Jezus' lijden en sterven
2003-09-26
Precies in het midden van het vierde evangelie staat het 'beeld' van de herder der schapen (10:6 vgl. 16: 25.29). Dit valt des te meer op, omdat Johannes in zijn boek geen gelijkenissen vermeldt.- Jaargang 47
- nummer 19
Het begin van Johannes 10 kun je opvatten als een drieluik. De verzen 1-5 vormen het hoofdpaneel, het eigenlijke beeld. De zijpanelen, die elk een element van het middenpaneel belichten, worden gevormd door 7-10 over de deur en 11-16 over de herder. Op alle panelen komen lichten schaduwpartijen voor.
De positieve elementen over de goede herder, krijgen reliëf door de negatieve uitspraken over de vreemden. De schapen spelen een ondergeschikte rol in het drieluik. Zij staan er niet om zichzelf, maar ter wille van de herder.
Het gedrag van de schapen tekent mede de herder. Het is niet het beeld van de schapen, maar van de herder.
Over de herder wordt gezegd: hij komt door de deur binnen, hij roept zijn schapen bij name en voert hen naar buiten, en hij gaat voor hen uit.
Het ene zijpaneel geeft toelichting op het eerste element uit het beeld: 'Ik ben de deur der schapen'. Jezus is gekomen opdat de schapen ingaan en uitgaan en weide vinden, leven hebben en overvloed. In het tweede zijpaneel worden de andere elementen uit het beeld toegelicht: 'Ik ben de goede herder'. Jezus kent zijn schapen en zet zijn leven voor hen in. Ook andere schapen, die niet van deze stal zijn, zal Hij roepen en leiden.
De goede herder heeft het beste met de schapen voor: hun leven. Elk van hen persoonlijk, 'bij name', roept en leidt hij tot het leven. Hij bewerkt dit door zijn eigen leven voor hen in te zetten. Jezus bedoelt en bewerkt de redding van de mensen. Hij roept en leidt hen daartoe ('behouden' worden, 10:9). Jezus treedt pastoraal dat is: wervend en reddend, op.
Wie worden er met de schapen bedoeld?
De oudtestamentische achtergrond van dit gedeelte doet bij 'de schapen die Hij weidt' denken aan heel het volk van God (Ps. 100, Ez. 34). Nergens wordt gezinspeeld op een mogelijke ongehoorzaamheid van de schapen ('alle', 10:4). De uitdrukking 'zijn eigen schapen' suggereert níet dat er nog andere schapen in de schaapskooi zijn, wèl dat er nog andere 'herders' op pad zijn: dieven, rovers, vreemdelingen, huurlin-gen, aan wie de schapen niet toebehoren (10:26vv is meer wervend dan constaterend). Indien Jezus met 'deze stal' de joden bedoelt, dan moeten 'de andere schapen' wel de niet-joden zijn. En als de heidenen erbij horen, dan zeker het oude bondsvolk.
Jezus richt zich in dit hoofdstuk tot de Farizeeën en de joden (9:40v, 10:6.19-21).
Tegenover allen met wie Jezus in aanraking komt, treedt Hij pastoraal (wervend en reddend) op. Geloven is geen voorwaarde voor een pastorale benadering door Jezus, maar het pastorale optreden van Jezus is voorwaarde voor het geloven.
In heel het vierde evangelie is Jezus pastoraal met mensen bezig: dat is duidelijk. Ook in de laatste hoofdstukken: en dat is minder bekend. Toch speelt ook bij lijden, sterven en opstanding dit motief een belangrijke rol: Jezus is de goede, de 'ideale' herder.
De goede herder (18-19)
In Johannes 18 en 19 wordt Jezus niet als de lijdende maar als de handelende getekend. Hoe moet je dit actieve van zijn passie nader omschrijven?
Handelt Hij als priester of als koning?
Het eerste – Jezus treedt op als priester – ligt voor de hand als je let op wat er in het evangelie aan voorafgaat.
Het motief van het lam Gods, het motief van de paasfeesten en de nadruk op de rol van de hogepriester (1:29.36, 2:13, 6:4, 11:55, 18:10-26).
Toch wordt Jezus nergens met even zoveel woorden priester genoemd.
Ook wordt er niet gezinspeeld op een actieve of passieve offerrol.
Het tweede – Jezus treedt op als koning – ligt voor de hand als je let op wat er in heel het evangelie wordt gezegd. Hij is de koning van Israël, de gesprekken met Pilatus, en de reden van de kruisiging (1:50, 6:15, 12:13.15, 18:33.36v.39, 19:3.14v.19vv). Toch overheerst deze gedachte in het lijdensverhaal niet.
Het lijkt me beter om in Johannes 18 en 19 het beeld van de herder der schapen in gedachten te houden.
Het beeld toepassend op zichzelf zegt Jezus: 'de goede herder zet zijn leven in voor schapen' (10:2vv.11.15.17v). Je mag er niet overheen lezen, dat dit de enige manier is waarop Jezus in het vierde evangelie zijn lijden aankondigt (15:13). Het beeld van de herder is in staat om de beelden van priester en koning in zich op te nemen.
Het werkt verhelderend als je lijden en opstanding zoals Johannes deze beschrijft, uit deze gezichtshoek bekijkt. De dief neemt het leven van de schapen, de goede herder geeft zijn eigen leven voor de schapen. In en buiten de bijbel een uniek motief!
