Teleurstellingen in het pastoraat

2003-09-12
  • Jaargang 47
  • nummer 18
Marcus Dijkstra hield het in de kerk voor gezien. Hij was ouderling geweest en nu was hij afgehaakt.
Welke teleurstellingen komen ambtsdragers tegen in hun werk? Wat kan het ambt zwaar maken? In het tweede deel van de serie gaat het over teleurstellingen in het pastoraat. De verwerkte reacties in deze bijdrage komen uit brieven die door (ex)-ambtsdragers zelf zijn geschreven.

Na het eerste, inleidende, artikel, wil ik nu proberen wat ordening aan te brengen in de verschillende reacties die zijn binnengekomen. Ik groepeer daartoe een aantal thema’s. Dat heeft iets gekunstelds (de verschillende onderwerpen hebben ook weer alles met elkaar te maken), maar terwille van de helderheid wil ik het toch zo proberen.
In dit tweede artikel over afhakende ambtsdragers gaat het dus vooral over teleurstellingen die mensen opdoen op het pastorale vlak, in de ontmoeting met andere gemeenteleden. Ik haal een aantal dingen aan uit de reacties die zijn toegestuurd, en zet er hier en daar wat commentaar bij.

Huisbezoek
Iemand schrijft over een ouderling die met enthousiasme begonnen is: ‘De eerste teleurstelling dient zich aan tijdens een huisbezoek. Er dienen allerlei zaken aan de orde gesteld te worden.
Het tijdstip van de tweede dienst, de volgorde van de liturgie, de woordkeus van de predikant, het ‘eigen’ plekje in de kerkbank. Het is niet best.
Hoe hij ook probeert het gesprek naar de kern toe te leiden, het werkt niet. En zo volgen er meer.’

Ongehuwd samenwonen
Een ander schrijft: ‘In die tijd speelde binnen onze gemeente het ongehuwd samenwonen. Als kerkenraad besloten we daarop een bepaalde lijn te gaan volgen. Een groep gemeenteleden deed vervolgens een stevige aanval op de kerkenraad, want volgens hen kwam ongehuwd samenwonen in onze gemeente niet voor en maakte de kerkenraad slapende honden wakker.
(Zelf wist ik van minstens tien samenwonende stellen.) De manier waarop deze aanval werd ingezet en uitgevoerd, was op zijn zachtst gezegd: onbeschoft. Zo ga je als christen niet met elkaar om, vond ik toen en vind ik nog steeds. Ik vroeg mij af, is het christelijk geloof geen grote flauwe kul. Mijn geloof ging langzaam minder en minder worden en was tenslotte bijna verdwenen. Ik bezocht trouw de kerkdiensten en deed mijn ouderlingenwerk in het laatste jaar van mijn ambtsperiode, maar het was niet van harte. Ik was blij dat het erop zat en ik dacht: nooit meer van mijn leven in de kerkenraad’.

Tekort schieten?
Iemand die enkele keren ouderling is geweest (in de NGK); hij beschrijft zichzelf als redelijk trouw en hij heeft er behoorlijk wat energie in gestoken.
Maar, schrijft hij, ‘toch heb je steeds het gevoel dat je tekort schiet.
Misschien had een training van pastoraal management dat wat kunnen voorkomen. Maar aan het eind van de rit ben je blij dat er een last van de schouders af valt. Het ouderlingschap is extra zwaar als er gemeenteleden zijn die de kerkenraad op de nek zitten en dat heel zwaar aanzetten (‘jullie hebben de Heilige Geest niet’).
Wat ook opvalt is dat er relatief veel gemeenteleden zijn die menen te weinig aandacht te hebben gehad (‘ik heb nooit huisbezoek gehad’, terwijl ik er bij diverse gelegenheden bezoek had gebracht (incl. bijbellezen en gebed).
Waarschijnlijk heeft de gereformeerde-gemeente-ouderling in zwart pak en met zwarte hoed dat probleem niet. Het omgekeerd boordje van de pastoor is misschien zo gek nog niet.
Mijn conclusie is dat je er (als je dat kunt) voor moet zorgen dat alles heel duidelijk en herkenbaar is. Dan blijf je misschien niet met een nadelig saldo zitten. Ik denk dat veel ouderlingen na afloop met een onverwerkt tekortgevoel zitten. Nee, ik ben niet beschikbaar voor ouderling.’

Evaluatie
Hier houd ik even halt. Het is onmiskenbaar en ook onvermijdelijk dat het werk van ambts-dragers in de gemeente in onze tijd zwaarder is dan vroeger.
Wij hebben immers allemaal geleerd om voor onze mening uit te komen, wij zijn assertief, we hebben er recht op te zeggen hoe wij denken dat het is, en dat doen we dus ook. Ook in de kerk. Niet omdat we zo slecht zijn, of omdat we erop uit zijn om goedwillende ouderlingen de vernieling in te helpen, welnee (er is echt zo goed als niemand die dat wil), maar enkel omdat we nu eenmaal mensen zijn die leven aan het begin van de 21e eeuw. Dit zit in de lucht, dit leren de kinderen op school, dit is de stijl van de interviewers op radio en tv, kortom, zo doen wij dat vandaag - allemaal!
En daardoor is het dus echt een stuk moeilijker geworden om bij mensen aan te komen met iets dat zweemt naar ‘leiding’, naar ‘gezag’; dat roept volautomatisch allerlei afweermechanismen op.
Hopeloze zaak dus? Nee, dat geloof ik niet. Maar daar hoop ik in een later artikel nog op terug te komen.

Conflict kerkenraad - gemeente
De ouderling die schreef over het gevoel van tekort schieten maakt vervolgens melding van een conflict in de kerkenraad waarvan hij inmiddels voorzitter was. De kerkenraad was naar de gemeente gegaan met voorstellen om bepaalde veranderingen aan te brengen in de kerkdiensten.
Daartegen rees groot verzet vanuit de gemeente, en dan schrijft deze man: ‘Een aantal gemeenteleden valt er totaal over met verwijten (op een toon soms direct vergelijkbaar met die uit tijden van 1968) dat de kerkenraad (en met name de voorzitter) de gemeente wil afbreken. De voorzitter treedt af en de kerkenraad draait de voorstellen terug.’

Evaluatie
Wat is hier gebeurd? Nu, feitelijk is hier sprake van een redelijk overzichtelijk probleem. Zonder alle ins en outs te kennen, vallen hier wel een paar - algemene - opmerkingen over te maken.
1. Waar kwamen de voorstellen vandaan?
Waren die door alleen de leden van de raad bedacht? Of was er eerst een open informatieronde gehouden, waarin de kerkenraad duidelijk had gemaakt vanuit welke zorg erover gedacht werd om met bepaalde voorstellen te komen.
Had de gemeente de gelegenheid gekregen om daarover mee te denken?
Te vaak komt een kerkenraad (uiteraard met de beste bedoelingen) met een compleet plan, waarop de gemeente alleen nog Ja of Nee kan zeggen. Dr J. Hendriks noemt dat het model van ‘de georganiseerde reis’; daartegenover pleit hij voor ‘de gezamenlijke trektocht’.
2. Waar komt de (onverwachte) felheid van de reacties vandaan? Dat is zelden omdat mensen er plezier in hebben om anderen te kwetsen en te beschadigen. Bijna altijd is het een signaal dat er diepere gevoelens en emoties in het spel zijn.
Een kerkenraad gaat dan vaak de voorstellen verdedigen en nog een keer uitleggen waarom het goed is om het zo te doen zoals de kerkenraad het heeft bedacht. Het lastige is dat die kerkenraad helemaal gelijk kan hebben, maar dat desondanks de mensen die er (grote) moeite mee hebben zich totaal niet serieus genomen voelen. Hun moeite zit namelijk niet op het niveau van het argumentatieve, van het hoofd, maar op dat van het emotionele, van het gevoel. En ‘ons type kerk’ is nog steeds niet sterk in het elkaar op dat vlak werkelijk ontmoeten.
Een eerste vereiste in dergelijke situaties is altijd: doe recht aan elkaars gevoelens, wederzijds. Aan beide kanten spelen gevoelens een rol; ontmoet elkaar op dát niveau, van je hoop en je zorg, van je ideaal en je teleurstelling, van je vrees en je verwachting.
Dan is het niet zo dat er daarna geen verschillen van mening meer zijn of dat je elkaar spontaan in de armen valt. Wél heb je elkaar dan weer ontmoet in de wezenlijkste dingen die je drijven; en daar wordt een gesprek toch echt anders van.

Een soort conclusie
Maak over en weer je idealen en verwachtingen zo duidelijk mogelijk.
Expliciete helderheid kan veel onderhuidse onduidelijkheid voorkomen. Je kunt er als ouderling ook gewoon naar vragen: ‘Hoe kijkt u tegen mij aan? Wat verwacht u van mij?’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief