Nieuw AKS regelt rechten van ambtsdragers beter
2003-09-26
Voor het eerst sinds de Landelijke Vergadering van Breukelen in 1982 wordt het Akkoord van Kerkelijk Samenleven (AKS) gewijzigd en geactualiseerd.- Jaargang 47
- nummer 19
Aan de strekking verandert weinig, de grootste wijzigingen draaien om de rechtspositie van predikanten.
De voorbereidingscommissie heeft gestreefd naar ‘een nog steeds beknopt, handzaam en duidelijk AKS, dat de kerkelijke praktijk goed kan ondersteunen’.
De Preambule (openingsverklaring) bij het AKS is ongewijzigd gebleven en zodoende blijft de vrijheid van gemeenten overeind. De kerken spreken immers uit ‘dat het al of niet aanvaarden van het (een) kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden’.
Wel stelt de commissie voor het woord ‘van’ in AKS te vervangen door ‘voor’.
‘Het AKS als kerkorde betreft niet de inhoud, maar enkel de organisatie van ons kerk zijn: het is dus een akkoord vóór kerkelijk samenleven.’ Tevens wordt voortaan steeds gesproken over ‘Gods Woord’ in plaats van andere benamingen voor de Bijbel.
Basis
Artikel 1 legt de basis voor de AKS: in de gemeenten van Christus moet alles in goede orde gebeuren en daarom is dit een regeling voor ‘de diensten, het opzicht over de leer en de eredienst, de tucht en de kerkelijke vergaderingen’.
Het voorstel is, het woord ‘diensten’ in deze tekst te vervangen door ‘ambten’. Volgens de commissie zijn ‘diensten’ breder dan de drie ambten die wij kennen (predikant, ouderling, diaken), want daaronder vallen bijvoorbeeld ook de koster, organist, evangelist, contactzuster en pastoraal werker. En die worden niet in de kerkorde geregeld. De commissie zegt er met nadruk bij, dat de wijziging van ‘dienst’ in ‘ambt’ het dienende karakter van de ambten niet miskent of veronachtzaamt.
In de omschrijving van de drie ambten (artikel 2) actualiseert de commissie alleen de term ‘dienaar des Woords’ tot ‘dienaar van het Woord’.
Wettig
De artikelen 3 tot en met 16 behandelen roeping, aanstelling en ontslag van ambtsdragers. Er moet sprake zijn van een ‘wettige roeping’ door de gemeente onder leiding van de kerkenraad en de bevestiging heeft plaats in een openbare samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een formulier.
De weg naar het predikantschap bestaat volgens het - nu wat overzichtelijker - artikel 5 uit een ‘deugdelijke’ opleiding in combinatie met gaven als ootmoed, wijsheid, kennis, onderscheidingsvermogen en bekwaamheid onderwijs te geven. Studenten kunnen via de regiovergadering voor een termijn van (in de regel) één jaar preekconsent krijgen.
Een tweejarig preekconsent is weggelegd voor degene die zonder opleiding, maar met ‘bijzondere gaven’ naast de bovengenoemde, door het onderzoek van de regio komt. Er is nog een tweede onderzoek mogelijk, waarna de kandidaat twee jaar achtereen als kandidaat beroepbaar wordt gesteld en daarvoor dus preekconsent krijgt.
Ontslag en schorsing
De aandacht voor een goede rechtspositie van predikanten heeft geleid tot een aanpassing van artikel 10. In diezelfde zin is artikel 30 – tucht over een ambtsdrager – aangepast.
De commissie neemt daarin twee beginselen op: dat van ‘hoor en wederhoor’ en dat van ‘geen rechter in eigen zaak’. Die moeten zorgen dat partijdigheid en vooringenomenheid zo min mogelijk kans krijgen als een dominee zijn gemeente ‘om gewichtige, niet-tuchtwaardige redenen’ niet langer kan dienen. En geldt dus ook voor de ambtsdrager, die wordt geschorst vanwege een onschriftuurlijke leer of een andere ‘grove openbare zonde’.
Tevens wordt de procedure rond zo’n ontslag en schorsing goed op een rij gezet. De kerkenraad gaat tot ontslag over nadat dat met de predikant is besproken, goedkeuring is verkregen van de regiovergadering en het de gemeente is meegedeeld ‘met het oog op haar instemming’. Dat laatste betekent niet dat de goedkeuring van de gemeente is vereist, maar heeft het karakter van een mededeling en bespreking. ‘Zoals de gemeente is betrokken bij het aangaan van de werkrelatie met haar predikant (beroepen en bevestigen), zo is zij ook rechtstreeks betrokken bij de beëindiging daarvan’, zegt de commissie in de toelichting.
De regiovergadering hoort de predikant en kerkenraad in elkaars aanwezigheid, maar zij en andere betrokkenen of belanghebbenden mogen daarna niet aan de beraadslagingen deelnemen.
Tevens moet bij de regio een advies van een landelijke commissie worden neergelegd over het voorgenomen ontslag en de financiële regeling.
De predikant kan van het besluit van zijn kerkenraad in beroep bij de Landelijke Vergadering. Als hij alleen problemen heeft met de financiële regeling, dan zoeken partijen een deskundige, die een bindend advies uitbrengt.
Als de regio meent dat de predikant zijn ambt in een andere gemeente kan uitoefenen, dan wordt hij voor een bepaalde termijn beroepbaar gesteld en blijft hij zolang als predikant verbonden aan zijn oorspronkelijke gemeente.
Dienst en tucht
De artikelen 11 tot en met 16 beschrijven de ‘diensten’ van de ambtsdragers en de werkzaamheden van de kerkenraad en de consulent. De commissie timmert hier dicht, dat de tucht een taak is van ouderlingen en predikant.
Eerder kon daar twijfel over ontstaan, omdat werd gesteld dat de kerkenraad verantwoordelijk was voor de tucht én dat de diakenen tot de kerkenraad behoorden. Nu wordt bij de kerkenraadstaken uitdrukkelijk gezegd, dat tucht is voorbehouden aan predikant en ouderlingen.
Het gebruik van het woord ‘dienst’ is volgens de commissie voldoende waarborg voor het dienende karakter van het ambt.
Bewust afwachtend
Een kernkwestie komt ter sprake in artikel 31 tot en met 40 en dat zijn de kerkelijke vergaderingen. De commissie kiest allereerst voor een heldere omschrijving van de termen ‘regio’ (naburige kerken samen), ‘regionale vergadering’ en ‘landelijke vergadering’ (alle kerken samen).
Nadrukkelijk wordt vermeld, dat zij tijdelijk zijn.
De ‘eendrachtig samenwerkende’ kerken ‘heersen niet over elkaar, maar hebben geduld met elkaar en verwachten samen de tijd van God waarin Hij de weg duidelijk zal maken’. De commissie noemt die zinsnede uit artikel 31 ‘opmerkelijk in het kader van een kerkorde’, maar zij voelt ‘gelet op de geschiedenis van deze formulering’ niet voor actualisering. Wel ziet zij spanning met artikel 33 over ‘besluitvorming’.
Daar wordt weliswaar naar overeenstemming gestreefd, maar is het mogelijk door stemming tot een besluit te komen. ‘Deze artikelen mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld: afhankelijk van het belang van het onderwerp en de daarbij spelende gevoelens zal ofwel verdaging plaatsvinden naar een volgende LV, ofwel worden gestemd. Ook in deze procedurele keuze zullen de kerken niet heersen over elkaar, maar eendrachtig samenwerken in vrijheid en niet vervallen tot tirannieke eenheidsdrang’, stelt de commissie, verwijzend naar de Preambule.
Eenzelfde keus speelde bij de tekst van artikel 34, die handelt over bekrachtiging en nakoming van besluiten.
Normaal gesproken zullen plaatselijke kerken besluiten van een regio of LV ‘bekrachtigen en in onderlinge liefde nakomen’. Maar een kerkenraad kan anders besluiten vanwege strijdigheid met Gods Woord, met de leer van de kerk naar de drie Formulieren van Enigheid of met het AKS. Hoewel punt van discussie, handhaaft de commissie de beweegreden een besluit niet te bekrachtigen ‘om redenen die het welzijn van de gemeente betreffen’. Ook hier is ‘de historie van dit artikel’ de reden voor terughoudendheid, al verwijst de commissie wel naar de LV Apeldoorn in 1994, die erop wees dat deze extra beweegreden invloed kan hebben op de relatie met de Christelijke Gereformeerden en Vrijgemaakten.
| Formulieren van Enigheid kunnen ook begrijpelijker In een tijd van nieuwe bijbelvertalingen en actualisering van het AKS dringt de vraag zich op wat met de drie Formulieren van Enigheid moet gebeuren. Als ze inderdaad zo belangrijk zijn, dat al onze ambtsdragers ze ondertekenen, dan moeten ze ook toegankelijk en begrijpelijk zijn. De Heidelbergse Catechismus kreeg en krijgt aandacht in catechese en preken en is door het vraag-en-antwoordspel sowieso toegankelijker, maar de volledige teksten van de Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels worden gemakkelijk een ‘dode letter’. Met name de Dordtse Leerregels liggen erg ver van de hedendaagse gelovige. Zou actualisering een ‘brug te ver’ zijn, dan kan een kerkenraad voor ondertekening op z’n minst een korte inhoud weergeven van de formulieren. Net zoals een notaris de verkorte hypotheekakte aan de huizenkoper voorleest. Waar de commissie her en der zaken schrapt, handhaaft zij bij de artikelen over vergaderingen steevast de zin: ‘Van genomen besluiten wordt nauwkeurig aantekening gemaakt.’ Dat lijkt een open deur. Bovendien is het lastig om van níet genomen besluiten aantekening te maken. Dat ‘genomen’ kan worden gemist. Nog één. In artikel 3 wordt gesproken over een openbare samenkomst van de gemeente. Het al dan niet openbare karakter van een kerkenraad, regionale of landelijke vergadering wordt nergens omschreven. Wellicht een punt van aandacht in onze gedemocratiseerde samenleving. |