Zet zijn leven in (18:1-17)
Volgens het vierde evangelie is Jezus niet gevangen genomen, maar heeft Hij zichzelf gevangen gegeven.
Hij gaat zelf met zijn discipelen naar een plaats die zijn verrader ook kent.
Hij weet wat Hem zal overkomen en toch komt Hij naar voren. Lampen en wapens en zelfs Judas zijn niet nodig om Hem over te leveren, Jezus presenteert zichzelf. Soldaten en dienaars vallen voor Hem ter aarde. In de andere evangeliën bidt Jezus 'neem deze beker van Mij weg', maar Johannes schrijft 'zou Ik de beker niet drinken?' Tijdens het voorverhoor door Annas zwijgt Jezus niet maar spreekt Hij vrijmoedig.
Wat de leerlingen betreft: Johannes heeft het niet over de vlucht van de discipelen en het berouw van Petrus.
De discipelen gaan met Jezus mee.
Jezus zegt: 'als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan'. Het verhoor van Jezus staat ingeklemd tussen het verhoor van Petrus. Met opzet wordt van Kajafas herhaald: 'het is nuttig dat één mens sterft ten behoeve van het volk'. De vraag naar zijn discipelen en zijn leer kaatst Jezus terug met een: 'Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de synagogen geleerd en in de tempel, waar al de Joden bijeenkomen'.
Dat Jezus de leerlingen vrijspreekt, is eigenlijk het begin van hun eeuwige bevrijding. De goede herder zet zijn leven in voor de schapen. Voor de schapen...
Pontius Pilatus (18:18-19:22)
Johannes laat uitkomen dat Pilatus van buiten naar binnen loopt, van de joden naar Jezus, vice versa. Van een officiële aanklacht en een publieke rechtszitting is nauwelijks sprake.
Zodoende komt er in Johannes' versie van de lijdensgeschiedenis ruimte voor een pastoraal gesprek tussen Jezus en Pilatus. Ook de stadhouder moet eraan geloven! Niet dat deze (zoals in Ethiopië!) een heilige wordt, maar hij reageert wel veel positiever dan de joden, en aan het eind is hij niet ver van het koninkrijk Gods.
Pilatus vindt geen schuld in Jezus – tot drie keer toe verklaart hij dit met even zoveel woorden. Vóór de veroordeling laat hij Hem geselen en bespotten: het zijn geen strafmaatregelen voor Jezus, maar pressiemiddelen voor de joden. Vandaar ook dat de stadhouder zegt: 'zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat u weet, dat ik geen schuld in Hem vind'. Vandaar ook dat Jezus naar buiten komt met de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zegt tot hen: 'zie, de mens!' Pilatus is niet los van Jezus.
Integendeel, als hij hoort 'Hij heeft zichzelf Gods Zoon gemaakt', wordt hij pas echt bevreesd: 'waar bent U vandaan?' En als Jezus Pilatus heeft gedechargeerd (van toen af) trachtte hij Hem los te laten.
Jezus is voor Pilatus de koning der Joden, de mens, de/een zoon van God. Voor het dreigement van de joden zwicht Pilatus, maar later rehabiliteert hij zichzelf: 'wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven'. De hele situatie doet denken aan die van Paulus voor Agrippa: 'u wilt mij wel spoedig als christen laten optreden!' (Hand. 26:28).
'Bijna'
Vraag je hoe het komt dat Pilatus 'bijna' gelooft, dan wijst Johannes je op de persoon en het optreden van Jezus. Hij neemt het vragen over, Hij legt uit en toont aan dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is, Hij antwoordt de stadhouder op diens eigen terrein, en dechargeert Pilatus met een: 'daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde'.
Het optreden van Jezus tegenover Pilatus kun je vergelijken met dat tegenover de Samaritaanse vrouw, de hoveling te Kaper-naüm, de Grieken die opgaan naar het feest. Jezus heeft nog andere schapen die niet van deze stal zijn; zijn. Ook die moet Hij leiden en zij zullen naar zijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.
Voor zijn schapen (19:23-42)
De vermelding van het Pascha, mogelijk ook het feit dat Jezus zelf zijn kruis droeg, het noemen van de hysop en de aanhaling uit Exodus 12 – herinneren je eraan dat Jezus het ware Paaslam is. Het lam is de herder, de herder is het lam. De herder is aan handen en voeten gebonden, maar de herderlijke zorg blijft. De Romeinse soldaten hebben de handen vrij om de schrift in vervulling te laten gaan. Dit lijkt de bedoeling van de opmerking over Jezus' kleed dat niet gescheurd maar verloot wordt. De herderlijke zorg blijft, ook voor zijn moeder: 'vrouw, zie uw zoon; zie, uw moeder'. Hierbij kun je overwegen, of 'uw zoon' niet op Jezus zelf slaat in plaats van op Johannes (vgl. 1:29.36). Ook voor de wereld blijft Jezus' herderlijke zorg. Hij zegt: 'Mij dorst' om te kunnen roepen: 'het is volbracht'.
En natuurlijk: het getuigenis van water en bloed, opdat ook jullielezers en hoorders van dit boekgeloven.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Bij de tijd (1999).