Evangelischen en theologie

2003-08-01
  • Jaargang 47
  • nummer 15
Dat was nooit een heel voor de hand liggende combinatie: evangelische christenen hadden een soort aangeboren argwaan tegen elke vorm van theologie. Inmiddels is Soteria, het ‘kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning’, aan z’n twintigste jaargang bezig. En langzamerhand is er in dit blad, dat beide polen met elkaar tracht te verbinden, ook iets van een verschuiving merkbaar: meer accent op het theologische, minder op het (strikt) evangelische.
Boeiend genoeg is het niet een auteur uit evangelische kring, maar een stevig gereformeerde broeder, die in het juninummer van Soteria op deze verschuiving ingaat: ‘onze eigen’ dr. A. van der Dussen, studiebegeleider binnen de Nederlands Gereformeerde kerken, en daarnaast ook lid van de redactie van Soteria. De verschijning van een boek over het kennen van God volgens Calvijn en Barth (C. van der Kooi, 'Als in een spiegel') geeft hem aanleiding tot de volgende overwegingen:

Wat mij bij veel evangelische christenen opvalt, is dat zij voor het oog zo ongecompliceerd geloven. God de Heer is een realiteit in hun leven. Zij rekenen vast op zijn leiding en ervaren die ook vaak. Zij wekken de indruk dat zij in hun gebedsleven de waarheid ondervinden van Jezus’ woorden: ‘Bidt, en gij zult ontvangen!’ De Bijbel is voor hen het Woord van God, waarin zij steeds opnieuw de stem van God horen. Ook als er tegenslagen of rampen zijn, vinden zij in de beproeving houvast bij Hem. De ontwikkelingen in de natuurwetenschap brengen hen niet van hun stuk; de natuur is voor hen een boek dat onbekommerd vertelt over Gods scheppingsdaden.

Ach, ik weet wel dat ik het zo te mooi voorstel. Ook evangelische christenen kennen momenten van wanhoop en twijfel, en hun geloofsleven zal ongetwijfeld minder ongeschokt zijn dan ik kan vermoeden. Maar toch: het lijden onder de verborgenheid van God, dat is er bij hen toch minder, zou ik zeggen. Naar mijn gevoel is het een van de kenmerken van het evangelische christendom, dat het de werkelijkheid van God, en zijn openbaring, en het gebed, ten diepste als onproblematisch ervaart en wil ervaren.

Dat bekoort mij. Eigenlijk wil ik het ook zo, en in die zin voel ik mezelf eveneens een evangelisch christen.
Maar aan de andere kant: ik heb last van de moderniteit, en daardoor lukt het me vaak niet om te geloven op zo'n ongecompliceerde manier. Er is die sceptische rede, die altijd maar weer over de schouder meekijkt en de dingen van het geloof problematiseert.
Ik wil graag kinderlijk vertrouwen op God, maar word van tijd tot tijd gestoord door vragen die voortkomen uit kritisch nadenken: ‘Zou het echt zo zijn? Bestaat God echt, of is Hij projectie? Heeft bidden zin? Getuigt de natuur werkelijk van God, of leg ik het er zelf allemaal in? Heeft Kuitert misschien meer gelijk dan ik waar wil hebben, als hij zegt dat al ons spreken over boven van beneden komt?’

Ik neem waar, dat er meer gelovigen zijn die door dit soort verontrustende vragen een tweeslachtige relatie krijgen met de evangelische beweging.
Aan de ene kant voelen ze zich thuis bij de evangelische spontaniteit, warmte en bevlogenheid; aan de andere kant kunnen ze zich er niet restloos aan gewonnen geven, doordat ze in hun nadenken op problemen stuiten die ze serieus willen nemen.

Volgens Van der Dussen kunnen evangelische christenen van Karl Barth een aantal dingen leren, als het gaat om het kennen van God. Barth biedt, zo meent hij

perspectieven () voor gelovigen die de wereld als leger ervaren dan hen lief is, juist doordat hij die ervaring zo diep serieus neemt. Ik wijs in dit verband op twee dingen. Ten eerste: zijn stelling, dat Gods goedheid en grootheid uit de natuur slechts zijn af te lezen voor wie God in Christus heeft leren kennen. Mij dunkt: dat is een vruchtbaar gezichtspunt. Te vaak hoor ik christenen nog hun onbegrip uitspreken voor het evolutionisme, alsof de schoonheid en doeltreffendheid in de natuur dwingend zouden verwijzen naar God. Ik leer van Barth dat het zo niet werkt, en dat je ongelovige mensen op deze manier niet kunt overtuigen van de aanwezigheid van de Schepper. () Ten tweede: Barth heeft oog voor de menselijkheid van de Heilige Schrift. Hij neemt de conclusie voor zijn rekening, dat Bijbel en Woord van God niet samenvallen. Ik denk dat hij ook daarin navolging verdient. Bij de ervaring van de ontgoddelijking van de werkelijkheid hoort ook de ervaring, dat de Schrift in genen dele uit de hemel gevallen is. Dat is een van de schokkende ontdekkingen van de moderniteit. Barth laat zien, hoe het mogelijk is om die ontdekking te verdragen, zonder het geloof te moeten opgeven dat de Schrift door Gods genade steeds opnieuw voertuig wordt voor Gods openbaring. Bij alle kritiek die men kan hebben () is het nieuwe spoor dat hij wijst intrigerend en niet zonder beloften.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief