerk en binnen de kerkelijke gemeente. En toch voelen alle gezinsleden zich eenzaam…

Perfectionisme
Je kunt toch beter naast zo’n net gezin wonen dan naast de familie Flodder?
Inderdaad: orde en netheid, een goede opvoeding, ouders die hard werken en die bovendien ook nog eens voor anderen klaar staan: die gezinnen kunnen we in de samenleving én in de kerk prima gebruiken. Maar, zo luidt de kernvraag van Nancy Groom: waaróm zijn die ouders zo hard aan het werk? Is dat een ontspannen manier van werken? Of moeten er steeds meer werk verzet worden om maar aardig gevonden te worden?
Mag er ook af en toe iets mis gaan of leven deze ouders onder de druk van hun eigen perfectionisme?

Martha U
In het verlengde van de problematiek die Groom beschrijft ligt een publicatie van Paula Lampe (2). Het is maar een kleine stap van het ‘moeten’ in het gezin naar het ‘moeten helpen’ in de hulpverlening. In ‘Het moeder Teresasyndroom’ staat Martha U. centraal, een zorgzame vrouw, kerkelijk actief betrokken, lid van een gospelkoor, geliefd in de familie, zeer gewaardeerd in haar werk (de zorg voor ouderen). Toch ontstaan er scheuren in dat mooie beeld.
Het gaat niet goed met haar huwelijk en haar zoon verlaat tegen haar zin het huis. Des te fanatieker stort ze zich op haar werk, want daar wordt ze nog wel gewaardeerd. Ze wordt benoemd tot waarnemend hoofd. Totdat in 1995 blijkt dat Martha U., de vrouw die altijd voor iedereen klaar stond, verantwoordelijk is voor de dood van minstens 7 patiënten. In haar analyse van de geschiedenis van Martha U. laat Lampe op onthutsende wijze zien hoe deze verpleegkundige leefde in de ban van het ‘moeten’. De drijfveer van haar zorgzaamheid voor anderen lag niet in de betrokkenheid bij de patiënten, maar in het zichzelf niet aanvaard voelen.
Een bizar detail daarbij is dat juist demente patiënten met goede familiecontacten slachtoffer werden van haar daden.

Pijn vermijden
De problematiek die Groom en Lampe aan de orde stellen is niet nieuw. Van een Opbouw-lezer ontving ik een al eerder verschenen boek: ‘When Love is not Enough’ (door Stephen Arterburn en Jim Burns). Zowel Groom als Arterburn & Burns (3) trekken een lijn van gezinnen waar sprake is van verslaving (zoals alcohol of gokken) naar de drang tot perfectionisme. Ze bespreken het thema vanuit een christelijke achtergrond.
Als wortel van de problematiek komt bij alle genoemde auteurs de behoefte naar voren om onderhuidse emotionele pijn niet te hoeven voelen. De gezinsleden (bij Lampe: de hulpverleners) hebben het gevoel dat hun bestaan niet veel voorstelt. Ze kennen geen zelfwaardering (zie ‘Opbouw’, 13 december 2002). Daardoor doet het leven van binnen pijn. Vanwege die chronische emotionele pijn zoeken ze naar manieren om te overleven.
Om zo min mogelijk verdriet te ervaren raakt men in de ban van het ‘moeten’.

Onderlinge afhankelijkheid
We noemen deze families: disfunctionele gezinnen. Typerend is de onderlinge afhankelijkheid (codependency), die in schril contrast staat met de onderlinge verbondenheid die kenmerkend is voor gezonde gezinnen. Verbondenheid verwijst naar een positieve betrokkenheid, het ‘kennen’ zoals dat zo mooi in Psalm 139 wordt verwoord.
Zonder verbondenheid voelen mensen zich eenzaam. Deze eenzaamheid wordt vaak nog versterkt doordat er tussen de gezinsleden weinig informatie wordt uitgewisseld. De gezinsleden voelen zich een vreemdeling - een toeschouwer - in het eigen gezin.
Opmerkelijk is de manier waarop men voor elkaar denkt, zonder elkaar over dat onderwerp gesproken te hebben. Er wordt dus ingevuld hoe de ander denkt en voelt (“Jaap is heel erg boos op jou”, ’moeder”).
Ook spanningen komen vaak voor. Soms vinden ze hun uitweg in een voortdurend cynisme of in onderlinge jaloezie.
Men kan niet mét en niet zonder elkaar. Mét elkaar ontstaan er binnen de kortste keren ruzies. Elkaar loslaten, elkaar de ruimte geven, blijkt echter een onmogelijke opdracht voor de gezinsleden. Men is niet met elkaar verbonden, maar gebonden, tot elkaar veroordeeld.

Als banden knellen
Enkele weken geleden verscheen vanuit orthodox-gereformeerde kring opnieuw een boek dat aan de thematiek van de relatieproblemen binnen gezinnen raakt (4). Deze publicatie richt zich op spanningen tussen kinderen en hun ouders. De auteur gaat o.a. in op de loyaliteit die kinderen voelen ten opzichte van hun ouders.
Tegelijkertijd noemt hij de zgn. roulerende rekening. Wat er binnen één generatie gebeurt, heeft gevolgen voor de volgende generatie. Kinderen die zich niet thuis voelden in het gezin verwachten van de eigen relatie dat het wél goed zal gaan. Maar, zo stelt het boek: “het is onrechtvaardig te verwachten dat een leven lang gemiste erkenning en waardering goedgemaakt kan worden door de partner of zelfs door de kinderen”. Op het gezin rust dus een te zware hypotheek: het móét goed gaan en juist dat moeten vormt de aanleiding voor nieuwe problemen. Op de inhoud van dit boek komen we t.z.t. in ‘Opbouw’ terug.

Faalangst
Vaak doen kinderen hun uiterste best om het de ouders of broers en zussen naar de zin te maken. Naarmate de eisen hoger zijn neemt de faalangst toe. Soms mijden de kinderen risico’s en stellen ze beslissingen uit.
Mathilde verstuurde de aanvraag voor een studiebeurs niet, het gevolg was dat ze niet kon studeren. Andere kinderen beginnen bij herhaling vol enthousiasme aan een opleiding om vervolgens weer van studie te veranderen.
In de eisen ten opzichte van elkaar valt op dat het nooit goed genoeg is. Een gezinslid moet zijn excuses aanbieden, maar op het moment dat hij dat doet volgen weer nieuwe eisen. Typerend kan het taalgebruik zijn: “Je komt altijd te laat”, “Lieverd, waarom kun je nooit eens op tijd komen?” en het bekende: “Ik ben niet boos, maar wel verdrietig”.

Zwart-wit denken
Problemen binnen het gezin worden vaak geweten aan de boze buitenwereld.
“We wonen in een slechte buurt, de onderwijzer begrijpt ons kind niet, de buren gedragen zich negatief, de mensen in de kerk zijn achterbaks, de hulpverlening deugt niet”. De kinderen krijgen vaak als boodschap mee om anderen niet te vertrouwen.
Opvallend is daarbij het zwart-wit denken: de ander is helemaal goed of helemaal fout. “De leraar heeft mijn héle jeugd verpest”…… In dat kader is de manier waarop Marguerita de Roy van Zuidewijn haar problemen met het koningshuis heeft verwoord illustratief.
Psychotherapeut Arthur Hegger (5) –o.a. bekend van de Opbouwdag 2003- noemt als één van de doelstellingen van de therapie het opheffen van dit zwart-wit denken, het leren omgaan met nuanceringen.

Van alle tijden
In hun boek When love is not enough schrijven Arterburn en Burns dat er altijd disfunctionele gezinnen geweest zijn. Ze gaan daarbij terug naar familedrama’s in het Oude Testament.
“Zelfs in de rechtstreekse lijn naar de Here Jezus toe zien we veel disfunctionele gezinnen, zoals Kaïn en Abel, Jacob en Esau, het gezin van David”.
Zijn niet alle gezinnen disfunctioneel?
vragen de auteurs zich af. Inderdaad komen we in álle gezinnen disfunctionele kenmerken tegen. Dat is onvermijdbaar: de gebrokenheid van het Oude Testament trekt zijn spoor door de opvoeding en ook door de christelijke gezinnen in de 21e eeuw.
Daarmee is het familie echter nog niet ongezond. Dat is wél het geval als het gezin voortdurend ontregeld is, gedurende een lange reeks van jaren.

Oplossingen
Als patronen binnen het gezin jarenlang bestaan is het buitengewoon moeilijk om daar van los te komen. Je kunt jezelf nu eenmaal niet uit het moeras trekken. Daarom dringen Arterburn en Burns er op aan om de stap naar een professionele vorm van hulpverlening te zetten. Ze vinden dat noodzakelijk want ‘het gezin vormt de basis voor ons samenleven’. Het zoeken van hulp is een moeilijke stap voor gezinnen die naar buiten toe de schijn hebben willen ophouden dat het thuis allemaal goed ging. Ook het vervolg is zwaar: alle gezinsleden moeten leren om pijnlijke gevoelens onder ogen zien en te verwoorden.
Daarnaast moet er intensief met de onderlinge communicatie ‘geoefend’ worden.

Tenslotte
Aan het eind van dit artikel nog enkele nuanceringen.
- Met orde, netheid en discipline in het gezin is niets mis. Het gaat niet goed als regels in het gezin alleen maar voortkomen uit de drang naar perfectionisme.
- Opvoeden gaat altijd gepaard met spanningen en botsingen en in ieder gezin hebben kinderen onderling aanvaringen. Daar is niets mis mee.
- Er zijn veel gezinnen waar kinderen vastlopen.
Dat is echter geen ‘bewijs’ dat het gezin disfunctioneel was. We moeten dan ook voorzichtig zijn in ons oordeel.
- Omgekeerd: lang niet ieder kind uit een disfunctioneel gezin raakt verstrikt in problemen. Er zijn ook veel kinderen die zich ondanks een belaste jeugd harmonieus ontwikkelen.
- Breder bekeken: niet alleen in een gezin, ook in een bedrijf, op scholen en helaas ook in de christelijke kerk komen disfunctionele structuren voor.
- De vakliteratuur over disfunctionele gezinnen is vrij nieuw (sinds 1980).
Het is slechts één van de manieren waarop processen in gezinnen beschreven kunnen worden.
- De belangrijkste opmerking is dat ouders in een disfunctioneel gezin geen kwaadwillende ouders zijn.
Integendeel: deze ouders hebben juist vaak het beste met hun kinderen voor.
Psychiater Johan Cullberg (6), die in zijn handboek ook een hoofdstuk schreef over disfunctionele gezinnen, verwoordt dit met de woorden van Paulus: “Want niet het goede dat ik wil doe ik, maar het kwade dat ik niet wil doe ik” (Romeinen 7 : 19). De ouders willen het juist goed doen, maar het breekt hen bij de handen af. Ook op dit punt moeten we dus zeer voorzichtig zijn in ons oordeel

Geciteerde literatuur:
(1) Nancy Groom: Van moeten naar mogen (Navigator Boeken, Driebergen, 2000)
(2) Paula Lampe: Het moeder Teresasyndroom (PM-Reeks, Nelissen, Soest, 2002)
(3 Stephen Arterburn en Jim Burns, When Love is not Enough (Colorado Springs, 1992)
(4) Jaap van der Meiden: Als banden knellen (Praktisch & Pastoraal, Groen, Heerenveen, 2003)
(5) In: Willem Smouter en Cor Blom: Vergeef me (Boekencentrum, Zoetermeer, 2001)
(6) Johan Cullberg: Moderne Psychiatrie (Ambo, Baarn, 1994)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief