Toeval vs Gods leiding

2003-08-29
  • Jaargang 47
  • nummer 17
Het is iedereen wel eens overkomen: je laat in een gezelschap van medechristenen de opmerking vallen dat je toevallig iets meegemaakt hebt. Er is dan altijd wel iemand die zegt dat toeval niet bestaat en een ander beweert vaak ook nog dat het begrip toeval in de bijbel niet voorkomt. Je slaat beschaamd de ogen neer en je neemt je voor om nooit meer zoiets doms te beweren.

Mij is het ook een paar keer overkomen en daarom besloot ik om het eens wat beter uit te zoeken. Het blijkt dan dat het allemaal wat minder makkelijk ligt en misschien heeft iemand anders wat aan deze overdenking.
Het begrip 'toeval' komt wel degelijk in de bijbel voor, op meerdere plaatsen zelfs.

Een willekeurige akker
De belangrijkste en duidelijkste tekst is Ruth 2:3: 'Zij ging dan heen en kwam en las op in het veld achter de maaiers; bij geval trof zij het stuk land van Boaz, die uit het geslacht van Elimelek was.' Het gaat hier om de woorden: bij geval. In andere vertalingen (Statenvertaling, Canisius, Willibrord, Leidse) wordt hier, duidelijker, het woord toeval gebruikt. Als je deze tekst op zichzelf leest zou je makkelijk kunnen denken dat Ruth uit de misschien wel tien beschikbare akkers toevallig de beste koos. Maar zo simpel ligt het niet. Dit voorval wordt als het ware ingekaderd tussen twee belangrijke gegevens. In vers 1 lezen we: Naomi nu had een bloedverwant van haar mans kant, een zeer vermogend man uit het geslacht van Elimelek, Boaz geheten. Daaruit zou je kunnen concluderen dat het helemaal niet zo toevallig was dat Ruth uitgerekend naar de akker van Boaz ging, want Boaz werd dus al eerder ten tonele gevoerd. Bovendien lezen we aan het eind van het boek Ruth de geslachtslijst van David: Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salma, Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, Obed verwekte Isaï en Isaï verwekte David (Ruth 4:22).
En tot slot de lijst van de voorvaderen van Jozef: Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï (Mattheüs 1:5).
Ook Luc. 3:32 vermeldt dit.
Ruth gaat dus naar een willekeurige akker, het had net zo goed een andere kunnen zijn, en toch lezen we dat God alles in handen heeft, dat Hij niets aan het menselijk toeval overlaat bij zo’n belangrijke gebeurtenis als de uiteindelijke geboorte van Zijn Zoon.

Toevallig toeval
In een bijbelse encyclopedie vond ik de volgende uitleg bij Ruth 2:3 (met excuses voor het oude Nederlands): Woordelijk: 'en het toeval trof toevallig.' Dit wordt zo herhaald om des te meer op de goddelijke leiding opmerkzaam te maken. Van een toeval in de zin van casualismus (het toeschrijven van alles aan het toeval, KV) of van een wereldbeschouwing, die het leven met al zijn gebeurtenissen als een samenvoeging van blinde, onder geen Voorzienigheid staande lotgevallen beschouwt, weet de Schrift niets; integendeel werkt volgens de leer van de Schrift bij alles wat op aarde geschiedt, de levende God, ook bij elke zelfs schijnbaar geringe omstandigheid (Matth.10:29, worden niet twee musjes te koop aangeboden voor een duit?
En niet één zal ter aarde vallen zonder uw hemelse Vader. En Luk.21:18, geen haar van uw hoofd zal teloorgaan.) Wel kent zij het toeval in die zin dat het het tegenovergestelde betekent van zodanige voorvallen, die het menselijk denken of de menselijke berekening voorzien heeft. In deze zin wordt dit woord gebruikt, omdat men zich wel bewust is, dat achter die toevalligheden een persoonlijk bewuste wil is: die van die God, die de wereld regeert; daarom komt de eigenaardige uitdrukking voor: het toeval heeft gewild, dat [enz].

Verstrekkende gevolgen
Er zijn nog enkele voorbeelden van toevalligheden bekend in de bijbel.
De ark is in Filistijnse handen gevallen, en na de plagen door God teweeggebracht, besluiten de priesters van Dagon de ark terug te sturen op een wagen, getrokken door zogende koeien. Ze zeggen dan tegen elkaar: 'Geeft acht: indien zij de weg naar haar gebied opgaat, naar Bet-semes, dan is Hij het, die dit grote onheil over ons gebracht heeft. En zo niet, dan weten wij, dat niet zijn hand ons getroffen heeft; dan is het ons toevallig overkomen.' (1 Samuël 6:9) Ook Esther 6:1: 'In diezelfde nacht was de slaap van de koning geweken.
Toen beval hij het gedenkboek, de kronieken, te brengen, en zij werden de koning voorgelezen.' De koning ontdekt door zijn toevallige slapeloosheid dat Mordechaï niet beloond is voor zijn daad. Dat gebeurt alsnog, waardoor Haman helemaal razend wordt en zo zijn eigen ondergang bewerkt. Het uiteindelijke resultaat is de redding van het joodse volk. In 1 Kon.22:34 (ook 2 Kron. 18:33) lezen we over een schijnbaar willekeurige, toevallige daad die verstrekkende gevolgen heeft: 'Een man echter spande de boog zonder bepaald doel en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het pantser. Toen zeide deze tot zijn wagenmenner: Wend de teugel en breng mij uit het leger, want ik ben gewond.' Iemand schiet maar wat in het wilde weg, lijkt het, met als gevolg dat Achab sterft, zoals Micha had voorzegd.
In het apocriefe boek Wijsheid 2:2 kunnen we nog vinden: 'Bij toeval zijn wij geboren, en varen weer heen alsof wij nooit geweest waren; want de adem in onzen neus is een rook, en onze rede is een vonkje dat zich uit ons hart beweegt.' Uit deze bijbelse gegevens kunnen we concluderen dat toeval wel degelijk bestaat, tenminste als we in het hier en nu kijken. Maar als God ons inzicht wil geven in Zijn plannen dan blijkt later toch vaak dat alles door Hem bepaald is en dat Hij de leiding heeft.

Het lot dat toe-valt
Er is nog meer aan de hand met het begrip toeval. Het Hebreeuwse woord dat hiervoor wordt gebruikt, wordt ook nog op andere plaatsen vertaald met 'lot', bijvoorbeeld in Pred. 2:14-15: 'De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis; maar ik bemerkte ook, dat een lot hen allen treft, en ik zeide bij mijzelf: Wat de dwaas wedervaart, wedervaart ook mij: waartoe ben ik dan zo uitermate wijs geweest? Toen sprak ik bij mijzelf, dat ook dit ijdelheid is.' Pred. 3:19: 'Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, een zelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid.' En Pred. 9:2-3: 'Alles is gelijk voor allen, een zelfde lot treft de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, alsook de onreine; hem die offert, en hem die niet offert; het gaat de goede evenals de zondaar, hem die zweert, als hem die de eed schuwt. Dit is het ergste, dat onder de zon geschiedt: dat allen een zelfde lot treft; daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er verdwaasdheid in hun hart hun leven lang; en daarna gaat het naar de doden.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief