Wie is nu eigenlijk gehandicapt?
2003-08-15
Onder dat opschrift schrijft de Nederlands Hervormde dr G.W. Marchal in het blad Confessioneel van 26 juni over een ervaring die hem overkwam toen hij als gastpredikant ergens een kerkdienst moest leiden. Als voorganger past hij zich graag aan bij de gemeente; maar deze gemeente had wat meer moeite zich aan te passen bij een bijzonder gast in haar midden: - Jaargang 47
- nummer 16
Ik werd hartelijk ontvangen in de gemeente, waar ik zou voorgaan in de avonddienst. Vooraf sprak ik nog enkele dingen door met de kerkenraadsleden over de gebruikelijke gang van zaken. Een achttal mannen, keurig in het zwart. Ik weet dat de kleding - in zekere zin - iets uiterlijks is en er in wezen niet toe doet, hoewel...
De buitenkant zegt een en ander over de binnenkant. Het zal niet toevallig zijn dat (aandoen van) kleding ook taalkundig een uitdrukking is voor geloven in God. ()
‘Gaat u staan bij de geloofsbelijdenis?’, vroeg ik. ‘Zoals u wilt’, zei de dienstdoende ouderling. ‘Wat bent u gewend?’ antwoordde ik. ‘Ik ben te gast in uw kring. Tijdens een huisbezoek zal ik ook niet zeggen dat die tafel hij het raam beter tegen de muur kan staan’. De vriendelijke broeders maakten mij duidelijk dat de eigen predikant ook regelmatig vraagt om bij deze eeuwenoude woorden - zo mogelijk - te gaan staan. ‘Wordt de zegen ook zingenderwijs beaamd?’, vroeg ik verder. Dat bleek niet het geval te zijn. Ik heb er geen enkele moeite mee om mij aan te passen aan de regels van het huis. Het is voor mij een uiting van beleefdheid en bescheidenheid.
Het Woord en de Geest zijn niet gebonden aan onze manieren.
Wel kunnen wij geduchte stoorzenders zijn, niet in de laatste plaats door onze slordigheid en stijlloosheid.
Tijdens de dienst zag ik hem al gauw zitten. Een jongeman van een jaar of veertig. Hij maakte bijzondere bewegingen met zijn bovenlichaam: naar voren en naar achteren. Ook liet hij af en toe van zich horen. Ik zwaaide naar hem en hij reageerde op dit teken van verbondenheid door nog meer bewegingen te maken. Ik zag ook dat hij tijdens het zingen meermalen in zijn handen klapte en die ook omhoog hield op de wijze van hiep-hiep-hoera. Tijdens de geloofsbelijdenis, die ik namens allen uitsprak, hoorde ik hem de woorden mee zeggen.
Het gebeurde met horten en stoten, bij flarden en fragmenten.
Iemand in zijn naaste omgeving liet te goeder trouw ‘ssstt...’ horen, waarop hij zweeg. Die aanvankelijke instemming, duidelijk verwoord, raakte mij diep. Na het uitspreken van het amen en voor het lied dat we daarop zouden zingen, kon ik niet nalaten te zeggen: ‘Wie is nou eigenlijk gehandicapt?’ Ik gaf ook het antwoord, omdat het zich aan mij opdrong: ‘Wij allemaal. Hij heeft het begrepen!' Ik weet dat je niet meer over handicap mag spreken. Het heet tegenwoordig een functiebeperking. Dat is een goede, betere benaming, maar ik gebruikte toch maar die oude term. Het werd adembenemend stil in de kerk. Daar deed ik het niet om, maar deze gehandicapte man hield ons allen een spiegel voor. Ik zal deze ervaring nooit vergeten. Aan het einde van de dienst liet hij - voor mij, en ik was niet de enige: Hij! - opnieuw van zich horen.
Na het laatste woord van de zegen uit Numeri 6: ‘De Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede’ schalde het ‘Amen’ door de kerk. Ik hoefde dat dus niet meer te zeggen. Hij deed het namens allen. Ik was aangeslagen.
Misschien vindt iemand dat vreemd, maar deze gehandicapte man hield een preek die in geen enkel handboek past, maar een onvergetelijke indruk maakte. Soms is God ongedacht en ongekend dichtbij. Hij stoort zich niet aan onze regels, maar heeft Zijn eigen manieren...
Weet u wat ik denk als ik zo’n stukje lees? Natuurlijk, ‘t is om van te genieten; heerlijk! - maar daarnaast komt dan vooral bij me boven: wat is het toch ontzettend jammer dat wij als kinderen van God in dit land zo uit elkaar geslagen zijn en in zoveel verschillende kerken terecht zijn gekomen.
Terwijl er zo enorm veel is dat ons samenbrengt, en waar je elkaar helemaal in herkent! En dan vinden wij het al heel wat als we als drie kleine kerken on speaking terms zijn, maar daarbuiten is ook zoveel dat we toch eigenlijk onmiddellijk herkennen als het werk van de Geest.
En dat levert - mij althans - die merkwaardige mix op van enerzijds dankbaarheid en anderzijds besef van eigen schuld en onmacht in het zoeken en liefhebben van elkaar.
En daarmee ben ik, in een heel andere zin, weer terug bij het opschrift boven dit artikeltje: Wie is hier nu eigenlijk gehandicapt?