Homofilie

2003-09-26
  • Jaargang 47
  • nummer 19
Het blijft een moeilijk onderwerp, en dus komt het telkens weer aan de orde: homofilie. De discussie erover, juist ook binnen de kerken, wordt danig bemoeilijkt, doordat genuanceerde standpunten door de één worden bestempeld als niet principieelbijbels en door de ander als niet duidelijk genoeg opkomend voor de homofiele broeder of zuster.
In Kontekstueel van juli 2003 wijdt Marja Brak een gedeelte van de Kroniek eraan. Ze begint met een aardige waarneming:

Stel u voor dat er morgen in een christelijk dag- of opinieblad een artikelenserie begint over de problematiek van de ongehuwde vrouw van middelbare leeftijd, toegespitst op haar seksualiteit, en geschreven door gehuwde mannen. Ondergetekende, die als iets in de pers haar toorn opwekt eerst tot 1000 telt en vervolgens meestal besluit haar woede in te slikken, zou onmiddellijk in de hoogste boom klimmen om die mannen op hun vestje te spugen. Het verbaast me daarom dat het vele geschrijf over homoseksualiteit zo weinig reactie oproept uit de kring van homofielen zelf. Of misschien ook niet.
Ongetrouwd zijn mag dan volgens velen een nogal ongelukkige staat van leven zijn, homofiel zijn is iets waar je in orthodoxe kring maar liever niet voor uitkomt. Toch lijkt het wat beter bespreekbaar te worden.

En verderop schrijft zij:

Wie geen homofiele zoon of neef of lesbisch buurmeisje heeft, kan nog wel met droge ogen krasse uitspraken doen over homoseksuele relaties. Ik wist het in mijn jongere jaren ook precies: het mag niet en het kan niet.
God heeft de mens als man en vrouw geschapen. En eerlijk gezegd denk ik dat allemaal nog steeds. Maar die overtuiging kwam wel steeds meer onder druk te staan. Dat begon toen er een vriend tegenover mij zat, die vertelde dat hij een relatie met een man had. En nog meer aangevochten werd mijn opvatting toen ik zag dat een ander uit mijn vriendenkring jarenlang een hevige (geloofs)strijd leverde maar het uiteindelijk opgaf en met een vriend ging samenwonen.
Tot bloedens toe gestreden en eindelijk rust gevonden.
Naar mijn waarneming zijn degenen die de strijd een leven lang volhouden niet groot in aantal. Maar ik weet natuurlijk niet hoeveel mensen er in eenzaamheid knokken. Inmiddels is er hier en daar in onze kring ook een soort stilzwijgende acceptatie van het samenleven van twee christenmannen of -vrouwen ontstaan. Het gaat dan om mensen die al vele jaren samenwonen.
En kerkenraden halen het niet in hun hoofd om deze broeders en zusters van het avondmaal te weren. Volgens sommigen zal dat een hellend vlak zijn; mij lijkt het pastorale wijsheid. Tegelijk blijf ik, met acceptatie van degenen die anders kiezen, van mening dat een homoseksuele relatie niet goed is. Ik wil wel graag luisteren om mijn opvatting te toetsen en dan het liefst naar mensen die uit ervaring weten waar ze het over hebben. Want wat weet een buitenstaander er eigenlijk van? “Homofilie behoort tot de raadselen van de schepping”, is een uitspraak van ds. A. Kool, die ik goed in mijn oren heb geknoopt.
In gesprekken over dit onderwerp zeggen mensen mij wel eens: “Maar jij bent toch ook ongetrouwd”. Alsof dat hetzelfde is! Solitair leven is lang niet altijd een lot. Mijn indruk is dat wie homofiel is per definitie geen solitair is. Het zijn mensen die een ‘even-ziel’ nodig hebben, geborgenheid, erkenning en herkenning zoeken.
Juist misschien wel, omdat ze zich niet veilig voelen. En ze hebben meestal ook nog het (on)geluk iemand tegen te komen met wie het klikt.
Weten al die gehuwde mannen ofom mezelf in te sluiten - ongetrouwde vrouwen wel waar ze over praten als ze zo stellig beweren dat een relatie tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden is? En als gezegd wordt dat homoseksualiteit als zodanig, en het begrip ervoor in de kerk, toeneemt ten gevolge van te veel beïnvloeding van de cultuur, merken we dan ook op dat ons egoïsme en onze genotzucht gevolgen zijn van diezelfde cultuur? Hálen wij het om in alle opzichten te leven naar wat de Schrift van ons vraagt?
Willen we echt verder komen, dan zullen we eerst eens naast onze homofiele broeder of lesbische zuster moeten gaan staan en hem of haar vertellen waar we zelf zo'n strijd mee te leveren hebben in ons leven. Dat kan ook best onze seksualiteit zijn, maar waarschijnlijker is dat het heel andere dingen zijn, zaken die zo ingeburgerd zijn dat we ze niet eens meer zien als in strijd met Gods geboden. En we zouden vóór alles allemaal, homo’s en hetero’s, af moeten van de gedachte die vandaag de dag zo sterk opgeld doet, dat iedereen gelukkig moet zijn.
Hier, nu en onmiddellijk! Hoe ongelooflijk wereldgelijkvormig zijn christenen geworden. Bestaat er nog zoiets als offerbereidheid, ascese, onthouding, je kruis op je nemen? Dat moeten we niet hard tegen homofielen roepen, terwijl we zelf op geen enkel terrein een veer laten. Laten we eerst eens eerlijk worden aangaande onszelf. Dan ontstaat er solidariteit en kunnen we gemeenschappelijk de strijd tegen ons vlees aangaan. En dat vlees meer is dan seksualiteit weten we best.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief