Fraude
2003-08-01
Ik zit achter mijn pc als ik haar digitaal zie aankloppen.- Jaargang 47
- nummer 15
Al staat mijn msn scherm op ‘afwezig’ Tamar begint tegen met te ‘praten’ en neemt gewoon aan dat ik er wel ben en haar aandacht geef. Of niet. Lijkt haar ook goed.
17 jaar oud en leerling in mijn tweedejaars klas.
Mijn collega’s weten inmiddels dat ik een zwak voor haar heb. We zijn daar in het team vrij open over. Iedereen heeft lievelingsleerlingen, of toffe gozers, leuke meiden, bijzondere types. Docenten die doen alsof ze allemaal monniken hebben met gelijke kapjes, werken volgens mij niet met jonge mensen of dragen zelf oog-beschermende klepjes.
Bij de laatste bespreking van de klas gaf ik een voorbeeld hoe Tamar de sfeer positief beïnvloedde. “Ja ja, we weten wel dat Tamar bij jou geen kwaad kan doen, vertel eens iets anders.” “Nou ja,” sputterde ik nog, “Ze kan best wel kwaad doen…” Zwijgend zat ik daarna te bedenken wat ik aan kwaads kon vinden?
Hoogstens haar ongemanierde manier van groeten op msn.
“Dromer, ben je druk?” “Ja.” “Waarom dan?” “Gewoon, ga jij toch zelf huiswerk maken meid.” “Ik ben bezig, maak een sollicitatiebrief om een stage plek te krijgen.” “Hmm, ik ben druk met talkloze administratieve klusjes; rotklusjes.” Dan zegt ze: “Ruilen? Jij mijn brief, ik jouw klusjes?”
Ik denk even na. Ik weet dat ik het goed en snel kan. Ik zeg het zonder arrogantie, ik kan met woorden wel aardig spelen en sfeer, passie en persoonlijkheid typeren.
“Is goed, ik doe eens gek”, typ ik haar terug.
We mailen elkaar de stukken en ze gaat voor me werken en ik herschrijf haar brief.
Via msn houden we elkaar op de hoogte en vullen we hiaten aan.
De sfeer is relaxed.
Samen werken op je pc; 25 kilometers uit elkaar. Het werkt rustgevend en is gezellig.
Als ze hem krijgt, straalt ze; “Ja dat ben ik.” “Ik weet het,” zeg ik. “Nou die baan nog.”
Een week later zegt ze: “Je hebt een 7.” Ik vraag haar beleefd waarvoor en van wie ik dit saaie cijfer heb gekregen.
“Niet van mij,” typt ze lachend; “Van je collega I.” “HUH?” “Je wist toch wel dat die sollicitatiebrief ook een ‘toets’ voor een cijfer was?” Ik schrik, glim en zucht. Nee hè.Twee dingen schieten me door de kop Drie eigenlijk:
1. Haar sluwheid
2. Het feit dat mijn collega mijn fantastische brief slechts een 7 waard vindt.
3. Het feit dat ik fraude heb gepleegd. Niet zij, maar ik maakte haar ‘toets’.
Als mijn collega door zou hebben dat de brief niet haar werk is, zit ik straks als voorzitter van de examencommissie een zaak te behandelen waarin ik zelf de dader ben.
De volgende dag zie ik I. cijfers invoeren in het systeem.
Ik ga naast hem zitten.
“Was het nog wat, die brieven?” Ik rommel erdoor heen en pak nonchalant de brief van Tamar uit het stapeltje.
Ik lees hem door.
Hij kijkt op mijn blad.
“Die ja, ze probeerde zo origineel te zijn, dat het een raar geheel werd,” legt hij uit. “Ze mag blij zijn met een 7.” Ik zeg glimlachend: “Je weet dat ik een zwak voor haar heb, ik zou deze brief een veel hoger cijfer geven.” “Ja,”zegt hij, “Maar gelukkig leer ik haar hoe je een sollicitatiebrief moet schrijven.”
Als ze drie weken later meldt dat ze is aangenomen, typt ze zo nonchalant mogelijk: “Ik mag wel blij zijn, zei mijn docent, vanwege mijn matige brief.” Ik antwoord met een ‘X@#$%^=’ Ik neem me voor voorlopig niet meer te frauderen.