Uit elkaar

2003-06-20
  • Jaargang 47
  • nummer 13
‘Kan je even komen?’ Zijn hoofd staat ernstig. Mijn eigen klas kijkt verwonderd. Naar mij. Dan weer naar G. Doet ‘ie het of doet ‘ie het niet, lijken ze te denken.
Ik realiseer me dat G., mijn jonge collega, een deksels moeilijke klus aan het klaren is.

Hij vertelt klas 2b dat ze na de zomer niet meer zullen bestaan. Ze worden opgedeeld over de andere klassen.
Exact om 13.55 uur zouden drie collega’s het alle tweedejaars klassen vertellen.
Zowel aan de ontvangende klassen als aan de slachtofferklas.

Ik zet mijn eerstejaars klas aan een opdracht en loop mee. De sfeer is ruikbaar in het warme lokaal.
Boze ogen, vragende ogen, verdrietige ogen.
Maar ook boze woede; ze wisten het namelijk al vòòrdat ze het lokaal inkwamen. Van een parallelklas op de trap.
G. en ik kijken elkaar aan.
Onaangenaam verrast. Een collega die een parallelklas instrueerde was met twee minuten klaar en had ze maar weer laten gaan.
Op de trap liep het zeer ‘hotte’ nieuws gewoon mee naar boven.
Daar gaat onze zorgvuldige aanpak.
En logisch dat ze boos zijn.
Ze kijken naar me.
‘Dromer, jij coördineert hier, zeg dat het niet waar is, of leg in elk geval uit waarom onze klas dit noodlot treft…?’ Ik luister en beweeg mee.
De reden is simpel. Geld. We kunnen alle kleine klassen niet in leven houden, dus moet er eentje tussenuit.
‘De pijn bij de kleinste leggen is niet redelijk’, roepen ze. Dan maar bij iedereen. ‘ALLE KLASSEN DOOR ELKAAR’, roept iemand woest.
Dan lichten de felle ogen van Jamina op. Ze is een Marokkaanse meid, scherp, fel, maar erg lief als je daar doorheen kijkt. Ze zegt met boze stem (ik hoor haar teleurstelling er doorheen): ‘Dromer, jij hebt ons beloofd in het eerste jaar dat we nooit uit elkaar gehaald zouden worden als klas. Je bent dus een leugenaar en een beloftebreker!’

Ik slik.
Ze heeft gelijk.
Ik heb het gezegd. Weliswaar in een compleet andere context en in een ander verband, maar in haar ogen is zo’n verontschuldiging nu irrelevant.
Ik uit hem dan ook maar niet, kijk haar aan en bied mijn (oprechte) verontschuldiging aan. ‘Het spijt me Jamina, dat ik mijn belofte gebroken heb.’ Ze bromt nog wat door, lijkt nu niet zo goed te weten wat ze moet zeggen.

Ik ook niet.
‘Zijn wij dan een rotklas?’, vraagt iemand anders. ‘Toen we een overlijden hadden van iemands vriend waren we er toch voor haar?’ Ja, dat klopt.
Het zijn heerlijke, lieve individuen.
Maar ze leren niet samen, werken niet samen, stimuleren elkaar niet en zijn vaak aan het spijbelen.
(‘Maar’, zegt Carola semi-ernstig tegen haar klasgenoten, ‘als jullie spijbelen, doen jullie het wel heel sociaal met z’n allen samen…’) Er wordt gelachen. Iedereen ziet in gedachten opeens Carola alleen in het lokaal zitten. Het meisje zonder mobiel en met groot gevoel voor eerlijkheid.

We sluiten af. Iedereen mag een email aan ons sturen met zijn of haar mening over de gang van zaken en zijn of haar voorkeuren aan meeverhuizende klasgenoten.
Een week later zijn er tien mails binnen. Acht van de tien zeggen dat ze het begrijpen en eigenlijk wel oké vinden.
‘We zijn ook wel een beetje gekke klas…’ Ik gromlach en denk aan wijze woorden van collega J. ‘Toon me een klas en ik zal u zeggen wie hun eerstejaars mentor is.’ Deze (te) gekke klas verdwijnt.
En ik was hun mentor.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief