Achter de muziek aan

2003-08-15
  • Jaargang 47
  • nummer 16
De afgelopen tientallen jaren zijn grote en kleine dingen in onze kerkdiensten veranderd. De preken werden korter, we vernieuwden de liturgie of grepen juist terug op vroeger.
Er kwam meer aandacht voor kinderen en we gingen ons anders kleden.
Maar de grootste veranderingen waren te zien in onze muziek en zang.

Nog maar een jaar of dertig geleden zongen we in meerderheid de 150 Psalmen en 29 Gezangen. Na de Reformatie hadden onze voorouders zo’n twee eeuwen genoeg aan psalmen en enkele bijbelliederen. Toen de gereformeerde kerken in 1834 ontstonden uit de Afscheiding, keerden zij terug naar die vertrouwde psalmen.
Van gezangen hielden ze blijkbaar niet zo. Mensenwerk. Pas honderd jaar later, in de jaren dertig van de vorige eeuw, kwamen de gezangen terug: 29 stuks en met de wat geruststellende titel ‘enige gezangen’.
Maar al veertig jaar later, in de jaren zeventig, raakte onze zang in een stroomversnelling. Meer mondigheid en de opkomst van de muziekindustrie zullen daarbij een rol hebben gespeeld.
De scheuring in de Vrijgemaakte Kerken gaf nieuw ontstane gemeentes ruimte voor experimenten en nieuwe keuzes. Andere kerken en bijvoorbeeld jeugdorganisaties hadden eigen bundels, zoals het Liedboek der Kerken en de bundel Alles wordt nieuw. Heel voorzichtig werd daarin geneusd. En het ging snel, want waar in 1982 29 van de 64 Nederlands Gereformeerde gemeenten ook uit het Liedboek en andere bundels zongen, waren dat er in 1997 al 67 van de 72.
Nog opvallender was de snelle opkomst van de opwekkingsliederen. In 1997 zong een derde van onze gemeenten daaruit, vijf jaar later zo’n tachtig procent. En niet alleen moderne liederen, maar ook de oude, uit de bundel van Johannes de Heer.
En terwijl ons repertoire uitdijde, kreeg het kerkorgel gezelschap van piano, keyboard, fluit, gitaar en in Almkerk-
Werkendam de banjo. Het verst gaat Rijsbergen in zijn gastendiensten. Het podium is dan gevuld met een drummer, twee toetsenisten, violiste, saxofoniste, gitarist, bassist en een negenkoppig koor.

Kippenvel
Zang en muziek zijn emotionele delen van onze eredienst. Er zijn liederen waarbij je het uitjubelt, er zijn er die herinneringen bovenbrengen. Muziek en zang kunnen je kippenvel bezorgen.
Zo vullen ze het gesproken woord aan, dat meer op ons verstand is gericht.
De veranderingen in de gemeentezang geven aan, dat wij ons geloof anders beleven of willen beleven dan vroeger. Gereformeerd geloof was sterk innerlijk, verstandelijk. Omringd met discussies – en zonodig ruzies – over dogma’s. In ons innerlijke mengsel van zondebesef en genadeblijdschap voerde het zondebesef lange tijd de boventoon. Beelden van uitbundig geloof op de zendingsvelden en in buitenland werden gepareerd met onze nuchtere volksaard. Het Urker mannenkoor was al spannend genoeg.
Toch waren zang en muziek de eerste stappen van ons en onze kinderen in het geloof. Nog voor ze kennismaakten met de spannende verhalen en gelijkenissen, kenden ze al één of meer liedjes voor het slapen gaan.
Daarna kwamen de liedjes over de Bijbel, de platenboeken en de verhalen.
En bij die verhalen horen weer liedjes en werkjes. Ze klappen mee, maken zelf muziek en lijken zo veel op het beeld dat Psalm 98 en andere psalmen oproepen: dansen, jubelen, harpen, fluiten en cymbalen. Een vrolijke, dankbare geest in een ritmisch bewegend lichaam.
En dan zitten ze op een goeie dag een hele dienst in de kerk. Bij het verhaal horen weer liedjes, maar geen werkjes meer. Het is de bedoeling dat ze bezig gaan met geestelijke werkjes.
Niet meer kleuren, plakken en knippen met papier, maar met hun eigen leven en gedachten.
Een lastige overgang, waarbij kinderen hulp nodig hebben. Want voordat je het weet, vinden ze het saai. Zitten ze er om jou. Te rekenen met de cijfers op het psalmbord.
Maar aan het zingen kunnen ze wel meedoen. Tot een bepaalde leeftijd, wanneer dat ook niet meer zo cool is.
Wanneer zelfs rechtop zitten een beetje te veel van het goede is. Dus zwijgen ze en vinden een aantal jaren weinig of niets meer om hun geloof te tonen.
Wij volwassenen verwachten nu innerlijke groei. Naar catechisatie, belijdenis doen en dan een waardevol gemeentelid worden. Maar wel een beetje stilzitten, graag.
En dan moet u niet denken, dat dit alleen geldt voor kinderen. Hoewel wij volwassenen oplettend kijken en lijken in de dienst, dwalen onze gedachten ook vaak weg. Soms geleid door een zinsnede uit de preek, maar vaak ook door alledaagse dingen.

Zingen op verzoek
Hoe komt het dat muziek en ook poëzie ons vaak zoveel meer doen dan het gesproken woord? Waarom heeft God onze hersens zo gemaakt, dat wij rustig naar een verhaal kunnen luisteren, terwijl bij muziek onze vingers, voeten en hoofden gaan meebewegen?
Waarom knijpt een lied van de begrafenis van een geliefde je nog jaren later de keel dicht, terwijl de bijbeltekst je alleen vaag bekend voorkomt?
Waar komt dat kippenvel vandaan bij een groot koor of een machtig orgel? Waarom heeft Hij ons zo gemaakt?
Onze erfenis aan psalmen uit het Oude Testament geeft wel aan, dat bijbeluitleg en zang ook toen al hand in hand gingen. Van oudsher geldt ons zingen als antwoord op de verkondiging.
Meestal heeft de voorganger zelf een passend zangantwoord gezocht. Maar het antwoord kan ook komen uit een vrije liedkeus van de toehoorders. Zingen op verzoek.
Maar dat antwoord op de preek hoeft niet het enige te zijn. Kijk maar naar David. Het ene moment blij als een kind, dansend op straat. Het andere moment diep in de problemen, vrezend voor zijn leven en God om hulp smekend. Die rol kan een vrije keus van zang en muziek ook spelen: ruimte scheppen voor de emoties in een groep gelovigen. De één is eenzaam, de ander ziek. Weer een ander zit in over een kind, ziet als een berg tegen de nieuwe werkweek op of denkt aan gemiste kansen en dingen die niet meer terug te draaien zijn. Er zweeft zoveel in zo’n kerkzaal rond.
Vertéllen over die gevoelens kan in een kleine groep nog wel, maar is in een dienst lastiger. Daarom kan dat vrije zingen zo mooi zijn. Voor elk probleem, elke emotie is er wel een psalm, lied of gezang. En samen zingen met medegelovigen geeft steun of uitdrukking aan blijdschap of verdriet.
Onze gevoelens verschillen niet zoveel van die van onze voorouders. Angst, blijdschap, bezorgdheid, woede. Die liggen allemaal besloten in psalmen en gezangen. Maar toch zijn er volgens Psalm 96 ook nieuwe liederen nodig. Om aloude emoties opnieuw te verwoorden. En op nieuwe wijzen, die we vaak uit de populaire muziek halen. Rockritmes, snerpende gitaren, house, hiphop, heavy metal. Misschien niet zo welluidend in de oren van volwassenen.
Maar zelfs daarover is een lied gemaakt, met daarin de vraag: why should the devil have all the good music (waarom zou de duivel het alleenrecht hebben op mooie muziek)?

En dan Jezus. In zijn driejarige optreden hoor je Hem niet zingen. Hij geeft ons wel een voorbeeldgebed, maar geen voorbeeldlied. Hij zoekt het niet in muziek of zang, maar in beeldende verhalen en in een onnavolgbaar voorbeeld. Omdat Hij zang en muziek niet belangrijk vond? Of omdat Hij wist dat wij, als we eenmaal zijn boodschap begrepen, sowieso wel zouden zingen en dansen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief